Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 04/2440 WWB UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en het college van burgemeesters en wethouders van Den Haag (voorheen: de Commissie Sociale Zekerheid), verweerder. Ontstaan en loop van het geding Aan eiseres is door verweerder met ingang van 5 maart 1997 een uitkering in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 11 april 2003 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2003 herzien en de te veel ontvangen uitkering ten bedrage van € 70.372,45 teruggevorderd. Bij besluit van 22 september 2003 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd ten bedrage van € 2.266,-. Tegen voornoemde besluiten heeft eiseres bij afzonderlijke brieven van respectievelijk 23 april 2003 en 1 oktober 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 mei 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres tijdig beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 29 april 2005 het bezwaar gericht tegen het besluit van 22 september 2003 alsnog gegrond verklaard en dat besluit herroepen, in die zin dat aan eiseres in plaats van de boete een maatregel van € 307,70 is opgelegd. Het beroep is op 27 mei 2005 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Samama, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. E.H. Buizert. Feiten Eiseres is officieel op 11 november 1997 gescheiden van [ex-echtgenoot]. Zij heeft de zorg voor drie kinderen. De oudste twee kinderen zijn tijdens het huwelijk met [ex-echtgenoot] geboren. De jongste is vier jaar na de scheiding geboren en erkend door [ex-echtgenoot]. De erkenning van het derde kind door [ex-echtgenoot] was in het jaar 2002 voor verweerder aanleiding om nader onderzoek te verrichten naar de woon- en leefsituatie van eiseres. Op 12 maart 2003 heeft verweerder een huisbezoek op het woonadres van eiseres afgelegd. De nadien door eiseres en haar ex-echtgenoot afgelegde verklaringen zijn op schrift gesteld en zijn door hen ter bevestiging ondertekend. Verweerder heeft op grond van de bevindingen van het onderzoek en de verklaringen geconcludeerd dat gedurende de gehele periode vanaf 1 juli 1997 er steeds sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Standpunten partijen Verweerder heeft aan het bestreden besluit tot herziening en terugvordering ten grondslag gelegd dat eiseres, in strijd met haar inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw, heeft nagelaten verweerder te informeren dat er sinds de geboorte van haar oudste kind steeds sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot, [ex-echtgenoot]. Als gevolg hiervan is ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand verleend. Dit is voor verweerder eveneens aanleiding geweest om aan eiseres een boete c.q. maatregel op te leggen. Eiseres betwist dat in de gehele periode van belang sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot. De ex-echtgenoot heeft sinds hun scheiding elders zijn hoofdverblijf gehad, namelijk eerst op het adres [adres] en later op het adres [adres 2] in Den Haag bij zijn broer en diens echtgenote. Eiseres is op jonge leeftijd met [ex-echtgenoot] gehuwd en uit Suriname naar Nederland gekomen. Ondanks haar wens daartoe heeft eiseres geen relatie met haar ex-echtgenoot. Wel draagt haar ex-echtgenoot bij in de opvoeding en verzorging van haar kinderen. Sinds Kerstmis 2002 was haar ex-echtgenoot tijdelijk wel weer bij haar woonachtig om haar extra ondersteuning te bieden bij de verzorging van haar destijds zieke kinderen. Nadat de omgangsregeling voor verweerder is verduidelijkt, heeft deze aan eiseres met ingang van 3 maart 2003 opnieuw een uitkering toegekend. Eiseres meent dat verweerder zijn conclusie dat er steeds sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Motivering Herziening en terugvordering Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Het bestreden besluit tot herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering is tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Ingevolge artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) dient ten aanzien van dit besluit, nu het bezwaarschrift vóór of op de peildatum, zijnde 31 december 2003, is ingediend, met toepassing van de Abw te worden beslist. Gelet op het bepaalde van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Abw dient, nu eiseres en [ex-echtgenoot]n gehuwd zijn geweest en uit hun relatie kinderen zijn geboren, ter beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding slechts te worden aangetoond dat zij gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, te weten de woning van eiseres aan de [adres 3] te Den Haag. Ingevolge vaste jurisprudentie dient het hoofdverblijf te worden bepaald aan de hand van feitelijke omstandigheden (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 mei 2002, 00/432 NABW, gepubliceerd in JABW 2002/112). De rechtbank overweegt dat de verklaringen van eiseres en haar ex-echtgenoot overeenkomen ten aanzien van het gezamenlijk verblijf in de woning van eiseres vanaf Kerstmis
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.