RECHTBANK 's-GRAVENHAGE sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 26 juli 2006, gewezen in de zaak met rolnummer KG 06/686 van: de stichting Stichting Bavo RNO Groep, gevestigd te Rotterdam, eiseres, procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, advocaten mr. J.G. Sijmons en mr. T.A.M. van den Ende te Zwolle, tegen: de Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), zetelende te ’s-Gravenhage, gedaagde, procureur prof. mr. G.R.J. de Groot, advocaten prof. mr. G.R.J. de Groot en mr. G.M.H. Hoogvliet. 1. Enige relevante regelgeving 1.1. Artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) luidt: 1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen. 2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling. 3. De toekenning van aanspraken geeft geen recht op rechtmatig verblijf. 1.2. Artikel 64 Vw2000 luidt: Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. 1.3. Artikel 5 lid 2 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) luidt: In afwijking van het eerste lid zijn vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, niet verzekerd. 2. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 juli 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Eiseres is, als instelling voor geestelijke gezondheidszorg, hoofdzakelijk belast met zorg, gefinancierd op basis van de AWBZ, voor inwoners van Rotterdam en omgeving die hulp zoeken voor sociaal-psychologische en psychiatrische problemen. Zij verleent ook zorg aan illegalen, onder meer in gevallen waarin een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet bopz) is afgegeven. Onder “illegalen” worden hier verstaan vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven. 2.2. Door de inwerkingtreding van de zogeheten Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203) op 1 juli 1998 is – onder meer – het recht op gefinancierde medische verzorging voor illegalen in algemene zin vervallen. Het hiermee geïntroduceerde zogeheten koppelingsbeginsel komt onder meer tot uitdrukking in artikel 10 Vw2000. 2.3. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Vreemdelingenwet (oud) (Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3) is aandacht besteed aan de gezondheidszorg als een van de mogelijke uitzonderingen op het koppelingsbeginsel (p. 17): “Een derde uitzondering op het koppelingsbeginsel behoefde geen wettelijke positivering in het voorliggend wetsvoorstel, zoals wij hiervoor in § 2.5. in fine uiteenzetten. Het gaat hier om een uitzondering die reeds voldoende verankering heeft in de verschillende regelingen waaruit de Nederlandse rechtsorde is samengesteld. Het gaat hier om een uitzondering, waarbij enerzijds wèl een verplichting bestaat om aan een bijzonder persoon ongeacht zijn verblijfsstatus – bepaalde verschaffingen niet te onthouden, zonder dat tegelijkertijd – deze rechtsplicht correleert met een subjectief afdwingbaar aanspraakrecht van die persoon. Het gaat hier om de situatie, waarin de verlening van medische zorg niet kan worden uitgesteld of onthouden zonder het leven of de gezondheidstoestand van betrokkene dan wel de Nederlandse volksgezondheid ernstig in gevaar te brengen. In dat geval, zo brengt het Nederlandse recht mee, bestaan er bepaalde zorgplichten ten aanzien van een dergelijke persoon, waaraan noch overheid noch private persoon – en dat laatste benadrukken wij in dit verband – zich kan onttrekken. Die plichten brengen met zich dat degeen die zich in die situatie bevindt een voorziening wordt geboden die aan het acuut gevaar een einde maakt, indien althans de zorgplichtige zulks kan doen zonder direct gevaar voor eigen leven, eerbaarheid of goed. Die plichten houden dus evenzeer in dat artsen of verpleegkundigen in dergelijke situaties geen medische bijstand onthouden aan bijzondere personen en dat een verblijfstoets geen rechtsgrond kan behelzen om zich aan die zorgplicht te onttrekken. Het gaat hier voorts – dat is typisch voor deze zorgplicht – om een gehoudenheid, ook van particulieren (waaronder private zorginstellingen) tegen de financiële consequenties waarvan de overheid niet zonder meer gehouden is dekking te verlenen.” De memorie van toelichting vermeldt verder (p. 19): “Het risico dat noodzakelijke medische hulp niet onthouden mag worden om ernstige gevaarzetting voor leven of gezondheid te voorkomen, terwijl deze onverhaalbaar zal blijken te zijn wegens de illegaliteit van de verzorgde deelt zich maar aan een beperkte categorie mede. Deze categorieën zijn tevoren – lós van het concrete risico – reeds te definiëren. Omdat wij vinden dat de kosten van het beginsel van het geïntegreerde vreemdelingenbeleid in redelijkheid niet alleen door deze categorie gedragen dienen te worden – de hele Nederlandse samenleving heeft tenslotte baat bij een sluitende implementatie van dit beginsel – zijn wij bereid te zorgen voor een vorm van financiering ten laste van de rijksbegroting van kosten van medische zorg die in acute medische noodsituaties door zorgverleners aan illegalen is verleend, indien en voor zover deze kosten niet op andere wijze kunnen worden verhaald en er tevens sprake is van kennelijke hardheid indien een rekening van een zorgverlener niet wordt vergoed.” 2.4. Mede ter dekking van het financiële risico dat zorginstellingen in verband met medische zorg aan illegalen in de toekomst zouden lopen, heeft de toenmalige Minister van Volksgezondheid het zogeheten Koppelingsfonds in het leven geroepen. Het Koppelingsfonds wordt beheerd door de Stichting “Koppeling” (hierna: de Stichting), die op 28 april 1997 is opgericht. 2.5. Volgens artikel 3 van haar statuten stelt de Stichting zich ten doel: “het verlenen van financiële bijdragen aan aangewezen instellingen voor activiteiten op het terrein van de gezondheidszorg ten behoeve van personen, die op grond van hun verblijfsstatus zijn uitgesloten van toegang tot de sociale ziektekostenverzekering”. Volgens artikel 4 van de statuten worden de financiële middelen van de Stichting gevormd door subsidies en andere baten. Tot dusver wordt het Koppelingsfonds volledig gefinancierd door de Staat, te weten het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS). 2.6. In het kader van de besteding van de haar ter beschikking staande gelden heeft de Stichting een regeling opgesteld waarin voorwaarden zijn opgenomen voor compensatie aan een zorgverlener (regeling Stichting Koppeling). Voorts heeft zij in dat verband een “Protocol aanvraag financiële bijdragen AWBZ-instellingen” opgesteld. 2.7. Op vragen van het Tweede-Kamerlid Arib heeft de Minister van VWS onder meer geantwoord (Kamerstukken II 2004/05, Aanhangsel van de Handelingen nr. 357, p. 747-748): “[vraag] 2 Het Koppelingsfonds geeft zorgverleners financiële compensatie voor het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan illegalen. Het gaat dan om medisch noodzakelijke zorg aan illegalen. Het gaat dan om medisch noodzakelijke zorg die geen uitstel toelaat. Voor langdurige zorg die een onbeperkt verblijf in Nederland veronderstelt, komen onverzekerde vreemdelingen zonder wettig verblijf in principe niet in aanmerking. Zij moeten terugkeren naar het land van herkomst. Illegalen die vanwege hun gezondheidstoestand (tijdelijk) niet in staat zijn om te reizen kunnen een beroep doen op artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Bij een geslaagd beroep op deze bepaling wordt aan hen uitstel van vertrek verleend. Tevens kunnen zij daarbij aanspraak maken op de noodzakelijke medische voorzieningen. Dit heeft evenwel, gelet op de strekking van artikel 64 Vreemdelingenwet, een tijdelijk karakter. (…) [vraag] 5 Ik heb de Stichting Koppeling geadviseerd om rekeningen afkomstig van AWBZ gefinancierde zorg – gelet op de strekking van de regeling Stichting Koppeling – niet meer in behandeling te nemen. (zie ook vraag 2).” 2.1. Volgens haar jaarverslag over 2005 heeft eiseres in 2004 een positief exploitatiesaldo gehad van € 381.374,-- en van € 463.241,-- in 2005. Het eigen vermogen groeide van € 3.818.362,-- in 2004 naar € 4.281.603,-- in 2005. 2.9. In 2006 heeft eiseres tot 1 juli in haar ziekenhuis in totaal 27 illegalen behandeld of nog in behandeling. 3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer 3.1. Eiseres vordert – zakelijk weergegeven –: I. ten aanzien van de illegalen thans opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis van eiseres, het koppelingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 10 Vw2000 tot aan hun uitzetting uit Nederland, respectievelijk, als dat eerder zal zijn, totdat in een bodemprocedure in dit geschil zal zijn beslist, buiten werking te stellen; II. de Staat te gebieden een regeling te treffen voor de kosten van de aan genoemde illegalen te verlenen geestelijke gezondheidszorg te vergoeden overeenkomstig de wettelijke tarieven voor vergelijkbare zorg aan AWBZ-verzekerden; III. de Staat te veroordelen om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis € 500.000,-- als voorschot ten titel van schadevergoeding respectievelijk als voorschot op een vergoeding voor de aan genoemde illegalen geleverde en nog te leveren zorg tot aan hun uitzetting; IV. een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht. 3.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan. Eiseres ziet zich als gevolg van de Koppelingswet geconfronteerd met stijgende kosten voor de klinische opvang van illegalen. De kosten voor klinische opvang worden in de regel vergoed op grond van de AWBZ, maar door het koppelingsbeginsel hebben illegalen in beginsel geen aanspraak op zorg gefinancierd op grond van de AWBZ. Geen van de bij eiseres onder behandeling zijnde illegalen valt onder artikel 64 Vw2000, op grond waarvan de kosten van de noodzakelijke zorg wèl worden vergoed. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is met deze illegalen bekend maar gaat – in strijd met wet- en regelgeving op dit gebied – niet over tot uitzetting. Op humanitaire en maatschappelijke gronden kan aan illegalen met een psychische of psychiatrische stoornis de zorg niet worden onthouden, zeker niet wanneer zij een gevaar vormen voor zichzelf en hun omgeving. De maatschappelijke urgentie daarvan komt onder meer tot uitdrukking in opneming van illegalen met een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bopz. Het staat eiseres op grond van regels van de medische beroepsethiek voorts niet vrij zorg te weigeren of te beëindigen wegens het uitblijven van betaling. Eiseres zou zich dan mogelijk ook schuldig maken aan strafbare feiten, waarbij een suïciderisico geldt als een strafverzwarende omstandigheid. Het koppelingsbeginsel is onrechtmatig, omdat het strijdig is met de internationale verdragen met betrekking tot essentiële fundamentele sociale rechten, waaronder het recht op gezondheidszorg. Artikel 10 Vw2000 is voorts onrechtmatig jegens eiseres, omdat daarmee de medisch noodzakelijke zorg aan illegalen in psychiatrische opvang voor rekening van de hulpverlener wordt gebracht. Artikel 10 Vw2000 dient daarom buiten werking gesteld te worden. In ieder geval is het beleid van de Staat ten aanzien van de compensatie voor zorg aan illegalen in strijd met het verbod op willekeur, nu de Staat, in aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van de totstandkoming van de Koppelingswet bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot dit beleid had kunnen komen. Het beleid is tevens strijdig met het beginsel van égalité devant les charges publiques en met het evenredigheidsbeginsel, omdat de Staat de onevenredig nadelige gevolgen van zijn beleid ten laste van een beperkte groep instellingen, waaronder eiseres, laat komen. De Staat schendt verder het gelijkheidsbeginsel, nu hij bij het toekennen van een financiële vergoeding geheel ongemotiveerd onderscheid maakt tussen AWBZ-instellingen en andere dan AWBZ-instellingen. Eiseres heeft een spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorzieningen. De kosten voor de door haar verleende zorg aan illegalen zijn sinds 2000 al opgelopen tot een totaal van € 2.136.735,--, terwijl de Staat sinds 2004 voor AWBZ-instellingen in het geheel geen middelen meer ter beschikking stelt. Bovendien zijn de kosten van de zorg aan illegalen dermate opgelopen dat zij niet meer sporen met de jegens de zorgkantoren te verantwoorden reguliere zorg aan verzekerden. Dit probleem belast de onderhandelingspositie van eiseres jegens de zorgkantoren. 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat voor zover nodig hierna zal worden besproken. 4. De beoordeling van het geschil 4.1. Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Staat, mede als wetgever, jegens haar onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven. 4.2. De Staat heeft ten aanzien van één van de onderdelen van de vorderingen betwist dat eiseres een spoedeisend belang bij het gevorderde heeft. Dit betreft de vordering onder III, die strekt tot betaling aan eiseres van een voorschot op een haar, in haar visie, toekomende (schade)vergoeding. De Staat heeft in dit verband verwezen naar de onder 2.8 vermelde financiële positie van eiseres. Dit verweer wordt verworpen. Voor het aannemen van een spoedeisend belang bij een vordering in kort geding is niet nodig dat de eisende partij bij het uitblijven van de gevorderde betaling in financiële nood komt te verkeren. Het staat vast dat eiseres al een ruim aantal jaren aanzienlijke kosten maakt voor de zorgverlening aan illegale patiënten zonder een substantiële – en gedurende de laatste jaren zelfs: zonder enige – vergoeding. Deze situatie duurt nog steeds voort. Hierin schuilt een voldoende spoedeisend belang. Haar financiële positie is niet zodanig dat het gevorderde bedrag voor haar een bagatel is. Andere gronden voor twijfel aan het spoedeisende belang zijn niet gesteld of aannemelijk geworden. 4.3. Eiseres is in haar vorderingen bij de burgerlijke rechter ook ontvankelijk. Er is immers op grond van bijzondere wetgeving geen andere rechter aangewezen die over een of meer onderdelen van de vorderingen kan beslissen. In het bijzonder is geen sprake van een “besluit” van (organen van) de Staat in de zin van artikel 1:3 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bestuursrechtelijk (bezwaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.