RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Vreemdelingenkamer Nevenzittingsplaats Arnhem Registratienummer: AWB 07/44213 Datum uitspraak: 19 mei 2008 Uitspraak Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) inzake [eiser], geboren op [datum] 1976, v-nummer [nummer], van Nigeriaanse nationaliteit, eiser, gemachtigde mr. M.R. Roethof, tegen de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verweerder. Het procesverloop Bij besluit van 11 september 2007 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, ongewenst verklaard. Daartegen heeft eiser op 3 oktober 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 23 november 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 februari 2008. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.R. Berkhout. De beoordeling 1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. 2. Verweerder heeft aan de ongewenstverklaring ten grondslag gelegd dat eiser bij uitspraak van 13 juli 2007 door de politierechter te Rechtbank Haarlem, wegens overtreding van artikelen 36b, 36c, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen voor de duur van 5 maanden. Gelet hierop wordt aangenomen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, terwijl eiser geen rechtmatig verblijf heeft als bedoel in artikel 8, onder a tot en met e, van wel l, van de Vw 2000. De omstandigheid dat eiser voor zijn veroordeling nimmer in aanraking is geweest met de politie of justitie, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts is verweerder van mening dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten ten aanzien van zijn ongewenstverklaring naar voren te brengen. 3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiser heeft gesteld dat hij niet eerder in aanraking is geweest met politie of justitie. Ten onrechte heeft verweerder aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder had voorts rekening moeten houden met het langdurig verblijf van eiser in Spanje, alwaar hij een verblijfsvergunning heeft die geldig is tot 14 februari 2011. De gemachtigde van eiser is van mening dat eiser, als houder van een Spaanse verblijfsvergunning, ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wel degelijk rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Ter ondersteuning heeft de gemachtigde van eiser ter zitting een kopie van de Spaanse verblijfsvergunning van eiser, alsmede een kopie van de huwelijksakte van eiser overgelegd. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen naar aanleiding van het voorstel tot ongewenstverklaring van de korpschef van de politieregio Kennemerland van 22 augustus 2008. Het voorstel tot ongewenstverklaring is nimmer aan hem bekend gemaakt. Uit het procesdossier blijkt evenmin op welke wijze en wanneer dit voorstel aan eiser bekendgemaakt is. Eiser is verder van mening dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2 van de Awb nu verweerder hem ten onrechte evenmin in de gelegenheid heeft gesteld om in de bezwaarfase te worden gehoord. Eiser is om deze redenen dan ook van mening dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat de ongewenstverklaring schending oplevert van artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 4. Bij haar oordeelsvorming gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser op 20 november 2007 is uitgezet naar Spanje, en dat eiser in het bezit is van een geldige Spaanse verblijfsvergunning, die geldig is tot 14 februari 2011. In het bezwaarschrift van 3 oktober 2007 alsmede in de gronden van zijn bezwaar van 24 oktober 2007 heeft eiser een beroep gedaan op de Wet Openbaarheid van Bestuur en verzocht om een afschrift van het onderliggende dossier. Eiser heeft hierbij aangegeven het recht voor te behouden nadere gronden aan te voeren. In de gronden van bezwaar van 24 oktober 2007 stelt eiser zich op het standpunt dat hij het voornemen tot ongewenstverklaring van 22 augustus 2007 niet heeft ontvangen en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens het bezwaar onder toepassing van van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, eiser kennelijk ongegrond verklaard, dus zonder eiser te horen. 5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder de (bekendmaking van) de ongewenstverklaring met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. 6. Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.