RECHTBANK 's-GRAVENHAGE sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 10 juli 2007, gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/570 van: [eiser], thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Flevoland te Almere, eiser, procureur mr. E. Grabandt, advocaat mr. R.E.J.M. van den Toorn te Made, tegen: de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie c.q. Staatssecretaris van Justitie), zetelend te 's-Gravenhage, gedaagde, procureur mr. A.Th.M. ten Broeke. 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 juli 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. Eiser heeft de Zwitserse nationaliteit. 1.2. In het kader van een Amerikaans opsporingsonderzoek tegen eiser en zijn medeverdachten heeft er op 31 mei en 1 juni 2006 in Nederland een (niet voltooide) pseudokoopactie plaatsgevonden. De actie vond plaats ter uitvoering van een Amerikaans rechtshulpverzoek van 23 mei 2006, met inzet van een Amerikaanse opsporingsambtenaar als undercover. De actie beoogde een voorgenomen verkoop en levering van 500.000 xtc-pillen -onder toezicht van de Nederlandse justitie- te laten plaatsvinden. Daarbij is eiser op 1 juni 2006 aangehouden op verdenking van een voorgenomen levering van xtc-pillen aan de Verenigde Staten (VS). 1.3. De VS hebben op 6 juni 2006 de voorlopige aanhouding van eiser gevraagd met het oog op uitlevering naar de VS. 1.4. Vervolgens heeft de Officier van Justitie (OvJ) van het Landelijk Parket bij brief van 11 juli 2006 aan de OvJ van het Arrondissementsparket te Amsterdam meegedeeld dat eiser zich ter fine van uitlevering naar de VS in uitleveringsdetentie bevindt. Daarbij is bericht dat de lopende strafzaken tegen eiser zijn geseponeerd onder de voorwaarde dat de uitlevering door de Minister van Justitie (hierna: de Minister) wordt bevolen. 1.5. Bij nota van 2 augustus 2006 hebben de VS de uitlevering van eiser verzocht met het oog op zijn vervolging betreffende -kort gezegd- een aanklacht ter zake van het medeplegen van invoer en verspreiden van xtc-pillen in de VS. 1.6. Bij uitspraak van 21 november 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de uitlevering van eiser toelaatbaar verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het verzoek van de advocaat van eiser tot schorsing van de behandeling van de uitlevering -om e-mails op te vragen ter zake van electronisch verkeer dat zou hebben plaatsgevonden tussen eiser en de undercoveragenten- afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat door de enkele mededeling van de verdediging van eiser, dat uit e-mails zou kunnen blijken dat eiser is uitgelokt, onvoldoende is onderbouwd dat van een schending van artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces) sprake kan zijn. Bij advies van gelijke datum heeft de rechtbank de Minister geadviseerd de gevraagde uitlevering van eiser toe te staan. 1.7. In het kader van de in Nederland lopende strafzaak tegen een medeverdachte van eiser heeft de aan het Landelijk Parket verbonden zaaksofficier op 13 februari 2007 een ambtsbericht opgesteld over het in strijd met de gegeven instructies en in strijd met de wet opnemen op band van vertrouwelijke communicatie door een Amerikaanse opsporingsambtenaar tijdens de hiervoor onder 1.2. vermelde actie. 1.8. Bij beschikking van 11 april 2007 heeft de Minister de uitlevering van eiser toegestaan onder de voorwaarde dat het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal (ter zake van het in strijd met de gegeven instructies opnemen van vertrouwelijke informatie) wordt uitgesloten van het bewijs tegen eiser. Over het verweer van de advocaat van eiser ter zake het voegen van de hiervoor onder 1.6 vermelde e-mail wisselingen in het dossier nu daaruit zou kunnen blijken dat eiser is uitgelokt, heeft de Minister overwogen dat de advocaat onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat er concrete redenen zijn om aan te nemen dat juist eiser ten gevolge van de uitlevering het reële risico loopt te worden onderworpen aan een oneerlijk proces. 1.9. Bij brieven van 18 en 21 mei 2007 hebben de Amerikaanse autoriteiten, in reactie op een brief van de Minister van 9 mei 2007, met die voorwaarde ingestemd. 1.10. Bij vonnis van 27 april 2007 heeft de rechtbank Amsterdam de OvJ niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van eisers Nederlandse medeverdachte. De OvJ heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. 2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer Eiser vordert -zakelijk weergegeven- gedaagde te verbieden eiser uit te leveren aan de VS, althans zolang daarover niet bij onherroepelijke uitspraak in hoogste instantie in kort geding is beslist en gedaagde te veroordelen om aan de Zwitserse autoriteiten kenbaar te maken dat zij de litigieuze e-mails aan eiser ter beschikking kunnen stellen. Daartoe voert eiser onder meer het volgende aan. Uitlevering van eiser is een flagrante schending van het EVRM, het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. Door de pseudokoopactie en het opnemen van communicatie in strijd met de gegeven instructie zijn de grenzen van wat toelaatbaar is bij opsporing in het kader van rechtshulp overschreden. Onder deze omstandigheden kan de Minister niet tot uitlevering overgaan. De door de Minister gestelde voorwaarde aan de uitlevering biedt geen enkele garantie voor een eerlijk proces in de VS. Er is ook geen enkele sanctie dat een Amerikaanse rechter of OvJ dit Nederlandse verzoek zal volgen. Uit de e-mails blijken de druk, de bedreiging en de onoorbare praktijken van de Amerikaanse undercoveragenten, zoals kennelijk ook op 31 mei en 1 juni 2006 in Nederland is gebeurd. Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 3. De beoordeling van het geschil 3.1. Vooropgesteld wordt dat de Minister, als orgaan van gedaagde, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Ter beoordeling is thans of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de uitlevering van eiser aan de VS toe te staan. De voorzieningenrechter komt in deze een marginale toetsing toe, waarbij opmerking verdient dat de beleidsvrijheid van de Minister wordt ingeperkt door de in het geding zijnde verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering -zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover de VS - wijkt slechts dan voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.