Rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 7 juni 2006 artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.: AWB 05/41104 (beroep) AWB 05/41105 (voorlopige voorziening) V-nr.: 070.205.7951 inzake: [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1979, van Iraanse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres, gemachtigde: mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein, tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. W. Kleingeld, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
(1983)wordt kameraad [vader van eiseres] met een groot aantal leden van de partij gearresteerd en voor de zoveelste keer in de gevangenis gezet (...) acht jaar gevangenisstraf zonder duidelijkheid over zijn schuld en elke dag zweepslagen en beschuldigingen die mijn pen niet kan beschrijven.” 23.3 De brief van de moeder van eiseres van mei 1998 vermeldt: “(...) het is al acht maanden geleden dat je goede vader (...) niet meer op deze wereld is. (...) Ik weet niet of je het wilt geloven, maar ik kan dit feit niet langer geheim houden. Ik kan het niet langer in me gevangen houden. Toen ze het bericht van zijn dood vertelden, was het al zes maanden wat we niets van je vader hadden vernomen (...). 23.4 De “geheime” brief van de zus van eiseres van januari 1999 vermeldt: “Het spijt me dat ik (...) onzichtbaar naar jou moet schrijven. (...) je hebt me gevraagd of ik een foto van het graf van onze vader wilde maken en (...) naar jou wil sturen. (...) het stoffelijk overschot van onze vader, net als dat van alle andere slachtoffers van dit onmenselijke regime, is begraven in een wijk die “[naam wijk]” genoemd wordt. Dus wij hebben, net als al die andere mensen die denken net als wij, geen recht om een grafsteen op het graf te zetten. Het is wel pijnlijk, maar eigenlijk weten we niet of het graf (dat alleen maar een heuveltje is) echt het graf van onze vader is. Na enkele maanden is door andere mensen tegen mama gezegd dat dat ene graf het graf van haar man is. Ik weet zelf niet of dat waar is. (...) Ik hoop dat in de nabije toekomst het regime niet meer bestaat en dat jij nogmaals in je eigen land kan zijn. Wij leven voor die dag.” In de brief van de Opbouw van 3 maart 1999 aan de toenmalige advocaat van eiseres staat over deze brief van de zus van eiseres vermeld: “[eiseres] heeft de volgende brief ontvangen van haar zus, op het adres van een vriendin. In eerste instantie was de brief niet volledig leesbaar. De brief was gericht aan een oom en er werd gevraagd naar zijn vrouw en kinderen. Er stond echter wel de handtekening onder van de zus van [eiseres], dit maakte haar argwanend. Zij heeft toen met haar zus gebeld die haar later op een ander adres (in verband met veiligheid) heeft teruggebeld. Deze zus heeft [eiseres] verteld dat ze de brief zou moeten strijken. Nadat zij dat had gedaan werd er tussen de regels een andere brief zichtbaar.” 23.5 De brief van de ambassade van Iran van 11 augustus 2000 vermeldt: “Naar aanleiding van uw brief van 21 juli 2000 inzake mevrouw [eiseres] delen wij u hierbij mede dat wij niet over de overlijdensakte van de vader van mevrouw [eiseres] beschikken. Deze is namelijk in het bezit van zijn/haar gezins/familieleden in Iran.” 23.6 De brief van de zus van eiseres van 1 oktober 2000 vermeldt het volgende. “Lieve zus (...) ik weet dat je voor het bewijzen van wat je hebt gezegd gedwongen bent om aan alle touwen te hangen, maar het touw van de Islamitische Republiek is niet dat wat jouw rechtvaardigheid kan bewijzen. Enige tijd geleden kwamen twee veiligheidsagenten naar ons en hebben ons bedreigd in verband met jouw activiteiten. Toen ik hun vroeg wat er aan de hand was zeiden ze dat je in Nederland, via een advocaat, van de ambassade van de Islamitische Republiek in Nederland een bewijs van overlijden van onze (...) vader hebt gevraagd. Het leek dat de ambassade de Iraanse Inlichtingenorganisatie bericht heeft. Dus, gezien onze situatie en met name van onze broer die student is, moet je over wat je doen wilt, meer nadenken. Omdat door elke poging van jouw kant, wij meer onderdrukt zullen worden. Ik hoop dat de geheime tekst leesbaar kan worden”. 23.7 Bij brief van 6 december 2000 heeft eiseres aan haar gemachtigde geschreven dat zij telefonisch contact heeft gehad met de heer Ibrahimi met het verzoek of er een rechtstreeks onderzoek door de “Tudeh” partij in Iran gedaan zou kan worden. In deze brief schrijft zij voorts: “Het is helaas voor de Tudeh partij op grond van veiligheidsredenen onmogelijk om rechtstreeks te gaan onderzoeken. Aangezien de Iraanse overheid geïnteresseerd is in mij, zoals mag blijken uit de geheime brief van mijn zus, is het te risicovol en gevaarlijk om bij mijn moeder langs te gaan. Ik heb getracht om de heer Ibrahimi duidelijk te maken dat het voor mij van zeer grote betekenis is indien het mogelijk was. Hij deelde mij mee dat hij inderdaad de levensnoodzaak van mij begrijpt maar het gevraagde onderzoek kan ten koste van het leven van de andere mensen gaan en dat risico kan de Tudeh-partij helaas niet nemen. Waar ik uiteraard begrip voor heb.” 23.8 Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres onder meer verklaard dat zij geen normaal contact met haar moeder kan hebben omdat haar moeder niet veilig is en dat haar moeder thans op verschillende adressen verblijft. Voorts heeft zij hier naar voren gebracht dat haar vriendin in 2001 naar Iran is gereisd en daar contact heeft gehad met de familie van eiseres. 23.9 De “verklaring naar waarheid” van de vriendin van eiseres – die verzocht heeft om haar naam niet te noemen - van 11 mei 2002 vermeldt het volgende. “Vanaf het begin van onze vriendschap heeft [eiseres] mij verteld van de bedreigende situatie waarin zij destijds in Iran verkeerde en waarin haar familie (moeder, broer en twee zussen) nog steeds verkeren. De voor de familie bedreigende situatie zou zijn oorzaak vinden in de politieke activiteiten van haar vader, die om zijn politieke overtuigingen door de Iraanse overheid is vermoord. Voor [eiseres] kwam daar nog bij dat zij en haar familie herhaaldelijk zijn bedreigd en geïntimideerd door een overheidsfunctionaris, vanwege het feit dat [eiseres] zijn huwelijksaanzoek had afgewezen. Omdat [eiseres] geen telefonisch of schriftelijk contact met haar familie kan hebben zonder hen daarbij in gevaar te brengen, heeft [eiseres] mij gevraagd haar moeder en broer in hun woning in Teheran op te zoeken om te vernemen hoe het met hen gaat en om hen over [eiseres] te vertellen. (...) Toen ik in januari 2001 weer in Teheran was, heb ik met de zus van [eiseres] telefonisch contact opgenomen (...) en het adres van haar moeder en broer gekregen. Ik heb met mijn vader daar grote ruzie over gehad, omdat hij een bezoek aan [eiseres]’s familie te gevaarlijk vond en van mening was dat mijn Nederlandse nationaliteit niet afdoende zou zijn om mij te beschermen. Ik trof op het adres zowel [eiseres]s moeder als haar broer ([broer]) aan. Zij waren op mijn komst voorbereid en maanden mij om snel naar binnen te gaan. Ze waren erg zenuwachtig maar ook heel blij om me te zien. (...) Het bezoek was zeer beladen en emotioneel. Haar moeder en broer (...) maakten een zeer verslagen indruk op mij. Ik voelde aan dat zij bang waren en het gevoel hadden ernstig gevaar te lopen. [broer], toen 19 jaar, vertelde dat hij niet naar de universiteit mag vanwege het verleden van zijn vader. (...) Een echte baan kon hij maar niet krijgen. Hij zei dat het wel leek alsof hij “besmet” was. Ook was hij ongeveer een half jaar geleden door de autoriteiten opgepakt omdat hij had meegelopen in een demonstratie tegen het regime en heeft hij een aantal dagen vastgezeten. Daar is hij zwaar mishandeld en bedreigd. Hij werd gewezen op de moord op zijn vader en hem werd hetzelfde lot in het vooruitzicht gesteld. (...) Later, zo vertelde hij en zijn moeder, zijn de autoriteiten nogmaals langs de deur gekomen om hem en zijn moeder te ondervragen naar aanleiding van een verzoek van [eiseres] aan de Iraanse ambassadeur in Nederland om de overlijdensakte van haar vader ter beschikking te stellen (...) Zij vertelden dat zij toen ook weer met de dood zijn bedreigd, dat hen gezegd was dat zij in de gaten werden gehouden, dat het hen ten strengste verboden was om met [eiseres] contact te onderhouden en dat het met [eiseres] slecht zou aflopen als zij in hun handen zou vallen. De moeder uitte steeds zorgen om [eiseres]s veiligheid voor het geval zij terug zou keren naar Iran. [eiseres]s moeder sprak nog over de communistische denkbeelden van haar overleden echtgenoot en dat zij en haar kinderen, hoewel zij niet zoals haar echtgenoot communistisch zijn, het Islamitische geloof niet belijden en dat zij om die reden extra doelwit van de autoriteiten zijn. Dit deed mij eraan denken dat [eiseres] mij eens heeft verteld dat zij nog nooit in een moskee is geweest. Ik kreeg sterk de indruk dat zij mij niet alles durfden te vertellen. Zij vertelden mij dat hun woning, maar ook zijzelf geobserveerd werden en dat de meeste vrienden en bekenden geen contact meer met hen durven te hebben en al helemaal niet openlijk. Verder heeft de moeder van [eiseres] mij nog een aantal spullen van haar vermoorde echtgenoot laten zien (...) Zij vertelde mij dat de autoriteiten destijds zijn langsgekomen en haar zonder enige tekst en uitleg deze spullen hebben overhandigd. Zij was hevig geëmotioneerd toen zij mij de spullen liet zien. (...) Ik heb mijn vader verteld dat ik met mijn neef was wezen winkelen.” 23.10 In de brief van 9 augustus 2004 van eiseres aan haar gemachtigde deelt zij mee van haar moeder te hebben vernomen dat haar broer [broer] tijdens deelname aan een studentenprotest tegen het regime is opgepakt en sedertdien is verdwenen. Dit was twee jaar geleden gebeurd. Haar moeder had het voor haar verzwegen vanwege haar psychische gemoedstoestand. 24.1 De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de verklaringen van F. Ibrahimi van de “Tudeh-partij” in Nederland, de brief van haarzelf aan de Opbouw, alsmede de verklaring van haar vriendin thans afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar vader lange tijd als lid van de “Tudeh” partij politiek actief is geweest tegen het Iraanse heersende regime. Van belang hierbij acht de rechtbank dat de gegevens die eiseres eind 1998 van haar familieleden doorgespeeld heeft gekregen en de gegevens die Ibrahimi in zijn verklaring van medio 2000 opsomt op gedetailleerd niveau met elkaar in overeenstemming zijn. Beide bronnen zijn gelijkluidend ten aanzien van de aanvang van de politieke activiteiten, de jaren waarin veroordelingen hebben plaatsgevonden, de lengte van de opgelegde gevangenisstraffen en de vermelding van de naam “Zoffar/Zofaar” (waarvan de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen wat of wie hiermee exact wordt bedoeld). Op één onderdeel stroken de hier genoemde bronnen niet met elkaar en dat is het jaar van oplegging van de detentie gedurende welke de vader van eiseres door mishandeling invalide zou zijn geraakt. De familieleden zeggen dat dit in het Iraanse jaar 1354 is gebeurd, terwijl dit volgens Ibrahimi in 1342 zou zijn gebeurd. Nu dit het enige punt is waarop de verklaringen niet met elkaar stroken, terwijl voorts sprake is van aanzienlijk tijdsverloop tussen de gebeurtenis en het moment waarop de familie respectievelijk Ibrahimi eiseres genoemde informatie hebben verstrekt, kent de rechtbank hieraan evenwel geen doorslaggevende betekenis toe. De familieleden van eiseres vormen geen “objectieve bron” in de zin van neutrale, niet bij eiseres betrokken, personen, en de heer Ibrahimi is evenmin een neutrale buitenstaander. Daar staat evenwel tegenover dat de gegevens die deze bronnen hebben verstrekt zeer gedetailleerd van aard zijn en op essentiële punten met elkaar in overeenstemming zijn. De rechtbank wijst wat betreft de gedetailleerde aard op de namen van de medegevangenen die door de familieleden aan eiseres zijn doorgegeven, klaarblijkelijk teneinde een mogelijkheid van verificatie te creëren. Nu namen en jaartallen verifieerbare gegevens vormen, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand om te veronderstellen dat het hier om op elkaar afgestemde, gefabriceerde verklaringen zou gaan. Ook aan de verklaring van de vriendin van eiseres komt in dit verband bewijswaarde toe. Zij heeft verklaard van de moeder van eiseres te hebben gehoord over het communistische verleden van de vader. Ook hier kan niet worden ontkend dat de vriendin van eiseres geen neutrale buitenstaander is. Daar staat echter tegenover dat haar verklaring een aantal kenmerken en details in zich draagt die meebrengen dat niet, althans niet zonder meer, valt in te zien waarom deze verklaring niet betrouwbaar zou moeten worden bevonden. De verklaring is gedetailleerd van aard. In de verklaring wordt een treffende associatie gemaakt tussen de mededeling van de moeder van eiseres dat het gezin het Islamitische geloof niet belijdt en de omstandigheid dat zij van eiseres wel eens had gehoord dat die nog nooit in een moskee was geweest. Zij lijkt hiermee te hebben willen aangeven dat zij die mededeling van eiseres nu pas kon plaatsen. Eveneens treffend is de vermelding in de verklaring dat haar vader haar om veiligheidsredenen had verboden naar de familie van eiseres te gaan, dat zij zich niet aan dit verbod heeft gehouden en tegen haar vader heeft gelogen dat zij met een neef was gaan winkelen. Genoemde details en eigenschappen geven de verklaring naar dezerzijds oordeel kracht van overtuiging. 24.2 De rechtbank heeft bij de waardering van het in overweging 24.1 genoemde bewijsmateriaal in aanmerking genomen dat de “UNHCR Background Paper” van 1 september 1998 genaamd “Update to the UNHCR CDR Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from Iran” het volgende vermeld over de “Tudeh” partij: “The Tudeh Party, a pro-Soviet communist group, was founded in 1941 by Iraj Eskendari and former communist political prisoners under the regime of the Shah (Encyclopedia of the Third World, 1992, 875, Tudeh Party, November/December 1997). Declared illegal in 1949, it established its headquarters in the former German Democratic Republic, but was allowed to carry out activities again in 1979 under the Islamic regime (Revolutionary and Dissident Movements, 1991, 149). The Tudeh Party advocated “an alliance of all socialist forces which would enjoy the support of the Soviet Union”, but soon saw its support for the ruling clergy decline as the regime became increasingly fundamentalist (Ibid.). In 1983, the government arrested leading Tudeh members forcing them to confess to treason and espionage, and eventually declared the organization “illegal and counter-revolutionary” (Ibid.).” Zowel de familieleden van eiseres als ook Ibrahimi hebben verklaard dat de vader van eiseres voor de laatste keer gevangen is genomen in
- Dit sluit aan bij de informatie in het UNHCR Background Paper dat in 1983 de regering vooraanstaande leden van de “Tudeh” partij heeft gearresteerd.
- Voorts is de rechtbank van oordeel dat met de brief van de moeder van eiseres van mei 1998, de brief van de zus van eiseres van januari 1999, de brief van de Opbouw van maart 1999 over de wijze waarop de brief van de zus is ontvangen, de brief van de ambassade van augustus 2000, de brief van de zus van eiseres van oktober 2000, de eigen verklaringen van eiseres bij de tweede aanvraag en tijdens de hoorzitting in bezwaar, en tot slot de verklaring van de vriendin van eiseres, bezien in onderling verband en samenhang, thans aannemelijk is gemaakt dat de familieleden van eiseres aanzienlijke problemen van de zijde van de autoriteiten ondervinden. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de vader van eiseres onder onopgehelderde omstandigheden is overleden en de autoriteiten daar iets mee te maken kunnen hebben, dat de familie niet zeker weet of de plaats die als graf is aangewezen wel echt het graf is, dat de autoriteiten bij de familie zijn langs geweest en bedreigingen hebben geuit aan hun adres en het adres van eiseres nadat eiseres vanuit Nederland had getracht om bij de ambassade een overlijdensakte te krijgen, dat de familie thans nauwelijks meer sociale contacten heeft omdat mensen niet bij hun thuis durven te komen en dat de broer van eiseres is verdwenen nadat hij aan studentendemonstraties had deelgenomen. Wat betreft de bewijskracht van de verklaring van de vriendin van eiseres wijst de rechtbank op hetgeen daarover reeds is opgemerkt in rechtsoverweging 24.
- De brieven van de zus bevatten informatie uit “subjectieve” bron waardoor zou kunnen worden gezegd dat de bewijskracht of bewijswaarde hiervan slechts gering is. Daar staat echter tegenover dat er een periode van bijna twee maanden is gelegen tussen de brief van de ambassade en de brief van de zus, en dat de brief van de zus daardoor vanuit chronologisch perspectief bezien steun biedt aan de stelling dat de autoriteiten bij de familie langs zijn geweest nadat eiseres de ambassade had aangeschreven. Bovendien versterkt de brief van de Opbouw over de wijze van ontvangst van de brief van de zus de bewijskracht van laatstgenoemde brief. Uit de brief van de Opbouw komt naar voren dat de zus zich genoodzaakt zag in geheimschrift mededeling te doen van de ondervonden problemen. De rechtbank ziet tot slot geen reden om de berichten van de moeder, hoewel het ook hier weer verklaringen uit “subjectieve bron” betreft, niet betrouwbaar te achten, waarbij van doorslaggevend belang is geacht dat zowel de moeder als ook de vriendin vermelden dat het nieuws omtrent de dood van de vader van eiseres is vernomen van de autoriteiten en de beide verklaringen dus in dat opzicht met elkaar in overeenstemming zijn.
- Nu het oppositionele verleden van de vader van eiseres aannemelijk is gemaakt en voorts aannemelijk is geworden dat de familieleden van eiseres na haar vertrek aanzienlijke problemen van de zijde van de autoriteiten hebben ondervonden, waarbij in ieder geval een aantal van bovengenoemde bronnen een verband aanbrengen tussen het verleden van de vader en die (recente) problemen, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat een oorzakelijk verband tussen het één en het ander niet voor de hand ligt.
- De vraag die vervolgens rijst is of dat verband er ook moet worden geacht te zijn waar het betreft de problemen die juist eiseres destijds heeft ondervonden. Van belang voor beantwoording van die vraag is in de eerste plaats dat eiseres in het nader gehoor in de eerste asielprocedure heeft verklaard dat [betrokkene] haar vader vertelde dat hij op de hoogte was van diens achtergronden. Die verklaring is op zichzelf nimmer in twijfel getrokken. Voorts is in dit verband van belang dat uit de – geloofwaardig geachte - verklaringen van eiseres naar voren is gekomen dat haar broer [broer] is opgepakt, een dag is vastgehouden en mishandeld kort nadat zij had geweigerd in te gaan op het huwelijksaanzoek van [betrokkene] en dat [betrokkene] vervolgens dreigde dat er nog veel ergere dingen met haar broer zouden kunnen gebeuren, en dat uit de hierboven besproken bronnen naar voren is gekomen dat na het vertrek van eiseres eerst de vader van eiseres is verdwenen en overleden en dat daarna de broer van eiseres is opgepakt en verdwenen en dat in de periode tussen die verdwijningen, bedreigingen en intimidaties van overheidswege aan het adres van de familie hebben plaatsgevonden, onder meer nadat eiseres zich tot de Iraanse ambassade in Nederland had gewend. Dit in aanmerking genomen kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk worden staande gehouden dat zich hier geen patroon aftekent en dat de problemen van de vader in het verleden, de problemen van de familieleden van eiseres en de problemen die eiseres zelf heeft ondervonden niet met elkaar in verband staan.
- Nu vast is gesteld dat de familieleden problemen van overheidswege hebben ondervonden en is geoordeeld dat een verband tussen de problemen van de individuele familieleden (de vader, de broer van eiseres en eiseres zelf) aannemelijk is, lijkt de conclusie dat de problemen die eiseres heeft ondervonden veroorzaakt zijn door [betrokkene] als overheidsfunctionaris en zij dus problemen van de zijde van de overheid heeft ondervonden eerder voor de hand liggend dan de conclusie dat de problemen veroorzaakt door [betrokkene] moeten worden aangemerkt als een wraakactie van [betrokkene] als privépersoon die niet handelde namens de overheid. De rechtbank acht zich gesterkt in haar oordeel dat eerstgenoemde conclusie eerder voor de hand ligt door het navolgende. De verklaring van eiseres dat [betrokkene] werkzaam was voor het “Komiteh” is nimmer ongeloofwaardig geacht. Datzelfde geldt voor de verklaringen van eiseres dat, toen eiseres en haar vader aangifte deden, hen te kennen werd gegeven dat eiseres maar met [betrokkene] moest gaan trouwen, dat er toch niets met de klacht gedaan zou worden, en dat [betrokkene] van die aangifte op de hoogte is geraakt. Voorts is geloofwaardig geacht de verklaring van eiseres dat [betrokkene] meermaals in heeft gebroken op de telefoonlijn in het huis van eiseres en dat dit ook gebeurde toen eiseres voor een aantal weken naar het adres van haar zus was uitgeweken. Tot slot is nimmer betwijfeld de verklaring dat eiseres meermaals is opgepakt door onbekende mannen en dat [betrokkene] haar dan later telefonisch meedeelde (inbrekend op de telefoonlijn) dat hij daarachter zat. De rechtbank leidt uit informatie uit openbare bron inzake Iran, onder meer openbaar toegankelijke informatie van de “Office of the High Commissioner for Human Rights” (www.United Nations Rights Website, Treaty Bodies Database), af dat het “Komiteh” een tak is van het politie-apparaat dat zich bezig houdt met anti-revolutionaire misdrijven. In de “Iran Country report on Human Rights practices for 1998” van het US Department of State staat onder het kopje “Arbitrary interference with privacy, family, home or correspondence” vermeld dat de autoriteiten schendingen van het recht op privacy begaan, waaronder het afluisteren van telefoonlijnen. De voorgaande verklaringen en gegevens uit openbare bron in ogenschouw nemend, en bij gebreke van concrete aanknopingspunten die wijzen in de richting dat [betrokkene] niet als overheidsfunctionaris handelde, is de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de problemen die eiseres heeft ondervonden uitgingen van een overheidsfunctionaris.
- De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat eiseres thans afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in het verleden vervolging van overheidswege heeft meegemaakt. De rechtbank tekent hierbij aan dat niet zonder meer valt in te zien met welk ander bewijsmateriaal dan het gepresenteerde eiseres haar claim nog nader zou hebben kunnen onderbouwen. De Iraanse ambassade was niet willens of niet in staat om een akte van overlijden te verstrekken. De “Tudeh” partij in Nederland heeft, nadat schriftelijke verklaringen waren afgegeven, meegedeeld geen verder onderzoek te kunnen doen ter bescherming van de veiligheid van andere mensen. De vriendin van eiseres heeft uiteindelijk een verklaring afgelegd, terwijl haar eigen vader haar had verboden om contact te hebben met de familie van eiseres. Onder al deze omstandigheden valt niet zonder meer in te zien dat, en op grond waarvan dan, van eiseres nog verdergaande onderbouwing van haar relaas zou mogen hebben worden verwacht. Bij haar oordeelsvorming op dit punt heeft de rechtbank steun geput uit bovengenoemde jurisprudentie van het EHRM, met name rechtsoverweging 51 van het arrest Said tegen Nederland. 30.1 Dat eiseres is vervolgd van overheidswege in het verleden betekent nog niet automatisch dat zij ook toekomstgerichte vrees heeft voor vervolging en/of bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Wel vormt vervolging in het verleden, bij gelijkblijvende omstandigheden in het land van herkomst, een aanwijzing dat iemand ook in de toekomst (eerder) zal worden vervolgd. 30.2 Uit het bovenbesproken bewijsmateriaal komt naar voren dat de in Iran wonende familieleden van eiseres ook na haar vertrek nog aanzienlijke problemen van de zijde van autoriteiten hebben ondervonden, waaronder ernstige bedreigingen - ook aan het adres van eiseres - en intimidaties, en dat de broer van eiseres is opgepakt en vervolgens is verdwenen. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij alleen “in het geheim” telefonische contacten met haar moeder kan hebben, waarbij niet vanuit de eigen woning wordt gebeld. Voorts heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij niet op de hoogte is van het lot van haar broer [broer], dat niemand verder iets van hem weet en dat zij vreest dat hij niet meer leeft. 30.3 Het “Report of the US Department of State on the Middle East and North Africa of 2006” vermeldt: “In 2005, the Government committed a number of serious human rights abuses. Summary executions, discrimination based on ethnicity and religion, harassment and arrest of journalists and bloggers, disappearances, extremist vigilantism, widespread use of torture, and other degrading treatment remained problems.” 30.4 Het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Iran van februari 2006 vermeldt dat er sinds de drie jaar geleden ingevoerde EU-Iran mensenrechtendialoog in Europese ogen onvoldoende vooruitgang is geboekt op het gebied van mensenrechten en dat ook in de in het ambtsbericht beschreven verslagperiode mensenrechtenschendingen voor zijn gekomen. Ook wordt in het ambtsbericht vermeld dat de situatie in het land in feite ongewijzigd is en dat vrijheden voorheen al beperkt waren en dat nog steeds zijn. Verdwijningen van personen komen voor. Verdwijningen hangen nauw samen met niet-officiële detentiecentra. Het officiele verbod op foltering en mishandeling wordt niet nageleefd en de rechterlijke macht heeft dit in de verlagperiode zelfs toegegeven. Uit een in juli 2005 door de rechterlijke macht uitgegeven rapport blijkt dat in de gevangenissen mensenrechten op grote schaal worden geschonden.
- Op grond van de verklaringen van eiseres, de informatie uit het door eiseres ingebrachte bewijs en de gegevens over de situatie van Iran, bezien in onderling verband en samenhang, concludeert de rechtbank dat uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met het refoulementverbod van het Vluchtelingenverdrag en met artikel 3 van het EVRM.
- De slotsom moet op grond van al het voorgaande zijn dat verweerders beslissing om eiseres een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000 te onthouden geen stand kan houden.
- De rechtbank komt gelet op het vorenoverwogene niet meer toe aan het tussen partijen gevoerde debat inzake de vraag of eiseres aanspraak kan maken op een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw
- Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.
- Ter zitting van 30 mei 2006 is de mogelijkheid, en de door eiseres geuite wens, besproken dat de rechtbank in onderhavige zaak zou kunnen beslissen om gebruik te maken van de in 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft op zichzelf genomen begrip voor die wens en heeft zich ook terdege beraden op de vraag of dat in een zaak als onderhavige passend moet worden geacht. De rechtbank heeft zich hierbij onder meer rekenschap gegeven van het feit dat eiseres in totaliteit bezien bijna tien jaar lang in procedure is geweest, dat zij zich staande heeft weten te houden door (onder meer) een universitaire studie farmacie hier te voltooien met steun van de Stichting voor Vluchtelingenstudenten UAF, maar dat tezelfdertijd uit de diverse onder de gedingstukken aanwezige rapporten van behandelend psychiater en psycholoog naar voren komt dat eiseres in psychisch opzicht uitgeput is. Anderzijds kan de rechtbank er in zaken als onderhavige niet aan voorbij zien dat in het Nederlandse staatsbestel het bestuursorgaan de beslissing neemt en de rechter toetser van die beslisssing is. Hoezeer de rechtbank ook begrip heeft voor de wens van eiseres om snel duidelijkheid te krijgen over haar verblijfsrechtelijke situatie ziet de rechtbank met eerbiediging van genoemd staats- en bestuursrechtelijk uitgangspunt af van toepassing van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt verweerder op om opnieuw te beslissen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak, en bepaalt daarbij wel dat verweerder bij zijn besluitvorming geen gebruik meer zal mogen maken van argumenten en standpunten waarvan in deze uitspraak is geoordeeld dat die in rechte geen stand kunnen houden.
- Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten ad EUR 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting.) Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, M.E. Sjouke, griffier mr. drs. H.J.M. Baldinger, rechter Afschrift verzonden op: Conc.: DB Coll: Bp: - D: B Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.