RECHTBANK DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 06/11695 BEPTDN uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 13 november 2006 inzake [eiser], geboren op [geboortedatum] 1969, van Syrische nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht, tegen een besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. M.P. Verveer, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. Inleiding 1.1 Op 10 februari 2003 heeft eiser verweerder verzocht gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. 1.2 Bij brief van 24 juni 2003 heeft verweerder eiser bericht dat zijn brief geen omstandigheden bevat die aanleiding kunnen geven om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Eiser heeft hiertegen op 11 december 2003 bezwaar gemaakt. 1.3 Bij beschikking van 13 september 2004 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 16 maart 2005 heeft verweerder deze beschikking ingetrokken. 1.4 Bij brief van 26 januari 2006 heeft verweerder de beslissing van 24 juni 2003 ingetrokken en eiser medegedeeld dat zijn verzoek het karakter heeft van een asielaanvraag waarop inhoudelijk zal worden beslist. Tegen deze brief van 26 januari 2006 heeft eiser bezwaar gemaakt. 1.5 Bij brief van 1 maart 2006 heeft verweerder laatstgenoemd bezwaarschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift. 1.6 Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2006, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 In geschil is allereerst of de brief van verweerder van 26 januari 2006 een besluit is waartegen beroep open staat. 2.2 Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat achteraf bezien het bezwaarschrift ten onrechte aan de rechtbank is toegezonden. Gelet op het bepaalde in artikel 6:3 Awb is eisers brief van 23 februari 2006 niet-ontvankelijk nu verweerder in de brief van 26 januari 2006 uitsluitend kenbaar heeft gemaakt dat eisers aanvraag als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wordt aangemerkt en derhalve een procedurebeslissing behelst en geen beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb. Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. 2.3 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder eisers aanvraag ten onrechte louter als een asielaanvraag heeft aangemerkt. Eiser heeft een beroep gedaan op schrijnende factoren, hetgeen per definitie een reguliere aanvraag inhoudt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 19 november 2004 (JV 2005, 26) komt eenduidig naar voren dat een Nawijn-brief zowel een asiel als een regulier gerelateerde aanvraag kan inhouden. De rechtbank overweegt als volgt. 2.4 Ingevolge artikel 7:1 Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken. 2.5 Ingevolge artikel 80 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 79, eerste lid, Vw (voorzover hier van belang) is artikel 7:1 Awb niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.