RECHTBANK DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Sector bestuursrecht zaaknummers: AWB 08/6602 BEPTDN, AWB 08/6603 BEPTDN, AWB 08/6604 BEPTDN uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 20 januari 2009 inzake [eiseres 1], geboren op [1959], eiseres 1, en haar kinderen [eiseres 2], geboren op [1988], eiseres 2, en [eiser], geboren op [1989], eiser, allen van Iraakse nationaliteit, gemachtigde: mr. F.K.H. Blom, advocaat te Utrecht, tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. Inleiding 1.1 Bij besluit van 30 januari 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiseres 1 van 14 december 2002 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. 1.2 Bij besluiten van 30 januari 2008 heeft verweerder de aanvragen van eiseres 2 en eiser van 1 februari 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. 1.3 Eisers hebben tegen de besluiten van 30 januari 2008 beroep bij deze rechtbank ingediend. 1.4 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 9 december 2008, waar eisers in persoon zijn verschenen. Eisers en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 In geschil is of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, overwogen dat eiseres 1 zich heeft onttrokken aan het vreemdelingentoezicht. Voorts is eiseres 1 toerekenbaar ongedocumenteerd. Het relaas van eiseres 1 bezit geen positieve overtuigingskracht. Verweerder acht het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig. Eisers komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de gronden van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 2.3 Eiseres 1 heeft tegen dit besluit aangevoerd dat haar asielrelaas wel geloofwaardig is. Eiseres 1 loopt bij terugkeer naar Noord-Irak wel degelijk een risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten onrechte wordt er geen categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak gevoerd. Voorts doet eiseres een beroep op artikel 15c van de op 29 april 2004 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn). 2.4 Bij brief van 28 augustus 2008 heeft eiseres nog nadere stukken overgelegd, te weten een brief van politie Gelderland-Midden van 22 mei 2008 en een brief van Maatschappelijk Werk Noord-West Twente van 25 februari 2008. 2.5 Bij brief van 12 september 2008 heeft eiseres een brief van de huisarts d.d. 10 september 2008 overgelegd. 2.6 Bij brief van 27 november 2008 heeft eiseres ter onderbouwing van haar eerder ingenomen stellingen nog nadere stukken overgelegd: - e-mail van maatschappelijk werkster van 26 november 2008, - overzicht van het Institute for War & Peace Reporting van 18 februari 2008 - uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 22 oktober 2008 (AWB 08/34266) - Conclusie van de Advocaat-Generaal van 9 september 2008, zaak C-465/07 De rechtbank overweegt als volgt. 2.7 Niet in geschil is dat eiseres 1 op 3 augustus 2000 een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend. Bij beslissing van 4 augustus 2000 is deze aanvraag afgewezen. Op 5 augustus 2000 heeft eiseres 1 hiertegen bij verweerder bezwaar ingediend en de president van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 22 augustus 2000 (AWB 00/8840 VRWET) heeft de president van deze rechtbank te ’s-Gravenhage het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Op 14 december 2002 is onderhavige herhaalde aanvraag ingediend. 2.8 De rechtbank stelt vast dat eiseres 2 en eiser op 1 februari 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend. Eiseres 2 was destijds 12 jaar en eiser was 11 jaar. Bij beslissing van 30 januari 2008 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvragen van eiseres 2, die inmiddels 19 jaar oud is, en eiser, die inmiddels 18 jaar oud is. Voor hen is er geen sprake van een herhaalde asielvraag en dient de rechtbank niet te beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. 2.9 De rechtbank stelt voorts vast dat aan eiseres 2 en eiser in de bestreden besluiten artikel 31, tweede lid, aanhef en onder b en f, van de Vw, niet wordt tegengeworpen. Uit de bestreden besluiten en hetgeen ter zitting door verweerder is toegelicht blijkt dat aan hen niettemin een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt geweigerd, met name gelet op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van hun moeder (eiseres 1). 2.10 Het asielrelaas van eiseres 1 is door verweerder ongeloofwaardig geacht vanwege het niet hebben voldaan aan de meldplicht en het toerekenhaar ontbreken van documenten om haar identiteit, nationaliteit en reisroute te kunnen vaststellen. Ter staving van haar asielrelaas heeft eiseres 1 ook geen documenten overgelegd. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van het relaas van eiseres 1 geen positieve overtuigingskracht uitgaat, met name onder verwijzing naar de eerdere afwijzing van de aanvraag om toelating als vluchteling van 3 augustus 2000. Het tegen deze afwijzing ingediende bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is bij uitspraak van 22 augustus 2000 (AWB 00/8840 VRWET) door de president van deze rechtbank te ’s-Gravenhage ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is afgewezen. 2.11 De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen van eiseres 2 en eiser op de grond dat hun asielrelazen ongeloofwaardig zijn, onzorgvuldig is en overweegt daartoe als volgt. Blijkens hetgeen in overweging 2.8 en 2.9 is overwogen is aan eiseres 2 en aan eiser, de kinderen van eiseres 1, niet tegengeworpen het ontbreken van documenten ter ondersteuning van hun identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas, zodat voor hen niet de eis geldt dat van hun relaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Dat dit door verweerder wel wordt aangenomen blijkt uit de verwijzing in de besluiten van eiseres 2 en eiser naar de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres 1. Daarnaast is het relaas van eiseres 1 beoordeeld in 2000 ten tijde van de eerste asielaanvraag, zonder dat de relazen van de eiseres 2 en eiser bekend waren. Zij zijn pas op 1 februari 2001 Nederland ingereisd. De rechtbank constateert dat eiseres 2 en eiser, onafhankelijk van elkaar, op 1 februari 2001 hetzelfde hebben verklaard over de reisroute als hun moeder. Voorts hebben zij ook hun verblijf gedurende een aantal jaren in Iran bevestigd. Dit verblijf is echter door verweerder in het relaas van eiseres 1 ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de onderlinge samenhang van de asielrelazen niet heeft beoordeeld. Reeds hierom zijn de beroepen van eiseres 2 en eiser gegrond en dienen de bestreden besluiten van 30 januari 2008 van eiseres 2 en eiser te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. 2.12 De aanvraag van eiseres 1 van 14 december 2002 die thans ter beoordeling voorligt is een herhaalde aanvraag die getoetst dient te worden aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.13 Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. 2.14 Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 4:6 van de Awb dient een belanghebbende die buiten het geval van bezwaar en beroep wenst dat een bestuursorgaan terugkomt van een onherroepelijke beslissing en daarvoor een nieuwe aanvraag indient, nieuwe feiten en omstandigheden aan te dragen die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.