Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 04/4981 BESLU UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij brief van 13 mei 2003 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend ter verstrekking van een verklaring van vakbekwaamheid als tandarts als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Het hiertegen ingestelde bezwaar is door verweerder bij besluit van 12 oktober 2004 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 november 2004 beroep ingesteld. Het beroep is op 16 maart 2006 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. A.H.J. de Kort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. van den Arend en mr. H.J. Stoop. Motivering Ingevolge artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG wordt, in afwijking van het in artikel 6, onder a, van die wet bepaalde, aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd indien de Minister van VWS, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan. Verweerder voert ten aanzien van zijn bevoegdheid tot het afgeven van de verklaringen een beleid zoals neergelegd in de 'Circulaire verklaring vakbekwaamheid' van 16 januari 2003 (Stcrt. 2003, nr. 13; hierna: de circulaire). Blijkens de circulaire onderzoekt verweerder of de vakbekwaamheid van de aanvrager, gezien zijn/haar diploma respectievelijk getuigschrift, zijn/haar eventuele specialisatie en zijn/haar eventuele beroepservaring, gelijkwaardig kan worden geacht aan de vakbekwaamheid van de in Nederland gediplomeerde beoefenaar van het overeenkomstige beroep. Verweerder laat zich blijkens de circulaire ten aanzien van het al dan niet afgeven van een verklaring omtrent de vakbekwaamheid adviseren door 'de Commissie buitenlands gediplomeerden volksgezondheid' als bedoeld in het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid (Stb. 1996, 69; hierna: het Besluit). Kennelijk wordt hiermee verwezen naar de 'Commissie buitenslands gediplomeerden' als bedoel in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit (hierna: CBGV). Deze commissie heeft, gelet op artikel 3, aanhef en onder b, van dit Besluit, onder meer tot taak verweerder van advies te dienen over de vraag of aan een buitenslands gediplomeerde op aanvraag een verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG behoort te worden afgegeven. In de circulaire is omtrent deze advisering het volgende bepaald: "De commissie baseert haar advies primair op aan haar overgelegde documenten en desgewenst op de diplomawaardering door de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (NUFFIC) of van de Vereniging Landelijke Organen Beroepsonderwijs (COLO) over de door de aanvrager genoten opleiding. De commissie zal, indien nodig, referenties over hem/haar inwinnen en/of hem/haar uitnodigen voor een gesprek. De commissie beoordeelt de vakbekwaamheid op basis van het getuigschrift van de buitenslands gediplomeerde, mede in het licht van opgedane beroepservaring, aanvullende opleiding, en bij- en nascholing alsmede eventuele medische specialisatie, of - zo nodig - in het licht van een eventuele kennis- en/of vaardighedentoets. De buitenslands gediplomeerde kan worden uitgenodigd deze toets af te leggen indien de overgelegde stukken voor de beoordeling inzake niet gelijkwaardigheid dan wel gelijkwaardigheid onvoldoende aanknopingspunten geven." De CBGV heeft op 14 juli 1998 de 'Richtlijn compensatie buitenslands gediplomeerde tandartsen' (hierna: de Richtlijn) vastgesteld. Het doel van de Richtlijn is het inzichtelijk maken hoe de CBGV tot haar adviezen komt, waarbij al dan niet sprake is van geheel of gedeeltelijke compensatie. In de Richtlijn is met betrekking tot compensatie onderscheid gemaakt naar gelang het niveau van de opleiding van de aanvrager: A. Indien een aanvrager een opleiding heeft gevolgd waarvan het niveau volgens de Nuffic vergelijkbaar is met minder dan vier jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland en de CBGV instemt met deze waardering, is compensatie niet mogelijk. B. Indien een aanvrager een opleiding heeft gevolgd waarvan het niveau volgens de Nuffic vergelijkbaar is met ten minste vier jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland en de CBGV stemt in met deze waardering is compensatie mogelijk. Compensatie door werkervaring (buiten Nederland) is alleen mogelijk wanneer sprake is van recente (niet langer dan vijf jaar geleden) en relevante werkervaring als tandarts op voldoende hoog niveau die vijf jaar of langer heeft geduurd (op basis van fulltime werken). Dit niveau kan (onder meer) zijn bereikt indien de aanvrager kan aantonen (dat hij) van het aantal jaren werkervaring, eventueel onder supervisie, gedurende ten minste twee jaar fulltime werkzaam was in een land met een tandheelkundige zorg die gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig is aan die in Nederland. Die werkzaamheden dienen een groot deel te hebben omvat van de algemene tandheelkundige praktijk zoals die in Nederland plaatsvindt. Standpunten van partijen Verweerder heeft, kort gesteld, het verzoek van eiseres afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de eisen van opleiding en ervaring. Eiseres stelt zich, samengevat en zakelijk weergegeven, op het standpunt dat de Nuffic ten aanzien van de opleiding van eiseres heeft vastgesteld dat deze wat betreft het niveau is gelijk te stellen met vier jaar wetenschappelijk onderwijs. Derhalve valt zij onder het bereik van de compensatieregeling. Ten aanzien van haar werkervaring wijst eiseres er op dat de vier jaren werkervaring op de Nederlandse Antillen gelijkgesteld dienen te worden met werkervaring in Nederland. De tandheelkundige zorg op de Nederlandse Antillen moet gelijkwaardig worden geacht aan de zorg in Nederland, aldus eiseres. Daarbij wijst eiseres op de verordening no. 46 A 1934 van de Nederlandse Antillen. Daarnaast wijst zij erop dat zij geruime tijd ervaring heeft opgebouwd in de jeugdtandheelkundige hulp in de Verenigde Staten van Amerika. Ter zitting heeft eiseres haar verbazing uitgesproken over het feit dat haar aanvraag niet aan de CBGV is voorgelegd. Voorts wijst eiseres erop dat naar haar mening geen sprake is geweest van een zorgvuldige belangenafweging en dat sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank overweegt als volgt: Eiseres heeft reeds eerder (in 1996), op basis van de toentertijd geldende wet en regelgeving, een aanvraag ingediend ter verkrijging van de bevoegdheid het beroep van tandarts te mogen uitoefenen. Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 2 april 1997 afgewezen. Hieraan ten grondslag zijn gelegd de diplomawaardering door de Nuffic van 18 december 1996 en een (mede daarop gebaseerd) advies van de toenmalige Commissie buitenlandse tandartsen (CTB) van 12 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.