Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 04/4132 WRB UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser], kantoorhoudende te [plaats], eiser, en de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Op 11 maart 2004 heeft eiser bij het aan de raad verbonden bureau rechtsbijstandvoorziening (hierna: het bureau) een aanvraag ingediend voor het vaststellen van de vergoeding wegens het verstrekken van rechtsbijstand aan [cliënt] ter zake van het voeren van verweer inzake aansprakelijkheid op grond van artikel 31 van de Wegenverkeerswet. Bij besluit van 26 maart 2004 heeft het bureau eisers aanvraag afgewezen onder de overweging dat de aanspraak op vergoeding is verjaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 maart 2004 administratief beroep ingesteld bij verweerder. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord omtrent zijn beroep. Bij besluit van 12 augustus 2004, verzonden op 20 augustus 2004, heeft verweerder eisers beroep ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 september 2004, ingekomen per faxbericht bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 10 december 2004 een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 23 augustus 2005 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon ter zitting verschenen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Juridisch kader Artikel 37, vijfde lid, onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de aanvraag van de vergoeding en de besluitvorming daarover. De bedoelde algemene maatregel van bestuur betreft het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) Ingevolge artikel 28, eerste lid, van het Bvr, dient de rechtsbijstandverlener na de beëindiging van de rechtsbijstand bij het bureau een aanvraag tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden in te dienen. Ingevolge artikel 1 van het Bvr wordt in dit besluit – voor zover hier van belang – verstaan onder: b. procedure: een zaak die aanhangig is gemaakt bij een bij wet ingesteld tuchtrechtelijk college alsmede een zaak op het terrein van het burgerlijk of bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij: - de burgerlijke rechter, - (…), c. advieszaak: een zaak op het terrein van het tuchtrecht of het burgerlijk of bestuursrecht die geen procedure is; Onder het kopje "beleidsaspecten" onder artikel 3 van het Bvr in het Handboek Vergoedingen is beleid opgenomen dat – voor zover hier van belang – luidt: "Verzoeken om vaststelling van de vergoeding kunnen tot een beschikking leiden dat geen vaststelling en uitbetaling meer kan plaatsvinden omdat sprake is van verjaring van de aanspraak op vergoeding. Declaraties die betrekking hebben op toevoegingen waarin de rechtsbijstand tenminste vijf jaar voor de datum van ontvangst is beëindigd, zijn verjaard. De periode van vijf jaren begint op 31 december van het jaar waarin de rechtsbijstand werd beëindigd en de vergoeding opeisbaar werd. Bij procedures wordt de rechtsbijstand geacht te zijn geëindigd op de datum waarop de rechtsbijstand feitelijk is geëindigd. Indien de raadsman na die datum nog activiteiten heeft verricht dienen die aangetoond te worden. Bij advieszaken wordt uitgegaan van het laatste juridisch inhoudelijke contact met de cliënt." Standpunten van partijen Eiser heeft – voor zover van belang en samengevat – in beroep aangevoerd dat de aanspraak op vergoeding van rechtsbijstand naar zijn mening niet is verjaard. De aanvraag is binnen vijf jaar na de beëindiging van de rechtsbijstand ingediend. In 2000, het jaar waarin de vordering die op grond van onrechtmatige daad op zijn cliënt bestond zou verjaren, heeft eiser het dossier nog bestudeerd ter vaststelling of daarvan inderdaad sprake was. Dit is eisers laatste activiteit geweest in deze zaak. Omdat hiermee niet veel tijd gemoeid was, heeft hij deze handeling niet in zijn urenstaat opgenomen. Verweerder is er derhalve ten onrechte van uitgegaan dat de rechtsbijstand op 15 april 1998, de datum van laatste handeling volgens de urenstaat, is geëindigd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanspraak op vergoeding is verjaard. Daarvan is sprake bij declaraties die betrekking hebben op toevoegingen waarin de rechtsbijstand tenminste vijf jaar voor de datum van ontvangst ervan is beëindigd. Een verzoek om vergoeding dient te worden geverifieerd aan de hand van een door de rechtsbijstandverlener overgelegde urenspecificatie. De datum van de laatste handeling in het dossier zoals die blijkt uit deze specificatie, is van essentieel belang bij de beoordeling of er sprake is van verjaring van de aanspraak op vergoeding. Blijkens de door eiser overgelegde urenstaat moet de rechtsbijstand in dit geval feitelijk geacht te zijn beëindigd op 15 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.