RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE Zittinghoudende te Roermond Sector bestuursrecht, meervoudige kamer Vreemdelingenkamer Procedurenummers: AWB 08 / 939 en AWB 08 / 4062 Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake [eiser], eiser, gemachtigde mr. W. de Vilder, advocaat te Beek, tegen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. 1. Procesverloop 1.1. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige. 1.2. Bij besluit van 7 januari 2008 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 20 oktober 2000 afgewezen. Tevens heeft verweerder bij dat besluit het bezwaar van eiser van 30 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Op 7 januari 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen voormeld besluit van verweerder van 7 januari 2008. Dit beroep, voor zover het is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, is bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 08/939. Voor zover het beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van 30 december 2007, is het bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 08/4062. 1.3. De beroepsgronden zijn kenbaar gemaakt bij brieven van 30 januari 2008. Op 18 februari 2008 en 29 mei 2008 zijn nog nadere stukken ingediend. 1.4. Verweerder heeft de op de procedures betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Deze zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden. 1.5. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting op 11 juni 2008. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.A. Hansen. Als tolk was ter zitting aanwezig mevrouw S. Heeren. 2. Overwegingen 2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1960 en behoort tot de Avaarse bevolkingsgroep in Dagestan. Dagestan is thans een deelrepubliek van de Russische Federatie. Op 20 oktober 2000 heeft eiser verzocht om toelating als vluchteling. Aan dat verzoek heeft eiser – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. 2.2. Eiser heeft activiteiten (waaronder wapentransporten) verricht voor de groepering Svobodnyj Kazkaz (Vrij Kaukasus) en is daardoor in de negatieve aandacht van de autoriteiten komen te staan. Voorts heeft eiser te vrezen voor een discriminatoire behandeling in de Russische Federatie vanwege zijn Avaarse etniciteit. Eiser heeft tevens te vrezen voor enkele personen van etnisch Russische afkomst met wie hij tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland problemen heeft gehad. 2.3. Voor een overzicht van het procesverloop vanaf de datum van aanvraag 20 oktober 2000 tot 20 december 2007, verwijst de rechtbank naar rubriek 3 (“Ontstaan en verloop van de procedure”) in het bestreden besluit. Op 20 december 2007 is een voornemen tot afwijzing van de aanvraag kenbaar gemaakt. Eisers gemachtigde heeft op 30 december 2007 een zienswijze op het voornemen ingediend. Die zienswijze is door verweerder tevens opgevat als een bezwaarschrift tegen de weigering van verweerder om eiser een aanbod te doen in het kader van de zogenoemde regularisatieregeling als neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11. Op 7 januari 2008 heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen. AWB 08/939: beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag 2.4. Voor zover het beroep tegen het besluit van 7 januari 2008 is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag van 20 oktober 2000, overweegt de rechtbank allereerst ten procedurele als volgt. 2.5. In de begeleidende brief bij het voornemen van 20 december 2007 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 2 januari 2008, 12.00 uur, zijn zienswijze op het voornemen naar voren te brengen. De aan eiser geboden termijn is korter dan de gebruikelijke termijn van vier weken. Verweerder heeft hiertoe besloten omdat de rechtbank in haar uitspraak van 11 december 2007 (AWB 07/40523) aan verweerder een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitspraak (11 december 2007) heeft opgelegd waarbinnen alsnog moet worden beslist op de onderliggende aanvraag en daarbij tevens heeft bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 250,- voor elke dag dat verweerder niet of niet volledig voldoet aan de opgelegde beslistermijn. Teneinde de uitspraak van de rechtbank van 11 december 2007 te kunnen uitvoeren, heeft verweerder zich genoodzaakt gezien de beslistermijn in te korten en het in dit verband gevoerde beleid als neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) terzijde te schuiven, zo is door verweerder gesteld. 2.6. Eiser heeft bij fax van 20 december 2007 kenbaar gemaakt zich niet met deze verkorte termijn voor het indienen van een zienswijze te kunnen verenigen, omdat het Vreemdelingenbesluit 2000 zich tegen een verkorte termijn verzet. 2.7. Artikel 3.115 van het Vb 2000 luidt, voor zover thans relevant, als volgt: “1. Het schriftelijke voornemen om: a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen; (..); c. (..), of d. (..), wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. 2. De termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt, bedraagt, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt gehonoreerd: a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, vier weken, en b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, zes weken. 3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden. (..)” (onderstreping aangebracht door de rechtbank) 2.8. In onderdeel C15/2.2 (“De zienswijze van de asielzoeker”) heeft verweerder beleid geformuleerd aangaande het tweede lid van artikel 3.115 van het Vb 2000. In dit beleid is bepaald wanneer de in voormeld artikellid genoemde termijn kan worden verlengd (in het voordeel van de vreemdeling). In het stellen van een kortere termijn dan vier weken (ten behoeve van verweerder) is niet voorzien. 2.9. Niettegenstaande de voormelde rechtbankuitspraak, moet naar het oordeel van de rechtbank het hanteren van een kortere termijn dan vier weken voor het indienen van een zienswijze, voor onrechtmatig worden gehouden. Hiertoe acht de rechtbank redengevend dat artikel 3.115, tweede lid, imperatief is geformuleerd en aldus geen ruimte laat om ten faveure van verweerder een kortere termijn voor het indienen van een zienswijze te hanteren. Hierbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat verweerder zich had kunnen verzetten tegen de rechtbankuitspraak, maar dit niet heeft gedaan. Ook had verweerder in overleg kunnen treden met de gemachtigde van eiser teneinde overleg te plegen over een en ander. 2.10. Naar dezerzijds oordeel is voormeld artikel 3.115, tweede lid, van het Vb 2000 aan te merken als een vormvoorschrift in de zin van artikel 6:22 van de Awb. Voormeld artikellid bevat immers een voorschrift dat ziet op de procedure van totstandkoming van het bestreden besluit. Met het hanteren van een kortere termijn dan in dat artikellid voorzien, is er sprake van een gebrekkige toepassing van dit artikellid. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Hiertoe heeft de rechtbank redengevend geacht dat haar niet gebleken is dat de eiser door het gebrek in zijn belangen is geschaad. 2.11. Eiser heeft zich in de zienswijze als ook in de gronden van beroep beperkt tot de grief dat er sprake is van een formeel gebrek. Eerst ter zitting heeft eiser desgevraagd naar voren gebracht waarom dit gebrek er volgens hem toe heeft geleid dat hij in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft in dit verband gesteld dat de verkorte termijn ertoe heeft geleid dat hij buiten staat was om via de Internationale Organisatie voor Migratie en de gemeente Heerenveen bepaalde voor de aanvraag relevante documenten te verkrijgen. Voorts was het voor eiser en diens gemachtigde, mede gelet op het feit dat het voornemen vlak voor de kerstperiode is uitgebracht, onmogelijk om binnen een tijdsbestek van twee weken overleg te plegen over de naar aanleiding van het voornemen uit te brengen zienswijze. 2.12. Conform vast jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 31 oktober 2003, gepubliceerd in JV 2004/11), wordt ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.114 van het Vb 2000, in beginsel van de vreemdeling gevergd dat hij bij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd documenten omtrent zijn identiteit, nationaliteit en reisroute overlegt. Dit geldt ook, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 15 maart 2005, gepubliceerd in JV 2005/185, voor de overige documenten op basis waarvan kan worden beoordeeld of een rechtsgrond voor verlening van de vergunning bestaat. Met het door eiser gestelde is niet gebleken van omstandigheden op basis waarvan voormeld beginsel dient te wijken. Bij gebreke van enige concretisering komt de rechtbank evenmin tot de conclusie dat de door verweerder geboden termijn van twee weken voor het indienen van een zienswijze te kort is geweest om met eiser in overleg te treden over de inhoud van de zienswijze. Aldus kan de stellingname van eiser als vermeld in de vorige rechtsoverweging naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat eiser met de wijze van handelen van verweerder in zijn belangen is geschaad. 2.13. Vervolgens overweegt de rechtbank ten materiële als volgt. 2.14. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas voor ongeloofwaardig moet worden gehouden, nu eiser op essentiële onderdelen hiervan vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Verweerder heeft hierbij mede de omstandigheden van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 betrokken. 2.15. In beroep heeft eiser verweerders standpunt, dat sprake is van een ongeloofwaardig relaas, bestreden en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem heeft tegengeworpen. 2.16. Overwogen wordt als volgt. 2.17. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vw 2000). Ingevolge het bepaalde in artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een op 1 april 2000 in behandeling zijnde aanvraag om toelating als vluchteling aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de per voornoemde datum in werking getreden Vw 2000. 2.18. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000: "1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; (..)”. 2.19. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (..) k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954,88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967,76); l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn; (..)". 2.20. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen. 2.21. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. 2.22. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek of de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kan worden afgewezen mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 2.23. Blijkens onderdeel C4/3.6 van de Vc 2000 is voor de beoordeling van de asielaanvraag onderbouwing van de volgende elementen van belang: de identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. Wanneer is vastgesteld dat ten aanzien van één of meer van de vier elementen documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. 2.24. Documenten die de reisroute onderbouwen zijn volgens onderdeel C 4/3.6.2 van de Vc 2000 in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft tijdens de reis naar Nederland. In de tweede plaats kan de reisroute worden onderbouwd met alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd. Verklaringen die inhouden dat een vreemdeling geen documenten heeft en niets meer weet van de reisroute zijn volgens onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 niet geloofwaardig. In het geval dat een vreemdeling geen documenten inzake de reisroute over heeft gelegd maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten wel consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen aflegt, geeft hij blijk van de wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. 2.25. In onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 staat voorts vermeld dat het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen. 2.26. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn nationaliteit en identiteit, zijn reis en zijn asielrelaas. Volgens verweerder kan het ontbreken van die documenten aan eiser worden toegerekend. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft verweerder geen grond hoeven vinden om eiser het ontbreken van genoemde documenten niet toe te rekenen. 2.27. Daargelaten of aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij geen documenten ter staving van zijn identiteit en/of nationaliteit heeft overgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd en dat er voorts geen sprake is van coherente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de afgelegde reis naar Nederland. Eiser is naar zijn zeggen per bus van Moskou naar Sint Petersburg gereisd; van daaruit is hij per boot naar een hem onbekende plaats gereisd; uiteindelijk is hij na een lange autorit in Venlo, in Nederland, beland. Verweerder mocht in redelijkheid van eiser verwachten dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als de havens van vertrek en aankomst, de wijze waarop hij in die havens de paspoortcontroles heeft weten te omzeilen en dat hij enige concrete aanwijzing over het schip van vervoer, de op de route aangedane havens en de route van de haven van aankomst naar Nederland. 2.28. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van toepassing is. 2.5. Ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2003 (LJN AF5566) mogen dientengevolge ingevolge artikel 31, van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p.40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van eiser om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan ook een positieve overtuigingskracht uitgaan. 2.29. In dat kader overweegt de rechtbank dat de Afdeling heeft overwogen onder meer in een uitspraak van 23 juni 2005 (JV 2005/315), dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten en het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan die gestelde feiten ontleende vermoedens behoort tot de verantwoordelijkheid van verweerder en dat die beoordeling slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Indien en voor zover verweerder van oordeel is dat de door de vreemdeling gestelde feiten geloofwaardig en de daaraan ontleende vermoedens plausibel zijn, is vervolgens voor een terughoudende toets geen plaats, waar het de beoordeling van de zwaarwegendheid van het relaas betreft. 2.30. Verweerder heeft het niet geloofwaardig geacht dat eiser de negatieve aandacht van de Russische autoriteiten op zich heeft gevestigd wegens zijn activiteiten voor Vrij Kaukasus. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat eiser zijn verklaringen omtrent die vrees enkel heeft gebaseerd op vermoedens zijnerzijds en verklaringen door derden. Zo vermoedt eiser slechts dat een of meer van de gearresteerde leden van de groepering de naam van eiser hebben prijsgegeven aan de politie en dat de politie op de hoogte is of kan komen van eisers rol bij de wapentransporten. Ten aanzien van zijn stelling dat zijn naam voorkomt op een ledenlijst van Vrij Kaukasus heeft verweerder voorts gesteld dat eiser daarnaast heeft verklaard dat hij niet zeker weet of een dergelijke lijst wel bestaat. De op zichzelf niet ongeloofwaardige omstandigheid dat een van zijn direct leidinggevenden, een van de gebroeders Chatsjelajev, is geliquideerd, vormt voorts geen concrete aanwijzing dat de Russische autoriteiten op zoek zijn naar eiser, zo is door verweerder gesteld. 2.31. Ook eisers stelling dat hij in de Russische Federatie wordt gediscrimineerd vanwege zijn Avaarse etniciteit en het daarmee gepaard gaande Kaukasische uiterlijk, heeft verweerder als zijnde niet aannemelijk terzijde geschoven. Hiertoe heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat niet is gebleken dat de problemen die hij in dit verband heeft ondervonden – mishandeling door etnisch Russische personen in Perm in de periode tussen 1992 en 1996; de arrestaties door de politie in Moskou in de periode na terugkeer uit Duitsland – ertoe hebben geleid dat eiser is komen te lijden onder ernstige sociaalmaatschappelijke bestaansbeperkingen. Dat eiser alleen al vanwege zijn Kaukasische uiterlijk voor terrorist zal worden gehouden, is eveneens enkel gebaseerd op vermoedens van eiser, aldus verweerder. 2.32. De door eiser gestelde vrees voor de Russische personen met wie het in Duitsland in 1996 tot een gewelddadige confrontatie is gekomen, waarvoor eiser strafrechtelijk is veroordeeld, acht verweerder evenmin geloofwaardig. De verklaringen die eiser in dit verband heeft afgelegd zijn volgens verweerder onvoldoende concreet om te concluderen dat de gestelde vrees gegrond is. 2.33. De rechtbank is, gelet op het gegeven toetsingskader en de verklaringen van eiser in samenhang bezien, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op grond van het vorenstaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat de asielmotieven van eiser – zowel afzonderlijk als in samenhang bezien – geen positieve overtuigingskracht hebben. In hetgeen eiser tegen het standpunt van verweerder naar voren heeft gebracht in de gronden van het beroep als ook ter zitting, ziet de rechtbank onvoldoende grond om anders te oordelen. 2.34. Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat verweerder zich met rede op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser niet geloofwaardig is te achten. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft besloten dat eiser geen Verdragsvluchteling is en hem hierom een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw 2000 heeft kunnen weigeren. 2.35. Met betrekking tot de vraag of eiser mogelijk in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op andere gronden overweegt de rechter het volgende. 2.36. Eiser heeft gesteld dat er in de deelrepubliek Dagestan sprake is van een intern gewapend conflict en heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 15c van de Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn). Eiser heeft in dit verband bij de zienswijze verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de noordelijke Kaukasus van april 2007 (pagina 56) en het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van januari 2007, getiteld “Nordkaukasus, Entwickelungen in Tschetschenien sowie in Dagestan, Kabardino-Balkarien, Inguschetien und Nordossetien”. Bij de gronden van beroep van 29 mei 2008 heeft eiser zich beroepen op een brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk van 29 mei 2008. In die brief wordt, naast voormelde documenten, verwezen naar een rapport van de US Department of State van 11 maart 2008, een rapport van Amnesty International inzake de Russische Federatie van mei 2008 en een tweetal artikelen afkomstig van het Institute for War and Peace Reporting van 11 januari 2006 en 4 mei 2006. 2.37. Op 29 april 2004 heeft de Raad van de Europese Unie de Definitierichtlijn vastgesteld. Volgens overweging 2 van de considerans van de richtlijn is, kort gezegd, de Europese Raad te Tampere overeengekomen te streven naar invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status van Vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari 1967. 2.38. Volgens overweging 3 van de considerans van de Defintierichtlijn vormen het Verdrag van Genève en het Protocol de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen. 2.39. Volgens overweging 25 van de considerans van de Definitierichtlijn dienen criteria te worden vastgesteld om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Deze criteria dienen in overeenstemming te zijn met de internationale verplichtingen van de lidstaten op het gebied van de mensenrechten en met de bestaande praktijken in de lidstaten. 2.40. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn is een ‘‘persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt’’ een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2 niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen. 2.41. Volgens artikel 15 bestaat ernstige schade uit: a doodstraf of executie; of b foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of c ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 2.42. Volgens artikel 18 verlenen lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. 2.43. Van ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan slechts sprake zijn indien in het land van herkomst sprake is van ‘‘willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict’’. Van een binnenlands gewapend conflict is naar het oordeel van de Afdeling (zie de uitspraak van 20 juli 2007, LJN BB0917, gepubliceerd op www.rechtspraak.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.