Rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam meervoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspraak artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.: AWB 06/50100 V.nr.: 271.396.1989 inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1977, van Iraakse nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. A.A. Vermeij, advocaat te ’s-Gravenhage, tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te ’s-Gravenhage. I. PROCESVERLOOP
(25)opgenomen overweging, in de visie van verweerder een invulling van het verbod van refoulement zoals dat in diverse internationale verdragen als bindend voor de lidstaten is neergelegd en sluit dus aan bij de bescherming die in het Nederlandse recht via artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt geboden. Artikel 15 van de Richtlijn zal volgens verweerder vermoedelijk in het Vb 2000 worden opgenomen als concretisering van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Onderdeel c van artikel 15 van de Richtlijn is volgens verweerder dan ook geen nieuwe categorie of nieuwe toelatingsgrond en de omzetting van deze bepaling in nationaal recht brengt geen wijziging van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 mee. 5.7 Eiser heeft betoogd dat de bescherming die de bepalingen van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 bieden niet mede de subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn omvat. Het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn vormt ten opzichte van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000 een nieuwe categorie, een nieuwe toelatingsgrond. Nu de Richtlijn niet is omgezet in nationale regelgeving en het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn zich niet zonder meer onder de a, b dan wel c-grond van artikel 29 van de Vw 2000 laat brengen, dient de bescherming als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn te worden gebaseerd op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De term ‘willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict’ lijkt immers het meest verband te houden met de d-grond van artikel 29 van de Vw 2000. 5.8 De rechtbank zal, voor de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn, de geest, de inhoud en de bewoordingen van de Richtlijn in beschouwing nemen, alsmede de positie die deze bepaling daarin inneemt. 5.9 Blijkens artikel 1 van de Richtlijn beoogt de Richtlijn minimumnormen vast te stellen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, alsmede de inhoud van de verleende bescherming. 5.10 De Richtlijn bevat criteria op grond waarvan moet worden bepaald of een persoon in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of voor subsidiaire bescherming. Artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn definieert een persoon die voor een subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt als een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende redenen bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is en die zich niet onder de bescherming van dat land kan, of wegens dat risico, wil stellen. Ingevolge artikel 18 van de Richtlijn verlenen de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land die overeenkomstig hoofdstuk II of V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. 5.11 In artikel 15 van de Richtlijn is bepaald dat de in artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn genoemde ernstige schade bestaat uit:
- a)doodstraf of executie; of
- b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
- c)ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 5.12 Nu in artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn, personen die voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komen worden uitgesloten van de definitie van personen die voor een subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komen kan worden vastgesteld dat het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn niet samenvalt met, dan wel kan worden gebracht onder, de a-grond van artikel 29 van de Vw 2000. 5.13 Uit de bewoordingen van artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn, met name de begrippen “zwaarwegende redenen” (substantial grounds) en “reëel risico” (real risk), kan worden afgeleid dat bij de definiëring van een persoon die voor subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt, is beoogd aan te sluiten bij de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens inzake artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts geven zowel de tekst van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn, met name het onderdeel “individuele bedreiging”, alsmede overweging 26 van de Preambule van de Richtlijn, waarin is vermeld dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zichzelf geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt, de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn een zekere mate van individualisering vereist. 5.14 Uit de memorie van toelichting bij artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 blijkt dat deze verleningsgrond onder meer verwijst naar artikel 3 van het EVRM, artikel 3 van het Antifolterverdrag en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, die fungeren als aanvullende refoulement-verboden naast artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3, blz. 37 en 38). De rechtbank stelt vast dat deze specifieke refoulement-verboden zijn neergelegd in artikel 15, aanhef en onder b, van de Richtlijn. Dat geeft aanleiding tot het vermoeden dat het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn zelfstandige betekenis heeft en dat met dat bepaalde iets anders wordt bedoeld dan hetgeen thans reeds is opgenomen onder artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daarnaast is opvallend dat volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn de oorzaak van de bedreiging moet zijn gelegen in willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Ook in zoverre onderscheidt deze bepaling zich van de huidige tekst en toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. 5.15 Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit vooralsnog de conclusie dat sprake is van een beschermingsgrond die niet, althans niet zonder nadere implementatie in de nationale regelgeving, onder de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000 valt te brengen. 5.16 De rechtbank ziet, en dit is ook niet gesteld, geen verband tussen artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn en de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000. 5.17 Evenmin ziet de rechtbank een verband met de d-grond van artikel 29 van de Vw 2000. De tekst van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn, zeker waar gesproken wordt van een individuele bedreiging, geeft geen aanknopingspunten om een verband met een systeem van categoriale bescherming aannemelijk te achten. Daarnaast zegt overweging 9 van de Preambule met zoveel woorden dat onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen verblijven om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, niet onder deze Richtlijn vallen. Het enkele feit dat in België, naar uit de door eiser overgelegde stukken valt op te maken, is gekozen voor een met het categoriaal beschermingsbeleid vergelijkbaar systeem, doet daar niet aan af, mede omdat de Belgische autoriteiten de expliciete keuze hebben gemaakt om het individualiserings¬vereiste te laten vallen. 5.18 Uit het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de in de Richtlijn gegeven subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van die Richtlijn, niet, althans niet zonder nadere implementatie, in de Nederlandse wetgeving kan worden gelezen. Dat betekent dat de Nederlandse Staat gehouden was de Richtlijn te implementeren. De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse Staat op dit punt in gebreke is gebleven. 5.19 Nu de bepaling van artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is en de Nederlandse staat heeft verzuimd voornoemde bepalingen binnen de implementatietermijn in nationaal recht om te zetten, kan eiser zich direct beroepen op artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn. 5.20 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet de vraag onbeantwoord heeft mogen laten waartoe eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn zou moeten leiden. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering. 5.21 Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. 6. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1). III. BESLISSING De rechtbank 1. verklaart het beroep gegrond; 2. vernietigt het bestreden besluit; 3. bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; 4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vier en veertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 januari 2007 door mr. J.P. Smit, voorzitter, en mrs. P.H.M. Kuster en H.J.M. Baldinger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier De voorzitter Afschrift verzonden op: Conc.: MK/JS/PAK/DB Coll: SaS D: B Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.