Rechtbank ’s-Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, meervoudige kamer Reg. nr. AWB 05/5035 BESLU UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser] en [eiseres], wonende te [plaats], eisers, en de burgemeester van Den Haag, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij gewijzigde aanvraag van 1 juli 2004 heeft [eiseres] vergunning als bedoeld in artikel 95h, eerste lid, van de Algemene Politieverordening voor [plaats] (APV) aangevraagd voor de exploitatie van een seksinrichting in het pand [straat] [nummer] te [plaats] door haar en haar echtgenoot [eiser]. Bij brief van 20 augustus 2004 heeft verweerder mededeling gedaan van het feit dat ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag advies is gevraagd aan het Bureau Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau). Op 2 november 2004 heeft het Bureau advies uitgebracht (hierna: BIBOB-advies. Bij besluit van 23 februari 2005 heeft verweerder de aangevraagde exploitatievergunning geweigerd. Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 1 maart 2005 bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 12 mei 2005 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen. Bij besluit van 7 juli 2005, verzonden op 8 juli 2005, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van 29 juni 2005 van de Adviescommissie Bezwaarschriften (hierna: de Commissie), het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 21 juli 2005, ingekomen bij de rechtbank op 22 juli 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Daarbij heeft verweerder met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat kennisneming van één zin van processtuk XIV tot de rechtbank beperkt dient te blijven. Op 18 augustus 2005 heeft de rechtbank in een andere, enkelvoudige, samenstelling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 6 september 2005 hebben eisers de rechtbank toestemming verleend mede op basis van de geheimgehouden zin uitspraak te doen. De zaak is op 6 oktober 2005 ter zitting behandeld. [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Hartogs, advocaat te Doetinchem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M.C. den Hertog en mr. D.C.G. Laagland. Motivering Wettelijk kader Ingevolge het bepaalde in artikel 95h, eerste lid, van de APV in combinatie met het bepaalde in de artikelen 95e, sub c en 95f van de APV, is het verboden een seksinrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. In artikel 7, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet) is bepaald dat een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting, door het gemeentebestuur, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting betreft, kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet. In artikel 4, aanhef en sub b, van het besluit BIBOB is als inrichting bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet aangewezen: “voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen worden verricht, seksuele diensten worden aangeboden of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden”. Op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kan een bestuursorgaan weigeren een aangevraagde beschikking te geven, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet BIBOB wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven; b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan; c. de aard van de relatie en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het derde lid, indien – voorzover hier van belang – een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met: a. de mate van het gevaar en b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten. Feiten Eisers zijn gehuwd. Eiser exploiteert een onderneming genaamd [onderneming] in de vorm van een – naar eiser stelt en blijkt uit de jaarrekening 2003 – eenmanszaak. Ten tijde van de aanvraag stond [onderneming] bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken Haaglanden ingeschreven als een onderneming van de vennootschap onder firma [onderneming], waarvan eisers de vennoten zijn. [dochter], een dochter van eisers, is bestuurder/grootaandeelhouder van de besloten vennootschap [B.V.] B.V. Daarnaast is zij bestuurder/grootaandeelhouder van de besloten vennootschap [B.V.2] B.V. en exploiteert zij de onderneming [onderneming2]. Onder [onderneming] wordt in het hiernavolgende verstaan: eisers en/of [onderneming]. Onder [B.V.] B.V. wordt in het vervolg verstaan: [B.V.] B.V. en/of [dochter]. Standpunten van partijen Verweerder heeft de aangevraagde vergunning geweigerd omdat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de resultaten van het onderzoek door het Bureau, op het standpunt gesteld dat is gebleken van feiten en omstandigheden die erop wijzen of die doen vermoeden dat eisers in relatie staan tot door henzelf (als exploitanten van [onderneming] en door [B.V.] B.V. gepleegde strafbare feiten, die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd. Eisers staan in relatie tot de door [B.V.] B.V. gepleegde strafbare feiten omdat tussen [B.V.] B.V. en [onderneming] een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, aldus verweerder. Eiseres hebben in beroep betwist dat er sprake is van een structureel samenwerkingsverband tussen [onderneming] en [B.V.] B.V. Wat betreft het ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen wijzen eisers erop dat uit het BIBOB-advies inzake [B.V.] B.V. blijkt, dat de strafbare feiten die zijn gepleegd als minder ernstig kunnen worden beschouwd en nimmer hebben geleid tot een strafrechtelijke vervolging of veroordeling. Inzake de strafbare feiten die wel als ernstig worden beschouwd, namelijk het witwassen en het overtreden van de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is er slechts sprake van vermoedens. Van een vervolging voor deze feiten is zelfs geen sprake geweest. Eisers hebben verder aangevoerd dat, zo er al sprake is van een samenwerkingsverband, in ieder geval vast staat dat dit samenwerkingsverband er niet toe heeft geleid dat er door eisers strafbare feiten zijn gepleegd. Van een concreet gevaar dat op basis van hetgeen in het verleden heeft plaatsgevonden in de toekomst strafbare feiten zullen worden gepleegd is niet gebleken. Eisers hebben tot slot gesteld geen enkel bezwaar te hebben tegen opneming in de vergunning van beperkende voorschriften die erop gericht zijn het gevaar te beperken, bijvoorbeeld het voorschrift dat het niet is toegestaan in het kader van de exploitatie op welke manier dan ook samen te werken met [B.V.] B.V.. Oordeel van de rechtbank Het is vaste jurisprudentie dat de rechterlijke toetsing van besluiten waarbij een bestuursorgaan gebruik heeft gemaakt van een discretionaire bevoegdheid terughoudend dient te zijn. De bevoegdheid van verweerder om een vergunning te weigeren indien ernstig gevaar bestaat dat die vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, is van discretionaire aard. De vraag of er sprake is van ernstig gevaar is van feitelijke aard en dient door de rechtbank wel volledig te worden getoetst. Zakelijk samenwerkingsverband (artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c van de Wet). Eisers hebben gesteld dat het feit dat [onderneming] en [B.V.] B.V. in dezelfde branche actief zijn niet kan leiden tot het oordeel dat er sprake is van een samenwerkingsverband. Er is slechts één keer, meer dan twintig jaar geleden, door eisers een bedrag van [B.V.] B.V. geleend voor privé doeleinden. Daarnaast is één keer door hun dochter een betaling voorgeschoten. Slecht één à twee maal heeft hun dochter namens eisers contact opgenomen met verweerder en is de exploitatie tijdelijk overgenomen door [B.V.] B.V.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, onder overneming van het BIBOB-advies, zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [onderneming] en [B.V.] B.V. als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet. Verweerder heeft daarbij terecht als uitgangspunt genomen dat het feit dat de onderneming van de ouders en de onderneming(en) van de dochter alle op het terrein van de raamprostitutie werkzaam zijn, de feitelijke mogelijkheden tot het onderhouden van een zakelijk samenwerkingsverband vergroot. Verder is uit het in zoverre niet weersproken BIBOB-advies naar voren gekomen dat zowel in de jaarcijfers van [onderneming] als in de jaarcijfers van [B.V.] B.V. en [B.V.2] B.V. bij het kort vreemd vermogen een rubriek “groepsmaatschappijen” is opgenomen. Blijkens een mededeling van de boekhouder hebben de drie genoemde “groepsmaatschappijen” een rekening-courant verhouding met elkaar. Schulden en vorderingen ontstaan doordat over en weer geld beschikbaar wordt gesteld voor aankopen van onroerend goed of doordat betalingen door de ene “groepsmaatschappij” zijn gedaan ten behoeve van een andere. Voorts heeft verweerder terecht van doorslaggevende betekenis geacht dat [onderneming] in de periode 2001-2004 een aantal raamprostitutiepanden in de [straat] heeft geëxploiteerd, waarvoor exploitatievergunning was verleend aan [B.V.] B.V. Dit terwijl de vergunning welbewust door de gemeente was verleend aan [B.V.] B.V. en niet aan [onderneming], omdat de politie Haaglanden over de aanvraag van [onderneming] met betrekking tot dezelfde panden een negatief advies had uitgebracht. De stelling van eisers dat verweerder zelf door zijn handelwijze het beweerdelijk zakelijk samenwerkingsverband zou hebben gestimuleerd door eerst vergunning aan [onderneming] te weigeren en vervolgens gedurende een aantal jaren te tolereren dat eisers de panden aan de [straat] exploiteerden, acht de rechtbank niet juist. Verweerder heeft bij het verlenen van de vergunning aan [B.V.] B.V. juist uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat niet mocht worden samengewerkt met [onderneming]. Bovendien vereist de Wet niet dat een zakelijk samenwerkingsverband zonder bemoeienis of medeweten van het betrokken bestuursorgaan tot stand is gekomen. Tot slot blijkt uit het BIBOB-advies dat [dochter] een aantal malen haar ouders heeft vertegenwoordigd bij zakelijke aangelegenheden met betrekking tot [onderneming]. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat tussen [onderneming] en [B.V.] B.V. een zakelijk samenwerkingsverband bestaat. Op grond daarvan kan worden aangenomen dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten die door [B.V.] B.V. zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. De gepleegde strafbare feiten en het verband met de aangevraagde vergunning (artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet.) Om te kunnen vaststellen dat het ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet zich voordoet, is ingevolge het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet vereist dat het bestuursorgaan vaststelt dat zich in het verleden strafbare feiten hebben voorgedaan, die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten, waarvoor de beschikking wordt aangevraagd. Deze bestuursrechtelijke vaststelling dat zich strafbare feiten hebben voorgedaan hoeft niet te zijn gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling. Het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet brengt mee dat verweerder de vaststelling dat [onderneming] en [B.V.] B.V. in het verleden strafbare feiten hebben gepleegd, kan baseren op feiten en omstandigheden die dat redelijkerwijs doen vermoeden. Als feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd, noemt de wetgeschiedenis bij wijze van voorbeeld: aangegane transacties, opsporings- en vervolgingsacties (Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, pag. 62 en Kamerstukken II 2000-2001, 26 883, nr. 8, pag. 4). Het gaat hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet om een uitputtende opsomming. De in het BIBOB-advies opgesomde feitelijke constateringen met betrekking tot het vermoeden van strafbaar handelen door [onderneming] en [B.V.] B.V., zijn op zichzelf door eisers niet of onvoldoende betwist. Het gaat om vermoedens met betrekking tot de volgende strafbare feiten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.