RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 07 / 28299 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 november 2007 in de zaak van: [Eiser], geboren op [geboortedatum] 1982, van Dominicaanse nationaliteit, eiser, tegen: de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde: mr. S. Pirs, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.
(99)13, Pbl. L 239 van 22 september 2000). De Gemeenschappelijke visuminstructie (GVI) bevat gemeenschappelijke regels voor de behandeling van visumaanvragen. In Hoofdstuk V GVI wordt gememoreerd dat de behandeling van de visumaanvragen aan de volgende fundamentele criteria moet worden getoetst: de veiligheid van de overeenkomstsluitende partijen, de bestrijding van de illegale immigratie alsmede andere aspecten van de internationale betrekkingen. 2.14 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Schengengrenscode. De reden is dat niet is komen vast te staan dat eiser tijdig zal terugkeren naar zijn land van herkomst. 2.15 In het bestreden besluit overweegt verweerder dat eiser jong, ongehuwd en kinderloos is, dat zijn vriendin in Nederland woont, dat eiser geen familieleden heeft die ten zijnen laste komen, noch dat eiser in staat zou zijn om hen te onderhouden en dat evenmin is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser er toe zouden nopen tijdig naar de Dominicaanse Republiek terug te keren. Op grond daarvan oordeelt verweerder dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser een zodanige sociale binding heeft met het land van herkomst dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Omdat referent op de vragenlijst heeft aangegeven dat eiser een korte cursus Engels volgt en eiser bij de aanvraag heeft aangegeven niet te werken of te studeren, overweegt verweerder dat van een substantiële mate van economische binding van eiser met het land van herkomst op grond waarvan terugkeer aannemelijk wordt geacht, evenmin sprake is. Op grond hiervan concludeert eiser dat tijdige terugkeer naar het land van herkomst niet gewaarborgd is te achten en dat daarom wordt getwijfeld over het uiteindelijke reisdoel en de uiteindelijke verblijfsduur, zodat er in het belang van de bescherming van de openbare orde bezwaren bestaan tegen visumverlening. Er wordt, met toepassing van artikel 7:3, onder b, Awb afgezien van het horen van belanghebbenden. 2.16 Gelet op hetgeen referent heeft weergegeven in zijn beroepschrift, de aanvullende gronden van beroep en de toelichting die referent hierop ter zitting heeft gegeven, verstaat de rechtbank de gronden van beroep als volgt. Referent stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte twijfelt aan het doel van het verblijf van eiser, aangezien eiser en referent steeds hebben verklaard dat zij, met het oog op het voorgenomen huwelijk tussen eiser en de dochter van referent, elkaar beter willen leren kennen. Referent wil eiser aan de Nederlandse familie van zijn dochter voorstellen en eiser laten kennis maken met Nederland. Referent acht de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit onzorgvuldig. Ter zitting heeft referent aangegeven van mening te zijn dat verweerder geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan. Eiser, referent en zijn dochter hadden een toelichting kunnen geven op het punt van de economische en sociale binding van eiser met zijn land van herkomst. De rechtbank verstaat dit als een beroep op schending van de hoorplicht. De rechtbank overweegt als volgt. 2.17 Het feit dat referent pas ter zitting uitdrukkelijk -zij het in niet-juridische bewoordingen- een beroep op schending van de hoorplicht heeft gedaan, verzet zich er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, niet tegen deze beroepsgrond bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder hangende het beroep het besluit van 28 juni 2007 heeft ingetrokken en dat het beroep vervolgens is aangemerkt te zijn gericht tegen het besluit van 22 augustus
- De schriftelijke gronden waren door deze gang van zaken inhoudelijk met name gericht op de aperte fouten in het besluit van 28 juni
- Dat referent zijn gronden vervolgens niet schriftelijk heeft aangevuld moet, nu hij in persoon procedeert, redelijkerwijs niet al te zwaar worden aangerekend. Dit klemt te meer waar verweerder zich ter zitting niet heeft verzet tegen het aanvoeren van nieuwe rechtsgronden, dan wel het nader uitwerken van rechtsgronden. Bovendien heeft verweerder ter zitting voldoende gelegenheid gehad op het nader uiteen gezette standpunt van referent te reageren. Nu uit hetgeen referent in bezwaar en beroep heeft aangevoerd voldoende duidelijk blijkt dat referent niet tevreden is over de gehele gang van zaken rond de totstandkoming van het bestreden besluit kan ten slotte ook niet worden geoordeeld dat verweerder ter zitting is overvallen door het beroep op schending van de hoorplicht. Met het betrekken van het beroep op de hoorplicht bij de beoordeling van het bestreden besluit acht de rechtbank de goede procesorde in dit geval dan ook niet geschonden. 2.18 Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. 2.19 Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Awb vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een anders luidend besluit kunnen leiden. 2.20 In de, zeer korte, beslissing in primo is door verweerder enkel als reden van weigering van het gevraagde visum vermeld dat eiser niet voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Schengengrenscode gestelde voorwaarde, omdat niet voldoende is komen vast te staan dat eiser tijdig zal terugkeren naar het land van herkomst. De beslissing behelst verder geen enkele motivering voor de toepassing van deze afwijzingsgrond. Reeds om die reden kan van hetgeen daartegen in bezwaar is aangevoerd niet worden gezegd dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een anders luidend besluit konden leiden. Daarbij komt dat verweerder in bezwaar, al dan niet naar aanleiding van het bezwaarschrift, ter beoordeling van de aanvraag, aan referent een vragenlijst heeft toegestuurd - die door referent ook ingevuld is geretourneerd - en verweerder er daarmee blijk van heeft gegeven dat hijzelf in bezwaar het onderzoek naar de aanvraag van eiser (nog) niet volledig achtte. 2.21 Derhalve heeft verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard en op die grond ten onrechte belanghebbenden niet in de gelegenheid gesteld om op het bezwaar te worden gehoord. 2.22 De rechtbank zal het beroep gelet op het voorgaande gegrond verklaren. 2.23 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
- Beslissing De rechtbank: 3.1 verklaart het beroep gegrond; 3.2 vernietigt het bestreden besluit; 3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van deze uitspraak; 3.4 draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.I. de Vreese-Rood, rechter, en op 22 november 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. Afschrift verzonden op: Coll: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.