← Nederland

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7362

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT OVERLEVERINGSKAMER (UITSPRAAK) kenmerk UTL-I-2007.036.808 raadkamernummer 08/15 's-Gravenhage, 21 maart 2008 De rechtbank 's-Gravenhage, overleveringskamer, d

Article 2

(3)(b) of the Statute, in that on or between the dates of 1 January and 17 July 1994, [de opgeëiste persoon] did conspire with at least 22 others to kill or cause serious bodily or mental harm to members of the Tutsi racial or ethnic group with the intent to destroy, in whole or in part, a racial or ethnic group, as such; dit vond blijkens de toelichting op deze beschuldiging plaats in Rwanda; 2. Genocide (on the basis of both individual and superior criminal responsibility): The Prosecutor of the ICTR charges [de opgeëiste persoon] with genocide,

article 2

(3)(b) of the Statute, in that from 1 January 1994 to 17 July 1994, throughout Rwanda, particularly in [préfecture], [de opgeëiste persoon] was responsible for killing or causing serious bodily or mental harm to members of the Tutsi racial or ethnic group, with intent to destroy, in whole or in part, a racial or ethnic group, as such; 3. Complicity in genocide (on the basis of both individual and superior criminal responsibility): The Prosecutor of the ICTR charges [de opgeëiste persoon] with complicity in genocide,

Article 2

(3)(e) of the Statute, in that from 1 January to 17 July 1994, throughout Rwanda, particularly in [préfecture], [de opgeëiste persoon] was responsible for killing or causing serious bodily or mental harm to members of the Tutsi racial or ethnic group, with intent to destroy, in whole or in part, a racial or ethnic group, as such, or with knowledge that other people intended to destroy, in whole or in part, the Tutsi racial or ethnic group, as such, and that his assistance would contribute to the crime of genocide; 4. Killing and causing violence to health and physical or mental well-being as serious violations of article 3 common to the Geneva Conventions of 1949 and Additional Protocol II of 1977 (on the basis of both individual and superior criminal responsibility): The Prosecutor of the ICTR charges [de opgeëiste persoon] with killing and causing violence to health and physical or mental well-being as serious violations of article 3 common to the Geneva Conventions of 1949 and Additional Protocol II of 1977,

Article 4

(a) of the Statute, in that [de opgeëiste persoon] was responsible for killing and seriously injuring non-combatant Tutsi during the period 7 April 1994 and 17 July 1994 when there was throughout Rwanda a non-international armed conflict within the meaning of Articles 1 and 2 of Protocol II Additional to the Geneva Conventions of 1949, and the killing and serious injury of the victims was closely related to the hostilities or committed in conjunction with the armed conflict and the victims were persons taking no part in that conflict.

  1. Het onderzoek ter zitting. Ter zitting van 7 maart 2008 heeft de voorzitter mededeling gedaan van het overleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 3 genoemde stukken. De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. G.G.J. Knoops, heeft verklaard dat hij is degene die in het overleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij de Rwandese nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde overlevering verzet. Door en namens de opgeëiste persoon is ter zitting verweer gevoerd, waarop hieronder wordt ingegaan. De officier van justitie heeft in de samenvatting, onder
  2. genoemd, te kennen gegeven dat de gevraagde overlevering toelaatbaar is.
  3. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde overlevering. 7.1 Op het verzoek is toepasselijk: Het Statuut, de Uitvoeringswet Rwanda Tribunaal en de Uitvoeringswet Joegoslavië Tribunaal. 7.2 De door de opeisende partij overgelegde stukken voldoen aan de eisen vervat in artikel 55(B) van de Regels. 7.3 De feiten waarop de onder 3 genoemde stukken betrekking hebben zijn strafbare feiten waarvan het Rwanda Tribunaal ingevolge het Statuut bevoegd is kennis te nemen. 7.
  4. Door of namens de opgeëiste persoon zijn ter zitting geen verweren gevoerd , op grond waarvan de rechtbank een beletsel zou moeten aannemen voor de toelaatbaarheid van de gevraagde overlevering terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken. 7.
  5. De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoek van de raadsman een geconditioneerde overlevering te overwegen in het kader van het door de rechtbank aan de minister van justitie te geven advies. De raadsman heeft verzocht de minister nader in overweging te willen geven de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon plaats te laten vinden, nadat er een beslissing is van de President van het Rwanda Tribunaal op het (waarschijnlijk nog in te dienen) verzoek tot heroverweging ('motion for reconsideration') van de 'Decision on Joint Prosecution and Defence Application for Modification of Detention Conditions of the Accused - Rules 21 and 64 of the Rules of Procedure and Evidence' d.d. 6 maart 2008 bij de President van het Rwanda Tribunaal of de (eventuele) beslissing over de 'application for leave to appeal' met betrekking tot bovengenoemde beslissing van 6 maart 2008 bij de Kamer van Berechting van het Rwanda Tribunaal. Het is echter niet zeker dat er een 'application for leave to appeal' zal worden ingesteld tegen die beslissing. Ter onderbouwing voert de raadsman aan dat de opgeëiste persoon gedurende een detentie in de United Nations Detention Facility (UNDF) van het Rwanda Tribunaal in Arusha (Tanzania) een groot veiligheidsrisico zal lopen ,omdat hij na ommekomst van de overdracht bloot zal staan aan het aanmerkelijke risico dat hij zal worden gedood door hem vijandig gezinde personen. Een andere door de raadsman naar voren gebrachte mogelijkheid met betrekking tot het achterwege laten van de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon aan het Tribunaal, is de procedure bij het Rwanda Tribunaal te versnellen, aangezien een derde land zich bereid heeft verklaard om de opgeëiste persoon in dat derde land zijn straf te laten ondergaan. Dit zou betekenen dat de opgeëiste persoon voor en na de noodzakelijke 'hearings' bij het Rwanda Tribunaal in de United Nations Detention Unit (UNDU) te Scheveningen gedetineerd zou blijven, totdat hij - afhankelijk van de beslissing van het Rwanda Tribunaal - naar een derde land zou worden overgebracht. Daarnaast verzoekt de raadsman de rechtbank in haar advies aan de minister als voorwaarde voor de feitelijke overdracht te verbinden dat door de Registrar van het Rwanda Tribunaal een actueel veiligheidsonderzoek ten behoeve van de opgeëiste persoon wordt opgesteld, zoals reeds door de Registrar is toegezegd in paragraaf 21 van de hierboven onder 3.IV.
  6. genoemde notitie.
  7. De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen. Behalve de reeds genoemde artikelen zijn van toepassing de artikelen: - artikel 4 Uitvoeringswet Joegoslavië Tribunaal en artikel 2 Uitvoeringswet Rwanda Tribunaal. Beslissing. De rechtbank, verklaart toelaatbaar de overlevering aan het Rwanda Tribunaal van [de opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, zoals omschreven in de hiervoor onder 3.II.a, 3.II.b. en 3.II.c. aangeduide documenten. Deze uitspraak is gewezen door mrs Van Rossum, voorzitter, Veldt-Foglia en Schaaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Otten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart
  8. mr. Veldt-Foglia is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.