RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Zitting houdende te Zutphen Registratienummer: AWB 06/45666 VRONTN Datum uitspraak: 29 september 2006 UITSPRAAK op het beroep tegen de maatregel van bewaring, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende: [eiseres] , geboren op [datum] 1981, van Chinese nationaliteit, V-nummer [nummer] , eiseres, mede namens haar minderjarige zoon [zoon] , geboren op [datum] 1998, verblijvende in Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, gemachtigde: mr. M.A. Collet, advocaat te Rotterdam, tegen DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE verweerder, gemachtigde: D.A. Riezebos, werkzaam bij de IND. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 september 2006 is eiseres in vreemdelingenbewaring gesteld. Eiseres heeft daarte¬gen bij brief van 19 september 2006 beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding. Het beroep is behandeld ter zitting van 27 september 2006. Eiseres is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minderjarige zoon van eiseres is eveneens verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was een tolk aanwezig. 2. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. 2.2 De Minister heeft bij brief van 23 januari 2004 (TK, 2003-2004, 19 637 en 29 344, nr. 793, pp. 1-7) het beleid met betrekking tot de terugkeer van de groep langdurig in Nederland verblijvende asielzoekers, die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning en die zich nog in de reguliere asielopvang bevinden, uiteengezet. In beginsel gaat het - aldus de Minister - om vreemdelingen die hun (eerste) asielaanvraag voor 1 april 2001 hebben ingediend. Besloten is om een extra inspanning te doen om de terugkeer van deze groep te realiseren. Voor die groep zal worden overgegaan tot intensieve facilitering van de terugkeer vanuit de gemeentelijke woning of COA-voorziening. Indien de terugkeer niet is gerealiseerd vanuit de opvang wordt vervolgens, afhankelijk van individuele omstandigheden en mogelijkheden, een periodieke meldingsplicht, beperking van de bewegingsvrijheid, vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming opgelegd. Het beleid is nader uitgewerkt - aldus de Minister - in het Handboek Project Terugkeer van december 2004. In fase 1 vindt de vertrekfacilitering plaats in een opvanglocatie. In deze fase vinden twee vertrekgesprekken plaats. In fase 2 vindt de vertrekfacilitering plaats in een vertrekcentrum. 2.3 De Minister heeft bij brief van 27 juni 2006 (TK, 2005-2006, 29 344, nr. 57, p. 3) naar voren gebracht dat alleen in bepaalde uitzonderingsgevallen tot inbewaringstelling van ouders met minderjarige kinderen zal worden overgegaan. Voorts is in die brief, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Indien één van deze uitzonderingssituaties van toepassing is en het gehele gezin toch in bewaring moet worden genomen, dient de duur per definitie zo kort mogelijk te zijn. De inspanning van alle betrokkenen moet er vanaf het eerst moment reeds op gericht zijn die situatie zo spoedig mogelijk te beëindigen. Daarnaast zullen de zorgvuldigheidsnormen nauwgezet in acht worden genomen. Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de specifieke behoefte van de kinderen en hun ouders, maar ook met de fase waarin de bewaring noodzakelijk is. Indien het bijvoorbeeld bewaring betreft in verband met een op handen zijnde uitzetting, zijn bepaalde voorzieningen zoals scholing minder geïndiceerd dan wanneer het gezin langer in bewaring zal verblijven. Als dat laatste het geval is, wordt zorggedragen voor een leeftijdgerelateerd voorzieningenniveau, zoals bijvoorbeeld het aanbieden van onderwijs en het ter beschikking stellen van voldoende spel- en leermiddelen.” 2.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit tot oplegging aan eiseres van de maatregel van vreemdelingenbewaring wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting toetsing in rechte doorstaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres – zoals ook in het besluit is aangegeven en niet door haar bestreden – niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, zich niet gehouden heeft aan haar vertrektermijn en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Reeds hierom heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het vermoeden bestaat dat eiseres zich aan haar uitzetting zal onttrekken. De rechtbank stelt verder vast dat bij uitspraak van 13 april 2000 (AWB 99/8226) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, in rechte is komen vast te staan dat eiseres op asielgerelateerde gronden noch op grond van het door verweerder gevoerde beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers hier te lande verblijf toekomt. Bij uitspraak van 4 februari 2004 (AWB 03/5136) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, is voorts in rechte komen vast te staan dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel “conform beschikking minister”. Hieruit volgt dat op eiseres de rechtsplicht rust Nederland met haar minderjarige zoon te verlaten en dat zij gelet daarop haar actieve en volledige medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de voor haar vertrek noodzakelijke documenten. Op grond van de diverse met eiseres in het kader van Project Terugkeer gevoerde vertrekgesprekken heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres daaraan niet heeft voldaan en verweerder heeft dat mede aan haar inbewaringstelling ten grondslag mogen leggen. Voor het oordeel dat verweerder eiseres niet in bewaring heeft mogen stellen, nu zij zich, naar zij ter zitting heeft aangevoerd, al lange tijd niet heeft gehouden aan haar vertrekplicht en zij desondanks niet door verweerder is uitgezet, biedt de wet geen grondslag. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 november 2005 (200507769/1) overweegt de rechtbank dat door eiseresses inbewaringstelling de mogelijkheid van uitzetting wordt veiliggesteld, doordat permanent kan worden toegezien op de van eiseres te verlangen inspanningen tot terugkeer. Het zicht op uitzetting wordt hierdoor verscherpt en bevorderd. Tevens bestaat er geen grond voor het oordeel dat de Chinese autoriteiten niet bereid zijn een laissez-passer te verstrekken, indien de desbetreffende vreemdeling van Chinese nationaliteit, juiste en volledige gegevens verstrekt. De rechtbank wijst in dat verband op een uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2006 (200600747, JV 2006/131). De stelling van eiseres ter zitting dat de maatregel van bewaring met een ander doel aan haar is opgelegd dan waarvoor die maatregel is gegeven, slaagt dan ook niet. 2.5 Eiseres heeft aangevoerd dat de belangen van haar minderjarige kind zich verzetten tegen haar inbewaringstelling, waarbij ter zitting een beroep is gedaan op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK). De rechtbank stelt voorop dat zij dient te oordelen over het beroep van eiseres tegen het besluit waarbij haar een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Aan de minderjarige zoon van eiseres, voor wie elders opvang mogelijk was, is een dergelijke maatregel niet opgelegd. Dat de minderjarige zoon van eiseres gedurende de bewaring bij haar verblijft, maakt dit niet anders. Overigens onderkent de rechtbank dat van alleenstaande ouders, als eiseres, die door verweerder in bewaring worden gesteld, niet gevergd kan worden het minderjarige kind elders te laten onderbrengen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (waaronder de uitspraak van 13 september 2005, JV 2005/409) bevat de ingeroepen bepaling van het IVRK, alsook de artikelen 2, 22 en 37 van dat verdrag, gelet op de formulering, geen normen die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn. Kinderen, van wie de ouders rechtmatig in bewaring zijn gesteld, zoals in het geval van eiseres, noch die ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.