RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Voorzieningenrechter Zaaknummer: Awb 08/28499 Uitspraak in het geschil tussen [vreemdeling], geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [V-nummer], verzoekster, gemachtigde: mr. H.B. Boogaart, advocaat te Groningen, en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te ’s-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H.H.P.M. Kelderman, ambtenaar ten departemente. 1. Ontstaan en loop van het geschil 1.1. Op 1 augustus 2008 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 7 augustus 2008 afwijzend op de aanvraag beslist. 1.2. Op 7 augustus 2008 heeft verzoekster hiertegen beroep ingesteld. 1.3. Bij verzoekschrift van 7 augustus 2008 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege dient te worden gelaten tot op het beroep is beslist. Op 18 augustus 2008 zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend. 1.4. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 22 augustus 2008. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens heeft verzoekster zich doen vergezellen door haar echtgenoot, [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Rechtsoverwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen. Feiten en standpunten van partijen 2.2. Verzoekster heeft eerder, te weten op 25 november 2005, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel. Bij besluit van 2 december 2005 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat de door verzoekster naar voren gebrachte problemen niet zijn terug te voeren tot het Vluchtelingenverdrag en zij nooit persoonlijk inspanningen heeft verricht om bescherming te vragen van de Iraakse autoriteiten. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, heeft bij uitspraak van 2 januari 2006, Awb 05/54540, het hiertegen gerichte beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Op 4 januari 2006 heeft de rechtbank genoemde uitspraak voor wat betreft de rechtsmiddelenclausule gerectificeerd. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) bij uitspraak van 13 februari 2006 bevestigd (200600171/1). Daarmee is het besluit op de aanvraag van 25 november 2005 in rechte onaantastbaar. 2.3. Verzoekster, van Koerdische afkomst en geboren in [plaats], provincie Duhok in Noord-Irak, heeft aan haar, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvraag van 1 augustus 2008, naast de door haar overgelegde stukken, in het bijzonder ten grondslag gelegd dat in Noord-Irak sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dat haar om die reden bescherming toekomt op grond van het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Richtlijn). In de brief van verzoeksters gemachtigde van 25 juli 2008 is dit standpunt toegelicht. 2.4. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, afgewezen. Daartoe is onder meer overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn niet kan worden aangemerkt als een voor verzoekster relevante wijziging van recht, aangezien in Noord-Irak geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict. In haar uitspraken van 20 juli 2007 (JV 2007, 442) en 3 april 2008 (JV 2008, 209) heeft de ABRS de term “binnenlands gewapend conflict” uitgelegd. Uit de ambtsberichten blijkt niet dat in Noord-Irak een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel aanwezig is die in staat is binnen Noord-Irak militaire operaties uit te voeren tegen de in KRG-gebied (KRG = Kurdistan Regional Government) aanwezige Peshmerga’s. Evenmin is er sprake van een dergelijke groepering die militaire operaties uitvoert tegen een andere groepering. Noch is gebleken dat een groepering in staat is militaire operaties uit te voeren in het KRG-gebied die aanhoudend en samenhangend van aard zijn. Verweerder neemt het standpunt in dat in Noord-Irak geen sprake is van een (intern) gewapend conflict, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn. De aanvulling op de zienswijze leidt niet tot een ander besluit. Voor zover is verwezen naar een uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 juni 2008 heeft verweerder overwogen dat iedere asielaanvraag dient te worden beoordeeld op zijn eigen merites. 2.5. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn dient te worden aangemerkt als een voor haar relevante wijziging van het recht. Daartoe voert zij aan dat uit het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire hierna: WBV) 2007/21 en de algemene ambtsberichten over Irak van 14 februari 2008 en juni 2008 blijkt van een verslechterde veiligheidssituatie in Noord-Irak. Ook uit andere bronnen, zoals het rapport van Amnesty International van 15 juni 2008, blijkt dat met enige regelmaat aanslagen, geweld en dergelijke worden gepleegd door groeperingen die er kennelijk op uit zijn het gezag van de KRG te ondermijnen. Daarnaast is het optreden van de Turkse autoriteiten en de aanwezigheid van de PKK een destabiliserende factor. De situatie in Noord-Irak kan overigens niet los worden gezien van die in Centraal-Irak, nu het immers om één staat gaat. Voorts wordt volgens verzoekster het standpunt dat in Noord-Irak sprake is van een binnenlands gewapend conflict onderschreven door uitspraken van deze rechtbank. Verzoekster betoogt dat zij ook persoonlijk nog steeds ernstige risico’s loopt indien zij gedwongen wordt terug te keren naar Noor-Irak. Zij verwijst daarbij naar hetgeen zij in haar eerdere procedure naar voren heeft gebracht. Terugzending naar Noord-Irak is volgens verzoekster in strijd met artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn. Zij meent dat om deze redenen de aanvraag niet in het aanmeldcentrum had mogen worden afgedaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn nader onderbouwd door te verwijzen naar het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 14 augustus 2008. Beoordeling van het verzoek 2.6. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 2 januari 2006 van deze rechtbank en die van de ABRS van 13 februari 2006, in rechte is komen vast te staan dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000. De aanvraag van verzoekster, die thans ter beoordeling voorligt, wordt aangemerkt als een herhaalde aanvraag. Uit de rechtspraak van de ABRS – onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007, 378 – volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de ABRS gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing. 2.7. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn wordt onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt" verstaan: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen. Ingevolge artikel 15 Richtlijn dient onder ernstige schade in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, Richtlijn te worden verstaan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.