Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht eerste afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 06/4594 WW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Op 10 maart 2004 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW). Bij brief van 22 maart 2004 heeft verweerder eiser verzocht binnen één week enkele concreet aangeduide aanvullende stukken in te dienen. Bij besluit van 22 april 2004 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de gevraagde gegevens niet zijn ontvangen, zodat geen beslissing kan worden genomen over eisers recht op een WW-uitkering en de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen. Eiser heeft daartegen bij brief van 23 april 2004 bezwaar gemaakt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is bij uitspraak van deze rechtbank van 8 februari 2006 (AWB 06/6168 WW) gegrond verklaard. Daarbij is het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op bezwaar vernietigd. Bij besluit van 9 maart 2006 heeft verweerder alsnog op eisers bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser bij brief van 23 mei 2006 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 15 februari 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger]. Motivering Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Vooropgesteld wordt dat verweerders bevoegdheid een aanvraag buiten behandeling te laten, een discretionaire is. Dat betekent dat de rechtbank een uit hoofde van die bevoegdheid genomen besluit marginaal toetst. Bij die toetsing dient de rechtbank te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser, die op 10 maart 2004 een aanvraag ingevolge de WW heeft ingediend, bij brief van 22 maart 2004 heeft verzocht zijn aanvraag aan te vullen met de volgende gegevens en/of bescheiden: - de arbeidsovereenkomst met [werkgever A.]; - het werkgeversformulier voor [werkgever A.]; - het werkgeversformulier voor [werkgever B.]; - het werkgeversformulier voor [werkgever C.] - het eerste werkbriefje over de periode van 1 tot en met 7 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.