Rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspaak artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.: AWB 07/18755 V-nr: 139.405.0193 inzake: [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1961 van Thaise nationaliteit, wonende te Amsterdam, eiseres, gemachtigde: mr. W.P.C. de Vries, advocaat te Amsterdam, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. C.M. Lindeboom, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. I. PROCESVERLOOP 1. Op 14 september 2006 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een “EG-verblijfsvergunnning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2003/109/ EG" (Pb 2004 L 16, hierna: de Richtlijn). Bij brief van 30 oktober 2006 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag van 14 september 2006 bevestigd en verzocht de verschuldigde leges te voldoen. Bij brief van 9 november 2006 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag en tegen het besluit tot heffing van de leges. Bij brief van 12 januari 2007 heeft eiseres, in de procedure tot verlening van een verblijfsvergunning, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 maart 2007 (AWB 07/2241) is dit beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, en is bepaald dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar dient te nemen. 2. Het bezwaar is bij besluit van 4 april 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan eiseres is een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 met de aantekening “EG-langdurig ingezetene” verleend. Het bezwaar, voor zover gericht tegen het heffen van leges, is ongegrond verklaard. 3. Tegen dit laatste besluit heeft eiseres op 1 mei 2007 beroep bij de rechtbank ingesteld. 4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. 5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. II. OVERWEGINGEN 1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn verstrekken de lidstaten aan langdurig ingezetenen een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. 2. Ingevolge artikel 21, eerste lid en aanhef, van de Vw 2000, zoals dat geldt vanaf 1 december 2006, kan, ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 slechts worden afgewezen in de onder a. tot en met k. van dat artikellid genoemde gevallen. 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er terecht leges geheven zijn. De Richtlijn waar eiseres zich op beroept, bevat geen verbod tot het heffen van leges. Evenmin is daarin een kader gesteld waarbinnen de legesheffing beperkt zou moeten blijven. Wel is een grondslag in nationale regelgeving vereist, die kan worden gevonden in de artikelen 3.34g van het Voorschrift Vreemdelingen (VV), dat zijn grondslag vindt in artikel 24, van de Vw 2000. Een aanvraag als de onderhavige wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Gelet daarop is het bedrag van € 201,-- niet bovenmatig hoog, noch vormt het een beletsel voor het verkrijgen van de gevraagde status. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”, als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn. Voor zover eiseres stelt door het WBV 2006/31 in een nadeliger positie te zijn gebracht, welke stelling niet is onderbouwd, merkt verweerder op dat hoewel dit WBV dateert van na de aanvraag, de wettelijke basis voor het heffen van de leges ten tijde van de aanvraag al was gegeven. Gelet op het voorgaande is op grond van artikel 7:3 en onder b, van de Awb afgezien van horen. Ter zitting heeft verweerder zich voorts nog op het standpunt gesteld dat de brief van 30 oktober 2006, waarin is verzocht om leges te betalen voor de aanvraag tot verlening van de onder I.1 genoemde verblijfsvergunning, niet valt aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verweerder verzoekt de rechtbank derhalve het beroep gegrond te verklaren en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. 4. Eiseres heeft - zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de Richtlijn niet voorziet in een grondslag voor legesheffing. Het oorspronkelijke voorstel voorzag daar wel in, maar deze bepaling is tijdens de onderhandelingen geschrapt, Anders dan verweerder meent, heeft eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aangevraagd, maar een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van de Richtlijn. De Nederlandse Staat heeft verzuimd de Richtlijn tijdig te implementeren. Dit had gemoeten op 23 januari 2006. Daarom was verweerder na indiening van de aanvraag gehouden de aanvraag te behandelen op basis van het toen geldende recht en kon eiseres zich op 14 september 2006 direct beroepen op de Richtlijn. Op die datum bevatte het Nederlandse recht geen voorschrift op grond waarvan leges voor aanvragen als de onderhavige verschuldigd waren. De heffing van het bedrag van € 201,-- is gebaseerd op de op 3 oktober 2006 in de Staatscourant gepubliceerde en twee dagen later in werking getreden wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), die is tot stand gebracht via WBV 2006/31. Die wijziging is, gelet op artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), niet van toepassing op de aanvraag van eiseres nu die dateert van voor die datum. Daarbij is het WBV een beleidsregel en niet, zoals is vereist, een wettelijke regeling. Zo de Richtlijn legesheffing toelaat mag het bedrag niet hoger zijn dan de kosten die voor soortgelijke documenten aan de eigen burgers in rekening worden gebracht oftewel niet hoger dan artikel 3.34h van het VV toelaat. Gelet op het voorgaande had eiser op het bezwaar gehoord dienen te worden. De rechtbank overweegt als volgt. 5. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de onder I.1 genoemde brief van 30 oktober 2006 eiseres heeft verzocht om leges voor de onderhavige aanvraag te voldoen. Deze schriftelijke aanzegging tot betaling acht de rechtbank een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De aanzegging is gedaan door een bestuursorgaan. Zij is voorts gericht op rechtsgevolg. Indien de leges voor een aanvraag als de onderhavige niet worden betaald dan zou verweerder verplicht zijn geweest de aanvraag op de voet van het bepaalde in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 niet in behandeling te nemen. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht ontvankelijk verklaard en daarop beslist. De rechtbank is voorts bevoegd om over het daartegen ingestelde beroep te oordelen. 6. De rechtbank stelt vast dat eiser een aanvraag om een “EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2003/109/ EG” heeft ingediend. 5. Niet in geschil is dat verweerder de Richtlijn ten tijde van de indiening van de onderhavige aanvraag niet geïmplementeerd had in de nationale regelgeving, noch dat verweerder dat had moeten doen voor 23 januari 2006. De implementatiewetgeving is eerst, bij wet van 23 november 2006, per 1 december 2006 (Staatsblad 2006, 584) in werking getreden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover een lidstaat op bepalingen van een richtlijn beroepen in die gevallen waarin
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.