RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Breda sector bestuursrecht vreemdelingenkamer Reg.nr(s):AWB 07/14228, AWB 07/16271, AWB 07/15239, AWB 07/26145 V-nr(s): 070.201.7747, 200.700.7249 uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht d.d. 7 december 2007 in de zaken van [Eiser 1], eiser 1, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, [Eiseres 1], eiseres 1, [Eiseres 2], eiseres 2, [Eiseres 3], eiseres 3, [Eiser 2], eiser 2 woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, (hierna ook: eisers, waaronder eiser 1), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, (hierna: COA), verweerder, gemachtigden mr. G. Turksema en mr. J.N. Mons. 1. Procesverloop 1.1 Eiser 1 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 1) inzake de afwijzing van een aanvraag, ingediend door zijn vader, tevens wettelijk vertegenwoordiger [vader], voor een toelage ingevolge de Regeling bepaalde categorieën vreemdelingen (hierna: Rvb). Eiseres 1 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 2) inzake de afwijzing van de aanvraag om een toelage ingevolge de Rvb over de maand januari 2007 en de terugvordering van de over die maand verstrekte toelage. Eiseressen 2 en 3 hebben beroep ingesteld tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 14 maart 2007 (hierna: bestreden besluiten 3 en 4) inzake de afwijzing van hun aanvragen om een toelage ingevolge de Rvb. Eiser 2 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 maart 2007 inzake de afwijzing van een aanvraag om een toelage ingevolge de Rvb over de maand januari 2007 en de terugvordering van de over die maand verstrekte toelage. 1.2 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingezonden. 1.3 De beroepen zijn met instemming van partijen gevoegd en gezamenlijk behandeld ter enkelvoudige zitting van 6 juli 2007. Eiser 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens eiseressen 1, 2 en 3 en eiser 2 is hun moeder [moeder] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld van mw. J.B. Kabasubabu als tolk in de Lingala taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. T. van Ekris en mr. D.G. Turksema. 1.4 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Hierna heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest en heropend diende te worden. Bij heropeningsuitspraak van 11 juli 2007 heeft de rechtbank verweerder verzocht vragen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) met het verzoek hierop schriftelijk te reageren, waarna eisers in de gelegenheid zouden worden gesteld om op die reactie te reageren. 1.5 Na ontvangst van verweerders reactie bij faxbericht van 20 augustus 2007 en eisers afzonderlijke reacties daarop van 27 augustus 2007 heeft de rechtbank bepaald dat verdere behandeling van het beroep ter zitting zal worden voortgezet door een meervoudige kamer. 1.6 Het beroep is opnieuw meervoudig en met instemming van partijen gevoegd en gezamenlijk behandeld ter zitting van 26 oktober 2007. Eiser 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens eiseressen 1, 2 en 3 en eiser 2 is hun moeder, [moeder], verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. 2 Overwegingen 2.1 Eiser 1, geboren op 30 december 1990 en naar gesteld van Azerbeidzjaanse afkomst, heeft door tussenkomst van zijn vader, tevens wettelijk vertegenwoordiger [vader], op 24 januari 2007 een aanvraag ingediend om een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb. Eiseres 1, geboren op 26 februari 2000, eiseres 2, geboren op 23 december 1998, eiseres 3, geboren op 16 februari 2002 en eiser 2, geboren op 26 november 2004, allen naar gesteld van Angolese afkomst, hebben door tussenkomst van hun moeder, tevens wettelijk vertegenwoordigster, [moeder], op 18 januari 2007 afzonderlijke aanvragen ingediend om een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb. 2.2 Verweerder heeft de afzonderlijke bestreden besluiten genomen. Deze besluiten strekken tot afwijzing van de afzonderlijke aanvragen om eisers een toelage te verlenen. 2.3 Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van de beroepen, dient de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser 2, geregistreerd onder kenmerk AWB 07/26145, (expliciet) te beoordelen, omdat het beroep gericht tegen het besluit van 14 maart 2007 niet eerder dan op 26 juni 2007 door het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken te Haarlem is ontvangen. Ingevolge artikel 69 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), bedraagt in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift vier weken. In artikel 6:8, eerste lid, Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat de termijn lopen de dag na verzending, ongeacht of vast komt te staan dat het besluit de geadresseerde heeft bereikt. Op het besluit waartegen eiser 2 beroep heeft ingesteld staat geen zogenaamde verzendstempel. Als bewijs van de verzending kan ook de postadministratie van het bestuursorgaan gelden. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting opgemerkt niet te kunnen aangeven of er een postadministratie is waarin de verzending van besluiten wordt bijgehouden. Echter, nu de zussen van eiser 2 de besluiten, die op respectievelijk 14 maart 2007 en 16 maart 2007 naar hetzelfde adres zijn verstuurd, wel hebben ontvangen, acht de rechtbank aannemelijk dat op 14 maart 2007 ook het besluit ten aanzien van eiser 2 naar dat adres is verzonden. Er van uitgaande dat op 15 maart 2007 de beroepstermijn in dezen is aangevangen dan is het op 26 juni 2007 ingediende beroep buiten de hier geldende beroepstermijn ingediend. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk dient te verklaren, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is volgens dit artikel sprake indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Gemachtigde van eiser 2 heeft ter zitting medegedeeld dat hij (tijdig) tegen de besluiten die hij van de moeder van zijn cliënten heeft ontvangen beroep heeft aangetekend. Pas na ontvangst van het procesdossier begreep hij dat er ook een besluit was genomen ten aanzien van eiser 2. Op dat moment heeft hij ook direct beroep tegen dat besluit aangetekend. De rechtbank is van oordeel dat eiser 2 daarmee niet de ontvangst van het besluit van 14 maart 2007 op niet-ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Hieruit volgt dat het beroep van eiser 2, geregistreerd onder kenmerk AWB 07/26145, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, zodat een inhoudelijk beoordeling van het beroep van eiser 2 achterwege blijft. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. 2.4 In dit geding dient vervolgens te worden beoordeeld of de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4 (hierna: bestreden besluiten) in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. 2.5 Eiser 1 en eiseressen 1, 2 en 3 (hierna: eisers) hebben in beroep kort samengevat en voorzover relevant aangevoerd dat verweerder ten onrechte de aanvraag om een uitkering te verstrekken op grond van de Rvb heeft afgewezen. Eisers zijn van mening dat zij, als (minderjarige kinderen van) vreemdelingen behoren tot de categorie waarvoor het Generaal Pardon (hierna ook: de Pardonregeling) komt te gelden, in afwachting zijn van verlening van een verblijfsvergunning en derhalve Nederland niet hoeven te verlaten. Eisers zijn van mening dat zij derhalve in aanmerking komen voor een uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb, aangezien de Nederlandse Staat heeft berust in hun verblijf hier ten lande, in ieder geval tot uitvoering is gegeven aan de hiervoor genoemde regeling, en derhalve een zorgplicht voor hen heeft. Volgens eisers bevinden zij zich in een situatie die gelijk dient te worden gesteld met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 Vw 2000. Eisers (en hun ouders) zijn immers gerechtigd in Nederland te verblijven. Eisers hebben er op gewezen dat de (toenmalige) Minister voor Vreemdelingen zaken en Integratie a.i. bij brief van 7 december 2006 aan de Tweede Kamer (Kenmerk: Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19 637, nr.1110) heeft laten weten dat ten aanzien van vreemdelingen die onder de Pardonregeling vallen een pas op de plaats wordt gemaakt waardoor geen uitzettingshandelingen ten aanzien van die vreemdelingen meer zullen plaatsvinden. Voorts is in het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV van 7 februari 2007 besloten de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet af te wikkelen. Blijkens dat akkoord mogen geen onomkeerbare stappen worden ondernomen in geval de betrokkenen in aanmerking komen voor een nog te concretiseren Pardonregeling. Eisers zijn van mening dat zij in aanmerking voor de Pardonregeling komen, aangezien zij aan de genoemde objectieve criteria voldoen. Eisers zijn voorts van mening dat zij zich sinds de brief van de Minister van vreemdelingenzaken en Integratie a.i. aan de Tweede Kamer van 7 december 2006 en het kabinetsbesluit van 13 december 2006 (Kamerstukken II, 2006/7, 19637, nr. 1114) in een situatie bevinden waarbij de regering welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven. Zij zijn van mening dat zij derhalve voldoen aan een situatie die is beschreven door de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in de uitspraak van 24 januari 2006 (LJN: AV0197) en op grond waarvan de rechtsvoorganger van de Staatssecretaris artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb met ingang van 1 januari 2007 heeft aangepast. In voornoemde uitspraak die tot aanpassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e van de Rvb heeft geleid, heeft de CRvB geoordeeld dat de Nederlandse Staat welbewust een zekere uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) voortvloeiende zorgplicht voor kinderen wiens ouders rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw 2000 hebben op zich heeft genomen. Eisers zijn van mening dat zij zich in een situatie bevinden die feitelijk gelijk is aan die van de kinderen waarover de CRvB heeft geoordeeld en zijn van mening dat de Nederlanse Staat ook voor hen een zorgplicht heeft. Om die reden dienen zij in aanmerking te komen voor een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb, aldus eisers. Als subsidiair standpunt is aangevoerd dat eisers wel degelijk rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000, aangezien zij in afwachting zijn van een ambtshalve beslissing inzake het recht op een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vw 2000. Een dergelijke vergunning wordt immers (ambtshalve) verleend indien blijkt dat zij voldoen aan de criteria van de Pardonregeling. Hieruit volgt dat zij thans reeds voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb, aldus eisers. 2.6 Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het niet aan verweerder is om vast te stellen of eisers onder de zogenoemde Pardonregeling vallen en dat het voor de vraag of het recht bestaat op een toelage op grond van de Rvb niet relevant is of eisers in aanmerking komen voor deze regeling, omdat met het in aanmerking komen voor deze regeling geen rechtmatig verblijf ontstaat. Verweerder heeft ter nadere onderbouwing van zijn weigering om eisers een toelage op grond van de Rvb te verstrekken er op gewezen dat uit de door eisers aangehaalde uitspraak van de CRvB juist valt af te leiden dat in de onderhavige gevallen geen zorgplicht voor de Nederlandse Staat bestaat. Volgens verweerder heeft de CRvB (slechts) welbewust een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht aangenomen voor kinderen die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw 2000 hebben, omdat de Nederlandse Staat welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende zekere tijd in Nederland verblijven. Nu voor de minderjarige eisers geldt dat zij geen rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, Vw 2000, bestaat voor hen geen recht op een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb. Bovendien, zo heeft verweerder gesteld, is de Rvb een ministeriële regeling waar verweerder niet zelfstandig van kan afwijken. 2.7 In de heropeningsuitspraak van 11 juli 2007, heeft de rechtbank via verweerder de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd aan de Staatssecretaris. - Dient, gelet op de hiervoor vermelde brief van 7 december 2006 van de (toenmalige) Minster van Vreemdelingenzaken en Integratie a.i. en de toezegging hierin dat ten aanzien van vreemdelingen die onder de Pardonregeling vallen een pas op de plaats-beleid zal worden gevolgd, te gelden dat de Nederlandse Staat ten aanzien van die categorie vreemdelingen eveneens welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland blijven, met als gevolg dat ook ten aanzien van de minderjarige kinderen van deze categorie vreemdelingen de uit de IVRK voortvloeiende zorgplicht op de Nederlandse staat rust? - Uitgaande van een bevestigende beantwoording van de vorige vraag, dient dan, gelet op de toelichting op de Wijziging van de Rvb per 1 januari 2007, en met name de keuze om in de hier aan de orde zijnde noodzakelijke bestaansvoorwaarden te voorzien via de Rvb, artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb tevens van toepassing te worden geacht in de onderhavige gevallen, waarin het aanvragen van minderjarige kinderen van een categorie vreemdelingen betreft, die weliswaar geen rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw 2000, doch waarvoor geldt dat de Nederlandse staat welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven? 2.8 Tijdens de meervoudige behandeling van de beroepen ter zitting van 26 oktober 2007 heeft verweerder de antwoorden die de Staatssecretaris op bovenstaande vragen bij brief van 17 augustus 2007 heeft gegeven tot de zijne gemaakt. Op de eerste vraag heeft de Staatssecretaris geantwoord dat uit de brief van 7 december 2006 niet de conclusie kan worden getrokken dat ten aanzien van de betreffende categorie vreemdelingen wordt aanvaard dat zij zich gedurende een zekere tijd in Nederland bevindt. De pas op de plaats, zoals in de betreffende brief is neergelegd, voorzag slechts in het voorkomen van onomkeerbare stappen in afwachting van een debat met de Tweede Kamer. Vervolgens heeft het kabinet bij brief van 13 december 2006 (Kamerstukken II 2006/7, 19 637, nr. 1114) de Tweede Kamer gemeld dat gedurende de demissionaire periode de pas op de plaats zou blijven gelden. Inmiddels is bij brief van 25 mei 2007 (Kamerstukken II 2006/7, 31 018, nr. 2) de regeling aan de Tweede Kamer aangeboden. Conform deze regeling worden gedurende de uitvoering van de regeling geen onomkeerbare stappen gezet ten aanzien van vreemdelingen die mogelijk onder de reikwijdte van de Pardonregeling vallen en ten aanzien van wie nog geen ambtshalve beoordeling heeft plaatsgevonden. In vorenstaande dient echter niet te worden gelezen dat de betreffende vreemdelingen gedurende de uitvoering van de Pardonregeling rechtmatig verblijf hebben of zich bevinden in een situatie die daarmee gelijkgesteld dient te worden. Evenmin is de op hen rustende vertrekplicht die voortvloeit uit de Vw 2000 komen te vervallen. De terugkeerbegeleiding van de vreemdelingen die vallen onder de pas op de plaats wordt derhalve gecontinueerd en ook wordt actief informatie verstrekt ter zake de zelfstandige terugkeer. De pas op de plaats betekent dan ook slechts dat ontruimingen en gedwongen terugkeer niet plaatsvinden. De pas op de plaats heeft gezien het bovenstaande op dit moment geen andere betekenis dan een periode waarin de Immigratie en Naturalisatiedient (hierna: IND) in staat wordt gesteld op zorgvuldige wijze de ambtshalve beoordeling plaats te laten vinden om tot uitvoering van de Pardonregeling te komen. Ten aanzien van de tweede vraag heeft de Staatssecretaris bij eerdergenoemde brief het standpunt ingenomen dat gezien het antwoord op de eerste vraag het antwoord op de tweede vraag van de rechtbank mogelijk overbodig is. Subsidiair stelt de Staatssecretaris zich op het standpunt dat de Rvb en de daaruit voortvloeiende verstrekkingen beperkt zijn tot de in de regeling opgenomen en met name genoemde categorieën, in casu dus minderjarige vreemdelingen die geen bestaansmiddelen hebben en rechtmatig verblijf hebben zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, Vw 2000. Voorts heeft de Staatssecretaris opgemerkt dat op grond van de Pardonregeling niet op aanvraag maar ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend. 2.9 De rechtbank neemt, in het licht van de aangevoerde beroepsgronden, het navolgende wettelijke kader tot uitgangspunt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, IVRK dienen de Staten, die partij zijn bij dit Verdrag, de in het Verdrag beschreven rechten te eerbiedigen en waarborgen voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd. In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat de Staten die partij zijn, alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind. Krachtens artikel 3, eerste lid, IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Staten, die partij zijn, zich ertoe verbinden het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. Ingevolge het derde lid van artikel 3 waarborgen de Staten, die partij zijn, dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht. Ingevolge artikel 27, eerste lid, IVRK erkennen de Staten, die partij zijn, het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind. Krachtens het tweede lid van artikel 27 hebben de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.