Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 04/3375 ABW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser], wonende te [plaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder. Ontstaan en loop van het geding Eiser en zijn echtgenote [echtgenote] ontvingen van verweerder een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw). Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft verweerder het recht op uitkering voor wat betreft de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 ingetrokken en de ten onrechte of te veel ontvangen bijstand over deze periode ten bedrage van € 22.124,88 teruggevorderd. Bij besluit van 6 juli 2004 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 augustus 2004, ingekomen bij deze rechtbank op 6 augustus 2004, beroep ingediend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 1 september 2004 een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 28 september 2005 ter zitting behandeld. Eiser is niet ter zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.G.M. van Haastert. Tussenbeslissing Eisers raadsman heeft aan het begin van de zitting om schorsing van het onderzoek gevraagd, omdat eiser in het ziekenhuis zou zijn opgenomen. Volgens de raadsman had eiser de zitting graag zelf willen bijwonen. Het verzoek van de raadsman is ter zitting afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat eiser, nu de raadsman wel ter zitting aanwezig was, en hij de standpunten van eiser heeft bepleit, niet in zijn belangen is geschaad. Hierbij is mede van belang dat van eisers standpunten genoegzaam uit de stukken is gebleken. Oordeel van de rechtbank Beoordeeld dient te worden of het bestreden besluit, waarbij verweerder eisers recht op bijstand met ingang van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 heeft ingetrokken en de teveel ontvangen uitkering volledig van hem heeft teruggevorderd, in rechte stand kan houden. Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet Werk en Bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Het bestreden besluit is tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Ingevolge artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) dient in het onderhavige geval, nu het bezwaarschrift vóór de peildatum, zijnde 31 december 2003, is ingediend, met toepassing van de Abw te worden beslist. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald. Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Abw, herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Ingevolge artikel 69, vijfde lid, van de Abw, kunnen burgemeester en wethouders, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien. Ingevolge artikel 78, derde lid, van de Abw, kunnen burgemeester en wethouders, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw, wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd. Eiser heeft betwist dat hij in de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 in de avond- en nachtdienst bij het bedrijf [bedrijf] te [plaats] heeft gewerkt. Eiser is weliswaar op advies van een Koerdische man die hij in snackbar [snackbar] te [plaats] had ontmoet, een dag in deze matrassenfabriek geweest om te kijken of hij het werk aankon, maar het bleek voor hem een te zware belasting. Daarnaast heeft eiser de inhoud van de verklaringen van de heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] betwist. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank overweegt dat zij op grond van de getuigenverklaringen en observaties die zijn opgenomen in de rapportage van de hoofdafdeling Welzijn, Bijzonder Onderzoek voldoende aannemelijk acht dat eiser van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [bedrijf], die hij niet bij verweerder heeft opgegeven. De rechtbank kent met name gewicht toe aan de verklaringen van de heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] die in het kader van het onderzoek als getuigen zijn gehoord. De heer [getuige 1], die voor [bedrijf] personeel inleende via [bedrijf 1], heeft over eiser verklaard dat hij regelmatig heeft gewerkt, hetgeen blijkens het proces verbaal van 13 november 2001 inhoudt dat hij 70% van de feitelijke periode van mei 1999 tot en met december 2000 moet hebben gewerkt. Bovendien zou eiser een aardige, slimme man zijn, die door zijn collega's anders werd genoemd dan [eiser]. De heren [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] die ook bij [bedrijf] hebben gewerkt hebben respectievelijk over eiser het volgende verklaard. [getuige 2]: "Deze man ken ik wel. Ik kan over hem het volgende verklaren. Dat is [alias eiser], Hij woont op de [adres] te [plaats] in de flat van [getuige 3]. Hij werkte in de avond- en nachtdienst in de periode van mei/juni 1999 tot en met oktober/november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.