RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer Zaaknummer: Awb 05/48716 Uitspraak in het geschil tussen: [vreemdeling], geboren op [geboortedatum], van Sierraleoonse nationaliteit, V-nummer: [V-nummer], eiser, gemachtigde: mr. B.G. Schonebeek, advocaat te Groningen, en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, voorheen de Ministerie van Justitie, daarvoor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. van Willigen, ambtenaar ten departemente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Op 6 augustus 2001 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfs¬vergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikking van 25 april 2002 heeft verweerder aan eiser een vergunning verleend, met ingang van 6 augustus 2001, geldig tot 6 augustus 2004. 1.2. Op 21 mei 2004 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 6 oktober 2005 afwijzend op de aanvraag beslist. 1.3. Bij beroepschrift van 1 november 2005 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld. 1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 februari 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 2. Rechtsoverwegingen Feiten en standpunten van partijen 2.1. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser behoort tot de Fulla of Pular-bevolkingsgroep en is afkomstig uit [woonplaats], Sierra Leone. Hij woonde daar met zijn vader, broer en tante. In 2000 hebben rebellen van het RUF [woonplaats] aangevallen. Toen de rebellen begonnen te schieten, kwamen eiser, zijn broer, vader en tante bij elkaar in de woonkamer. Eisers vader stond naast de deur te kijken en te luisteren en is toen door een kogel geraakt. De rebellen zijn het huis binnengekomen en hebben eiser, zijn broer en zijn tante meegenomen. Ook andere mensen uit het dorp zijn door de rebellen meegenomen. De rebellen zijn met de gevangenen naar [plaats] gelopen. Onderweg is het dorp [plaats] aangevallen, waarbij de gevangenen de rebellen moesten helpen. Enkele gevangenen, waaronder eisers broer, hadden van de rebellen een geweer gekregen. Eiser is het huis van zakenman [naam] binnengegaan om het te plunderen. Er ontstond een worsteling met [naam] en eiser. [naam] is vervolgens doodgeschoten door één van de rebellen. Hierna werden alle spullen verzameld en werd het dorp in brand gestoken. In [plaats] werden de gevangenen in groepen verdeeld. Eiser was gewond aan zijn been en werd daarom door ene [naam], van de Mende bevolkingsgroep, meegenomen naar zijn huis in [plaats] en is behandeld aan zijn wonden. Eiser heeft twee weken bij [naam] gebleven en is vervolgens gevlucht en teruggekeerd naar [woonplaats]. Daar heeft hij bij een oude vrouw, [naam], verbleven. Zij vertelde dat eisers vader was overleden. Tevens werd gezegd dat eisers broer de zakenman [naam] had gedood. Dorpelingen uit [plaats] zijn naar [woonplaats] gekomen en hebben eisers huis vernield. Andere huizen zijn ongemoeid gelaten. [naam] heeft eiser geadviseerd om weg te gaan, omdat hij anders problemen zou krijgen met de Kamajors, een groepering opgericht door de Mende-bevolkingsroep, om mensen te beschermen tegen de rebellen. Eiser is vervolgens naar Nederland gevlucht. 2.2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de grond voor verlening, het beleid van categoriale bescherming inzake Sierra Leone, is komen te vervallen. Eisers stelling dat het vertrouwen is opgewekt dat het afschaffen van dit beleid niet aan hem zou worden tegengeworpen omdat het reeds eerder was beëindigd en zijn beschikking niet is ingetrokken, volgt verweerder niet. Immers, zijn verblijfsvergunning was geldig tot 6 augustus 2004. Dat de intrekking niet voor de einddatum heeft plaatsgevonden, hetgeen te wijten is aan organisatorische ontwikkelingen bij verweerder, leidt niet tot een andere beslissing. Verweerder heeft vervolgens aan de overige gronden van artikel 29 Vw 2000 getoetst. Met betrekking tot vluchtelingschap is overwogen dat eiser heeft verklaard dat hij vreest voor problemen van de zijde van de autoriteiten, dan wel van de zijde van de Kamajors vanwege zijn banden met het RUF. De dreiging van de Kamajors is echter gebaseerd op de verklaringen van [naam], niet zijnde een objectief verifieerbare bron. Wat de problemen van de zijde van de rebellen betreft is overwogen dat deze problemen gezien moeten worden als uitvloeisel van de algemene situatie in Sierra Leone en nu geen sprake is van op de persoon van eiser gerichte actie, is dat onvoldoende om te concluderen dat eiser vluchteling is. De omstandigheid dat hij ten tijde van zijn gestelde gedwongen verblijf bij de rebellen net als andere gevangenen belast werd met het plunderen van huizen, duidt er eveneens op dat hij niet werd gezien als een belangrijk opposant. Dat hij gezocht zou worden vanwege zijn betrokkenheid bij de rebellen en omdat zijn broer werd gezien als degene die de zakenman [naam] dood heeft geschoten, leidt niet tot een andere conclusie, omdat sinds het akkoord van Lomé van 7 juli 1999 een amnestieregeling van kracht is waar eiser gebruik van kan maken. Eiser zou derhalve eerst de hulp of de bescherming in kunnen roepen van de Sierraleoonse autoriteiten. Niet gebleken is dat hem deze hulp of bescherming niet geboden zal worden. Beoordeeld naar de huidige situatie, afgemeten aan het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juli 2003, is overwogen dat sinds september 2001 het vredesproces op gang is gekomen. Het staakt-het-vuren heeft stand gehouden en de ontwapening van strijders is grotendeels voltooid. Er is een aanzienlijke verbetering van de mensenrechtensituatie geweest en ex-rebellen zijn teruggekeerd naar de samenleving. Gelet hierop is bij terugkeer evenmin sprake van schending van artikel 3 EVRM. Eisers stelling dat de amnestieregeling hem niet zal baten tegen de Mende-bevolkingsgroep en de Kamajors, en dat de Sierraleoonse autoriteiten hem niet kunnen beschermen, is onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot het traumata-beleid is overwogen dat uit eisers verklaringen, noch uit overige aanwijzingen, blijkt dat er sprake is van traumatische ervaringen dan wel van klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan hij niet terug zou kunnen keren naar Sierra Leone. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel –hij heeft verwezen naar de zaak van ene [naam]- gaat niet op, omdat iedere zaak op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. De verklaringen van eiser, die als uitgangspunt worden genomen, geven geen aanleiding om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van het traumata-beleid. Omdat eiser inmiddels meerderjarig is, wordt hij niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van het ‘amv’-beleid. Er is geen aanleiding gezien om in eisers geval vanwege schrijnendheid af te wijken van het gevoerde beleid. Bij de beoordeling van de schrijnendheid zijn onder meer eisers verblijfsduur in Nederland en zijn gezinssituatie betrokken. 2.3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikking in strijd is met regels van het geschreven en ongeschreven recht. Eiser komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a dan wel b Vw 2000. Blijkens zijn verklaringen en eigen waarneming heeft hij voldoende geconcretiseerd dat en waarom hij door de Mende-bevolkingsgroep werd gezien als behorend tot de rebellengroep. Zo is hij door de bevolking in actie gezien en wordt hij persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor de moord op [naam] en om die redenen heeft hij repercussies te verwachten. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in 2001 vloeit voort dat de autoriteiten niet in staat waren om bescherming te bieden. Ook thans zijn de autoriteiten nog niet bij machte om eiser bescherming te bieden, met name niet op het platteland. Met betrekking tot artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000 heeft eiser zich beroepen de zaak van [naam], onder verwijzing naar zijn dossiernummer. In die zaak heeft de heer [naam] verklaard dat zijn moeder voor zijn ogen was doodgeschoten en hij heeft een vergunning op grond van het traumatabeleid gekregen. Ook eiser heeft gezien dat één van zijn ouders is neergeschoten. De latere verklaring van [naam] aan eiser dat zijn vader was overleden, is niet meer dan een bevestiging van hetgeen hij zelf reeds had waargenomen. Verweerder heeft ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet gehonoreerd door slechts te overwegen dat verklaringen van derden niet als een objectief verifieerbare bron kunnen gelden. Verweerder heeft miskend dat de dood van eisers vader aannemelijk geacht kon en moest worden. De verklaringen van [naam] verschillen niet wezenlijk van eisers verklaringen en hebben in dat geval geleid tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Van belang is dat eiser traumatische ervaringen heeft opgedaan, welke hem thans nog parten spelen. Overigens is bij de beoordeling van de c-grond van belang dat eiser geen familiebanden meer heeft in Sierra Leone, terwijl die banden van groot belang zijn voor het overleven. Het ontbreken van familiebanden is overigens ook niet, of althans niet kenbaar, betrokken bij de beoordeling van eisers beroep op de discretionaire bevoegdheid van de minister om af te wijken van het beleid. Beoordeling van het beroep 2.4. Bij onder meer de uitspraken van 28 maart 2002 (AB 2002/132) en van 20 februari 2004 (JV 2004/172) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) geoordeeld dat een besluit, waarbij een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt, voor zover daarin ligt besloten dat geen verblijfsvergunning wordt verleend op één van de gronden a tot en met c van het eerste lid van artikel 29 Vw 2000. In haar uitspraak van 28 maart 2002 heeft de AbRS uitdrukkelijk gewezen op de door de Staatssecretaris van Justitie gedane toezeggingen dat - in weerwil van het feit dat de verlening van een verblijfsvergunning dient te worden gebaseerd op een beoordeling van de toepasbaarheid van de gronden, vermeld in artikel 29 Vw 2000, in de daar aangegeven volgorde - die beoordeling opnieuw en ten volle zal plaatsvinden indien het mocht komen tot een voornemen tot intrekking van de verleende vergunning en dat hij zich alsdan in een eventueel daarop volgende procedure niet op het standpunt zal stellen dat die herbeoordeling niet kan worden aangevochten. 2.5. Gelet op artikel 34 in verbinding met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 83 Vw 2000 en in aanmerking genomen genoemde uitspraken van de AbRS en verweerders bestendige toetsingspraktijk, is verweerder in beginsel gehouden de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.