RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 06 / 30424 (beroep) uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 juni 2007 in de zaak van: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1971, van Libanese nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. E.M. Bloemink, advocaat te Haarlem, tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. C. Brand, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage. 1. Procesverloop 1.1 Eiser heeft op 27 maart 2001 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf bij echtgenote [betrokkene]’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 14 november 2002 afgewezen, alsmede eiser ongewenst verklaard. Eiser heeft tegen het besluit op 6 december 2002 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 2 december 2004 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 23 december 2004 beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 17 maart 2006 (AWB 04 / 57258) is het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Nadat de echtgenote van eiser en de gemachtigde van eiser op 21 april 2006 zijn gehoord door een ambtelijke commissie van verweerders ministerie, heeft verweerder bij besluit van 30 mei 2006 het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen op 22 juni 2006 beroep ingesteld. 1.2 Eiser heeft op 17 augustus 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 24 oktober 2006 (AWB 06/39872) is de verzochte voorlopige voorziening afgewezen. 1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens eiser is tevens verschenen mevrouw [betrokkene]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde. 2.2 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is in 1997 Nederland ingereisd. Eiser is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2001 veroordeeld tot twee jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens handel in verdovende middelen. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend. Eiser heeft zijn straf uitgezeten en is in april 2002 in vrijheid gesteld. Eiser is op 13 juli 1998 gehuwd met mevrouw [echtgenote], die de Nederlandse nationaliteit heeft. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, [kind 1] op 11 juni 2000 en [kind 2] op 3 september 2003. 2.3 Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), voor zover hier van belang, kan de vreemdeling door verweerder ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, of indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw. 2.4 Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat eiser terecht ongewenst is verklaard ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b en c, Vw. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de inmenging in het gezinsleven van eiser die de ongewenstverklaring met zich brengt, gerechtvaardigd is. Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar wegens handel in verdovende middelen. Gelet op de aard en de ernst van het misdrijf heeft de Staat een zwaarwegend belang om eiser verblijf in Nederland te ontzeggen. Verweerder heeft dit belang mogen laten prevaleren boven het belang van eiser bij verblijf in Nederland. 2.5 Eiser heeft zich in beroep op het volgende standpunt gesteld. Eiser is ten onrechte ongewenst verklaard, aangezien hij geen actueel gevaar voor de openbare orde vormt en de ongewenstverklaring in strijd is met artikel 8 EVRM. De inbreuk op het recht op gezinsleven bij een besluit tot ongewenstverklaring is groter dan bij een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, omdat ongewenstverklaring tevens de mogelijkheid tot kortdurend verblijf in het betreffende land uitsluit. Verweerder heeft het belang van eiser om zijn gezin in Nederland te kunnen bezoeken niet, althans onvoldoende, bij de in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging betrokken. Ten slotte heeft eiser op 25 juli 2006 een visum kort verblijf gekregen. Voor de afgifte van het visum is zijn paspoort twee dagen door de ambassade onderzocht. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat men op de hoogte was van eisers ongewenstverklaring en dat besloten is eiser toestemming te verlenen om naar Nederland af te reizen omdat zijn belangen zwaarder wegen dan de belangen van de Nederlandse Staat. De rechtbank overweegt als volgt. 2.6 Eiser heeft het bestreden besluit niet bestreden voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. In beroep is daarom uitsluitend de beslissing tot ongewenstverklaring van eiser in geschil en meer specifiek de vraag of de ongewenstverklaring als inmenging in het familie- en gezinsleven evenredig en proportioneel is. 2.7 Ten aanzien van het beroep op schending van artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. 2.8 Niet in geschil is dat tussen eiser en zijn echtgenote en kinderen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Voorts brengt de ongewenstverklaring mee dat eiser dit familie- en gezinsleven gedurende een groot aantal jaren op geen enkele wijze (meer) in Nederland zal kunnen uitoefenen. Bij de beoordeling van de vraag of deze inbreuk op het familie- of gezinsleven is gerechtvaardigd op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM, dient een redelijke afweging gemaakt te worden tussen het belang van verweerder bij bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid en het belang van eiser bij uitoefening van zijn familie- of gezinsleven. 2.9 In de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (JV 2001/254) zijn richtinggevende uitgangspunten (‘guiding principles’) geformuleerd ten aanzien van de vraag of een maatregel van uitzetting noodzakelijk is, en met name ten aanzien van de problemen die echtgenoten daardoor zouden ondervinden om samen te blijven en in het bijzonder de problemen voor een echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.