RECHTBANK 's-GRAVENHAGE sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 27 mei 2008, gewezen in de zaak met rolnummer KG 08/383 van: de stichting Woonpartners Midden-Holland, Stichting voor Bouwen en Beheren, gevestigd te Waddinxveen, eiseres, procureur mr. N.H.M. ten Bokum, advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven, tegen: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën), zetelende te 's-Gravenhage, gedaagde, procureur mr. W.I. Wisman. Partijen zullen worden aangeduid als 'Woonpartners' en 'de Staat'. 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 15 mei 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. Woonpartners heeft de status van toegelaten instelling (hierna ook wel: woningcorporatie) in de zin van artikel 70 van de Woningwet. 1.2. Tot 1 januari 2006 waren woningcorporaties geheel vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting. Op deze datum werd een gedeeltelijke vennootschapsbelastingplicht voor woningcorporaties van kracht. Deze was neergelegd in artikel 5 lid 1 onderdeel d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). 1.3. Op 15 januari 2007 heeft een werkgroep met vertegenwoordigers van de Belastingdienst (orgaan van de Staat), woningcorporaties en de vereniging van woningcorporaties, Aedes, de inhoud van een 'Vaststellingsovereenkomst Belastingplicht Woningcorporaties' vastgesteld (hierna: de VSO). De VSO is door vrijwel alle woningcorporaties, waaronder Woonpartners, en de Belastingdienst ondertekend. Telkens was één woningcorporatie partij bij de desbetreffende VSO. 1.4. De considerans van de VSO waarbij Woonpartners partij is, vermeldt onder meer dat de VSO is gesloten ter beëindiging van onzekerheid als gevolg van de wijziging van artikel 5 lid 1 onderdeel d Wet Vpb per 1 januari 2006, waarbij de vrijstelling voor toegelaten instellingen in deze wet is aangepast. De considerans luidt verder onder meer als volgt: " II.1 Algemeen Met ingang van 1 januari 2006 is de vrijstelling in de Wet [zijnde de Wet Vpb, toevoeging voorzieningenrechter] voor toegelaten instellingen aangepast. Uitgangspunt voor het aanpassen van de vrijstelling in de Wet is het creëren van een 'level playing field' tussen toegelaten instellingen en andere belastingplichtigen. Om die reden is een scheiding gemaakt tussen belaste en vrijgestelde activiteiten. Dit is vastgelegd in artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet en artikel 2 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. (...) De toepassing van deze artikelen roept veel vragen op. Over deze problematiek zal intensief overleg nodig zijn tussen de individuele toegelaten instelling en de inspecteur van de Belastingdienst. Indien geen overeenstemming bereikt wordt, zal in veel gevallen uiteindelijk de Hoge Raad duidelijkheid moeten geven. Voor veel zaken betekent deze rechtsgang dat het een langdurig proces wordt voordat duidelijkheid en dus zekerheid te verwachten is. Partijen achten dit onwenselijk. Om deze reden willen de toegelaten instellingen en de Belastingdienst in onderling overleg op evenwichtige wijze invulling geven aan de vraagstukken die toepassing van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet, binnen doel en strekking van deze bepaling, met zich meebrengen. II.2 Omschrijving van de onzekerheid De onderwerpen waarover partijen in onzekerheid verkeren en duidelijkheid over willen verkrijgen zijn de volgende: a. Begrippen: Hoe moeten de gehanteerde begrippen in artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet en deze overeenkomst worden uitgelegd? b. Belastingplicht: - Welke activiteiten van de toegelaten instelling zijn van vennootschapsbelasting vrijgesteld en welke activiteiten zijn belast? - Hoe worden leveringen, diensten en financieringen tussen de belaste en de vrijgestelde sfeer verrekend? (...)" 1.5. De VSO luidt verder onder meer als volgt: "III Inhoud van de overeenkomst Partijen zijn het volgende overeengekomen: Hoofdstuk 1 Begrippen Dit hoofdstuk geeft aan hoe partijen de in artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet en de in deze overeenkomst gehanteerde begrippen uitleggen. Partijen komen overeen dat uitsluitend in dat kader de hierna genoemde begrippen in fiscale zin worden gedefinieerd. Dit impliceert dat onderstaande begrippen voor andere wettelijke (fiscale) bepalingen of voor (andere) instellingen (zoals toegelaten instellingen) buiten deze overeenkomst een andere betekenis kunnen hebben. (...) Hoofdstuk 3 Belastingplicht Dit hoofdstuk geeft duidelijkheid over welke activiteiten van partij A vrijgesteld en welke activiteiten belast zijn. Tevens wordt aangegeven op welke wijze leveringen en diensten tussen belaste en vrijgestelde sfeer worden verrekend waaronder de rente over de rekening-courant verhoudingen tussen de belaste en vrijgestelde sfeer één en ander ter interpretatie van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet." 1.6. De VSO vermeldt in het eerste lid van artikel 7.2 dat de overeenkomst een looptijd van vijf kalenderjaren heeft en geldt tot en met 31 december 2010. Over de mogelijkheid van opzegging bepaalt het tweede lid: "Deze overeenkomst kan door partijen, met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, aangaande de onderdelen waarop zulks betrekking heeft, worden opgezegd met ingang van het tijdstip waarop: a. een relevante wetswijziging in werking treedt; b. een wijziging van de relevante op de Woningwet gebaseerde voorschriften plaatsvindt; welke van materieel belang zijn voor de fiscaalrechtelijke positie van partij A [de woningcorporatie, toevoeging voorzieningenrechter]" 1.7. Met een brief van 20 november 2007 heeft de Belastingdienst aan Woonpartners onder meer het volgende bericht: "Als het Belastingplan 2008 door de Tweede en Eerste Kamer wordt aangenomen, zal er voor toegelaten instellingen vanaf 1 januari 2008 geen vrijstelling voor de vennootschapsbelasting meer gelden. Het wetsartikel 5, eerste lid, onderdeel d, Wet VPB 1969 verdwijnt en daarmee ontvalt ook de basis aan de VSO. De VSO vervalt derhalve van rechtswege. Hierover heeft de staatssecretaris het volgende aan de Tweede Kamer geschreven: "Ik ben dan ook van mening dat de VSO vanaf 1 januari 2008 voor latere jaren haar werking verliest en van rechtswege komt te vervallen. De VSO behoudt wel haar werking voor de jaren 2006 en 2007. Dit brengt mee dat een opzegging van de VSO feitelijk niet aan de orde is." (Tweede Kamer 2007/2008, 31205, nr. 9, blz. 91). Ik realiseer mij dat in de tekst van de door u gesloten VSO een bepaling is opgenomen waarin staat dat de VSO wordt opgezegd bij een relevante wetswijziging. Hoewel opzegging gelet op bovenstaand citaat van de staatssecretaris strikt genomen niet noodzakelijk is, zeg ik, ter vermijding van misverstanden en gelet op genoemd artikel uit de VSO, deze VSO op voor de periode vanaf 1 januari 2008. Uiteraard onder de voorwaarde dat de voorgestelde relevante wetswijzigingen zijn aangenomen door de Eerste en Tweede Kamer en per 1 januari 2008 in werking treden." 1.8. Per 1 januari 2008 is artikel 5 lid 1 onderdeel d Wet Vpb vervallen. Deze wijziging is onderdeel van het Belastingplan 2008. Met ingang van deze datum zijn woningcorporaties voor al hun activiteiten belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. 2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer 2.1. Woonpartners vordert na wijziging van eis, zakelijk weergegeven: - primair de Staat te veroordelen om zijn verplichtingen en afspraken voortvloeiende uit de VSO volledig en onvoorwaardelijk te blijven nakomen; - subsidiair de Staat te bevelen om de opzegging door de Belastingdienst van de VSO ongedaan te maken en hem te veroordelen om zijn verplichtingen en afspraken voortvloeiende uit deze vaststellingsovereenkomst volledig en onvoorwaardelijk te blijven nakomen; - meer subsidiair (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.