RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Zitting houdende te Assen Sector Bestuursrecht Zaaknummers: Awb 06/8259 BEPTDN A S2 & Awb 06/8263 BEPTDN A S2 Uitspraak: 3 augustus 2007 inzake: [...], geboren [...], [...], geboren [...], burgers van de Democratische Republiek Congo (DRC), IND-dossiernummers: 0303-19-0335 en 0303-19-0333, V-nummers: 200.752.9446 en 200.752.9448, eisers, gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls, advocaat te Zwolle, tegen: de Staatssecretaris van Justitie (Immigratie- en Naturalisatiedienst) te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te ‘s-Gravenhage. Procesverloop Eisers hebben op 19 maart 2003 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ge-daan. Verweerder heeft deze aanvragen bij beschikkingen van 19 januari 2004 afgewezen en tevens ambtshalve geweigerd aan eisers een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, te verlenen. Bij beroepschriften van 17 februari 2004 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 30 juni 2005 met reg.nrs. Awb 04/7601 en Awb 04/7596 is het beroep - voor zover gericht tegen het besluit van verweerder aan eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verlenen - gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Bij beschikkingen van 15 augustus 2005 heeft verweerder wederom ambtshalve besloten aan eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 te verlenen. Eisers hebben daartegen bij brief van 8 september 2005 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 17 januari 2006 zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Bij beroepschriften van 14 februari 2006 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. Bij brief van 17 augustus 2006 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat de beschikkingen van 17 januari 2006 zijn ingetrokken en dat opnieuw op de bezwaren zal worden beslist. Op 28 november 2006 zijn eisers gehoord door een ambtelijke commissie. Bij (de bestreden) beschikkingen van 4 december 2006 heeft verweerder de bezwaarschriften gegrond verklaard en aan eisers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 juncto artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemde-ling verleend, met ingang van 19 maart 2003, geldig tot 26 juni 2005. Op 8 januari 2007 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, de behandeling van de zaken overgedragen aan deze rechtbank, zitting houdende te Assen. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft op 28 februari 2007 een verweerschrift en op 7 maart 2007 nog een aanvullend verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van de beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden ter zitting van 19 april 2007. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Gunster, procesvertegenwoordiger. Aangezien het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de rechtbank besloten het onderzoek op grond van artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen teneinde van verweerder nadere informatie te verkrijgen met betrekking tot de (adequate) opvang in de DRC voor terugkerende alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het opvangcentrum Don Bosco. Tevens is eisers verzocht om de reis van hun pleegmoeder naar de DRC inclusief het bezoek aan Don Bosco aannemelijk te maken met bewijsstukken en hun bevindingen zo veel mogelijk met bewijsstukken te staven. De rechtbank heeft kennis genomen van de reactie van eisers d.d. 29 mei 2007 en die van verweerder d.d. 12 juni 2007 alsmede de nadere reactie van eisers d.d. 22 juni 2007 en die van verweerder d.d. 27 juni 2007. Het onderzoek ter zitting is in de stand waarin het zich bevond voortgezet op 17 juli 2007. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich wederom doen vertegenwoordigen, ditmaal door mr. M.M. van Asperen, advocaat. Motivering Standpunten van partijen Verweerder heeft de gegrondverklaring van de bezwaren als volgt gemotiveerd. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat eisers destijds voldeden aan de voorwaarden van het speciale toelatingsbeleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen, zoals geformuleerd in paragraaf C2/7 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Op grond hiervan heeft verweerder alsnog besloten de aanvragen van eisers in te willigen en hen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, met ingang van 19 maart 2003, geldig tot 26 juni 2005, zijnde de datum waarop voor eisers in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is in het opvanghuis Don Bosco. Verweerder heeft daartoe verwezen naar paragraaf C8/44.6.6 van het landgeboden deel van de Vc 2000, waarin ten aanzien van de DRC staat vermeld dat blijkens het ambtsbericht van april 2005 met onder andere (financiële) middelen uit Nederland het opvangcentrum Don Bosco structureel wordt ondersteund. Deze particuliere opvanginstelling is aan te merken als naar lokale omstandigheden aanvaardbare adequate opvang voor minderjarigen in de DRC. Kinderen die door Don Bosco worden opgevangen kunnen in het tehuis verblijven totdat zij meerderjarig worden en worden tussentijds niet overgeplaatst naar andere opvanghuizen. Het feit dat er voor eisers in het land van herkomst geen familie aanwezig is, die voor hen kan zorgen, doet aan het vorenstaande niets af. Voorts is er in casu geen sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, waardoor verweerder gehouden zou zijn om ten gunste van eisers af te wijken van het geldende beleid. Eiseres kunnen zich - kort gezegd - niet verenigen met de einddatum van de verleende verblijfsvergunning, omdat er ook na 26 juni 2005 geen sprake is van adequate opvang in de DRC. Eisers stellen zich onder andere op het standpunt dat de continuïteit van de opvang in het opvangtehuis Don Bosco niet is gegarandeerd en dat de opvang aldaar niet adequaat is aangezien er slechts vier plekken beschikbaar zijn alsmede dat een groot deel van de terugkerende alleenstaande minderjarige asielzoekers uiteindelijk niet of slechts kortdurend in het opvanghuis zal verblijven. Volgens eisers biedt het recente verslag van hun pleegmoeder naar Congo, waar ze het opvangtehuis Don Bosco heeft bezocht, een concreet aanknopingspunt voor de onvolledigheid en onjuistheid van voormeld ambtsbericht ten aanzien van Don Bosco. Eisers stellen voorts – onder overlegging van diverse rapportages - dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om gebruik te maken van zijn inherente afwijkings-bevoegdheid. Verweerder heeft ten onrechte niet meegenomen dat eisers zijn opgevangen in de integratievariant en in een pleeggezin zijn geplaatst. Ten slotte stellen eisers dat verweerder onvoldoende is ingegaan op het gedane beroep op het Internationaal Verdrag voor de rechten van het Kind (IVRK). Naast de bezwaren tegen Don Bosco als adequate opvang kan de DRC als land - gelet op de verslechterde veiligheidsituatie - niet de veiligheid bieden waarop eisers ingevolge artikel 19 IVRK recht hebben. Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van de beroepen Gelet op het Koninklijk Besluit van 22 februari 2007 (nr. 07.000660, Stcrt. 2007, 41) en gelet op de portefeuilleverdeling, zoals vastgesteld tijdens de constituerende vergadering van 22 februari 2007 van het op diezelfde dag beëdigde kabinet, is de Staatssecretaris van Justitie verantwoordelijk gesteld voor het beleidsterrein Vreemdelingenzaken. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode van 14 december 2006 tot 22 februari 2007 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de Minister van Justitie en voor wat betreft de periode tot 14 december 2006 de (voormalige) Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Koninklijk Besluit van 14 december 2006 (nr. 06.004621, Stcrt. 2006, 247). De handelingen en besluiten van voornoemde Ministers dienen rechtens te worden toegerekend aan de Staatssecretaris van Justitie. In deze zaken dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseres een concreet en actueel belang bij handhaving van hun beroep omdat verweerder niet volledig tegemoet is gekomen aan hun bezwaren gelet op de eventuele rechtsgevolgen van een latere einddatum dan wel duur van de verleende verblijfsvergunning regulier. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000 is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfs-vergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een beperking verband houdende met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Deze vergunning kan op grond van artikel 3.56 Vb 2000 aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling worden verleend, indien zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfs-vergunning asiel is afgewezen, hij zich naar het oordeel van verweerder niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, en voor hem, naar het oordeel van verweerder, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijker-wijs naar toe kan gaan. De ingevolge genoemd artikel 3.56 Vb 2000 toekomende beoorde-lingsvrijheid wordt door de minister aangewend met inachtneming van de uitgangspunten, neergelegd in paragraaf C2/7.4.3 Vc 2000 alsmede WBV 2005/30 van 15 juni 2005, waarin staat vermeld dat er voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen adequate opvang voor-handen is en dat minderjarige asielzoekers van Congolese nationaliteit niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in de DRC van april 2005 (DPV/AM-872777) blijkt dat onder andere met Nederlandse middelen het opvangcentrum van de Congregatie des Salesianen (Don Bosco) wordt onder-steund. In dit opvangcentrum kunnen tot vier uit Nederland teruggekeerde alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen (amv’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.