RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 2 maart 2009, gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 330688 / KG ZA 09-202 van:
(2003)maar vooral ook vanwege diverse acties door de overheid (FIOD/Marechaussee, politie Amsterdam e.o.) is zijn [[eiser sub 1]'s; voorzieningenrechter] reputatie zodanig beschadigd dat dit direct gevolgen heeft en had voor zijn zakelijke activiteiten. Deze acties en gebeurtenissen worden in de Rapportage van de Nationale Ombudsman haarfijn uit de doeken gedaan (rapportnummer; 2008/132). (...) Voorlopige uitwerking Vooruitlopend om de uiteindelijke rapportage betreffende de geleden materiële schade stellen wij een aantal posten (bijlage 1)op een rij. (...)". In bijlage 1 staan onder andere de volgende voorbeelden van schadeposten: "(...) op 19 november 2003 liep [bedrijf S.] CV vanwege een aanhouding door de marechaussee als 'ongewenst vreemdeling'. Deze aanhouding resulteerde in enige uren vasthouden met als gevolg dat de deelname tot aanbesteden werd uitgesloten. De marge enkel op deze bidding bedroeg grofweg $ 315.000,-. In 2006 liep [bedrijf S.] een 'contract' mis vanwege het feit dat het systeem zijn aanbod niet accepteerde vanwege specifieke justitiële informatie. (...) Als voorbeeld noemen wij nog een 'bidding' die misliep en waarover een marge werd vastgesteld van 48% leidende tot een nettowinst van ruim € 345.000,-. Niet alleen de desbetreffende 'bidding' liep [bedrijf S.] CV mis maar ook de mogelijkheid mee te mogen doen met toekomstige. (...) Op 6 oktober 2003 liep [bedrijf S.] CV een belangrijke order mis vanwege een onverwachte FIOD-inval. De nog openstaande offerte kon niet worden verstuurd en de deadline verstreek. Hierdoor liep [bedrijf S.] CV een omzet mis van ruim € 900.000 met een marge van 40%; per saldo dus een schadepost van € 360.000,-. Uiteindelijk zijn de zakelijke banden met dit bedrijf verbroken vanwege eerder genoemde onrechtmatige overheidsacties. (...) Havenbeheer: meerdere projecten heeft [bedrijf S.] voor dit bedrijf uitgevoerd. Hier liep ook een project die uiteindelijk niet is uitgevoerd betreffende een generatorpark. Totale omzet van dit project bedroeg € 300.500,- ; de verdienste op dit project zou grofweg € 60.000,- bedragen. Ook dit project is afgeketst (uiteindelijk uitgesloten van deelname). (...)". 2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer 2.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - de Staat: I. primair: te veroordelen tot betaling binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis aan eisers van een voorschot op schadevergoeding ten bedrage van € 300.000,-- vanwege door [bedrijf S.] B.V. geleden vermogensschade en een bedrag van € 100.000,-- aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gezamenlijk in verband met geleden immateriële schade; subsidiair: te gebieden de aanbevelingen uit het rapport van de ombudsman op te volgen, inhoudende compensatie van de door eisers geleden (im)materiële schade; meer subsidiair: die voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht; II. te gebieden om binnen vijf werkdagen na de betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te verstrekken een schriftelijke, volledige opgave van alle hen betreffende politiegegevens, justitiële en strafvorderlijke gegevens, die in de justitiële documentatie en in de persoonsdossiers bij alle betrokken beheerders van registers zijn vastgelegd, op straffe van verbeurte van een dwangsom; III. te gebieden om binnen vijf werkdagen na de betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te verstrekken een schriftelijke, volledige opgave van alle hen betreffende politiegegevens, justitiële documentatie en/of persoonsdossiers met justitiële en strafvorderlijke gegevens van [C.] en/of andere derden, uitsluitend voor zover daarin de naam en identiteitsgegevens en/of kentekens van aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] behorende auto's zijn opgenomen, op straffe van verbeurte van een dwangsom; IV. te gebieden de diverse beheerders van politiegegevens en justitiële gegevens binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis voor eigen rekening de opdracht te geven alle informatie van eisers uit de registers te verwijderen en verwijderd te houden voor zover die informatie wordt verbonden aan feiten van [C.], en eisers binnen vijf dagen nadien de wijzigingen uitgebreid schriftelijk te bevestigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom; V. te gebieden binnen zeven dagen na de betekening dit vonnis een paginagrote rectificatie te plaatsen in de zaterdageditie van de Surinaamse krant 'De Ware Tijd', alsmede in de 'Volkskrant', met de tekst zoals die in de dagvaarding is opgenomen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 2.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig jegens eisers door onjuiste gegevens over [eiser sub 1] in de diverse registers niet, althans niet spoedig, te verwijderen, ondanks meerdere verzoeken daartoe. In die registers staan achter de naam van [eiser sub 1] verscheidene drugsantecedenten vermeld, alsmede de gevarenclassificatiecode 2, terwijl die antecedenten evident zijn toe te schrijven aan [C.]. De gevarenclassificatie is het gevolg van die antecedenten. Dit heeft geleid tot hinderlijke incidenten, zoals het onnodig aanhouden en/of ophouden van [eiser sub 1] op Schiphol door de KMar, een FIOD-onderzoek dat met veel machtsvertoon is begonnen en jaren heeft geduurd en het verstrekken van uiterst beschadigende informatie over [eiser sub 1] bij de Nederlandse en Surinaamse zakenrelaties van [eiser sub 1]. De verstrekking van onjuiste informatie is gebeurd in de strafrechtelijke onderzoeken van [E.] en [F.] (zie hiervoor onder 1.11 en 1.12). De drugsantecedenten zijn op naam van [eiser sub 1] komen te staan doordat [C.] zijn identiteitsgegevens vanaf in ieder geval 1994 heeft misbruikt bij aanhoudingen door de politie. De ombudsman heeft de klacht van [eiser sub 1] tegen de politie, het parket en de KMar gegrond verklaard, omdat zij in strijd hebben gehandeld met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 1]. Hieruit blijkt het onrechtmatige handelen van de Staat. De accountant van eisers heeft een schadeberekening gemaakt waaruit blijkt dat [bedrijf S.] B.V. voor bijna vier miljoen euro aan schade heeft geleden. Thans wordt slechts minder dan 10% als voorschot gevorderd. 2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 3. De beoordeling van het geschil 3.1. De Staat heeft als verstrekkendst verweer aangevoerd dat [bedrijf S.] Holding, [bedrijf S.] C.V. en [eiser sub 2] niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vorderingen. De voorzieningenrechter volgt dit verweer. Ten aanzien van [bedrijf S.] Holding en [bedrijf S.] C.V. is gesteld noch gebleken dat zij schade hebben geleden door het beweerde onrechtmatig handelen van de Staat. De ingestelde vordering ter zake een voorschot op materiële schadevergoeding ziet immers alleen op door [bedrijf S.] B.V. geleden vermogensschade. De omstandigheid dat [bedrijf S.] Holding bestuurder is van [bedrijf S.] B.V. maakt haar nog geen partij in deze zaak. Daarnaast is onduidelijk of [bedrijf S.] C.V. thans nog een bestaande juridische entiteit is, nu eisers hebben gesteld dat [bedrijf S.] C.V. de voorloper is van [bedrijf S.] B.V. Wat betreft het gevorderde voorschot op immateriële schadevergoeding voor [eiser sub 2] heeft te gelden dat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de Staat inderdaad onrechtmatig jegens [eiser sub 1] heeft gehandeld, die handelwijze [eiser sub 2] niet (direct) heeft geraakt. Het is [eiser sub 1] die de gestelde hinder ondervindt en niet [eiser sub 2], althans daarvan is niets gebleken. 3.2. Voor wat betreft de primaire vorderingen onder I. van eisers tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, wordt vooropgesteld dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid is geboden. Niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van die vordering voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Vervolgens dient hier in aanmerking te worden genomen dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis(sen) waarop de aansprakelijkheid van de Staat rust, dat die schade hem, als gevolg van deze gebeurtenis(sen), kan worden toegerekend. Nog daargelaten of voldoende gebleken is van het beweerde onrechtmatig handelen van de Staat, heeft [bedrijf S.] B.V. het causaal verband, tussen het niet gegund krijgen van verscheidene opdrachten en de gestelde geleden vermogensschade, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zo wordt in bijlage 1 van de voorlopige rapportage, deels weergegeven onder 1.18, gesteld dat [bedrijf S.] B.V. is uitgesloten van deelneming aan een aanbesteding, maar het enkele deelnemen daaraan leidt nog niet als vanzelfsprekend tot gunning van de opdracht. Ditzelfde geldt voor het indienen van een offerte voor een opdracht. Daarnaast is de hoogte van het gevorderde voorschot op schadevergoeding onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd. Wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft [eiser sub 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, als al sprake is van reputatieschade, dat het gevolg is van gedragingen van de Staat in verband met na te noemen handelingen van de politie. Dat politieambtenaren tijdens de verhoren van zakenrelaties van [eiser sub 1] in de zaak [E.], hiervoor vermeld onder 1.11, onrechtmatige uitlatingen over [eiser sub 1] hebben gedaan vindt geen steun in de overgelegde processen-verbaal van die verhoren. In het strafrechtelijke onderzoek van [F.] zijn de zakenrelaties van [eiser sub 1], blijkens de processen-verbaal, enkel gehoord door Surinaamse politieambtenaren. De handelingen van deze ambtenaren kunnen echter niet worden toegerekend aan de Staat. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat [eiser sub 1] is aangehouden, dan wel is staande gehouden, in het bijzijn van zijn zakenrelaties, op basis waarvan hij reputatieschade zou hebben geleden. De primaire vorderingen onder I. zullen derhalve worden afgewezen. 3.3. Toewijzing van de overige vorderingen onder I. is slechts mogelijk indien voldoende aannemelijk is dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser sub 1] heeft gehandeld. Daartoe hebben eisers onder meer als incidenten aangevoerd
- i)de handelwijze van de politie(regio's),
- ii)de handelwijze van de KMar als gevolg van onder andere de OVR-melding, iii) het FIOD-onderzoek en
- iv)de onjuiste registraties in de justitiële documentatie van [eiser sub 1]. De enkele omstandigheid dat de ombudsman de klacht van [eiser sub 1] gegrond heeft verklaard, levert nog niet onmiddellijk een onrechtmatige daad op aan de zijde van de Staat. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
- i)De handelwijze van de politie(regio'
- s)3.4. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn verweer dat hij niet aansprakelijk is voor handelingen verricht door een regionaal politiekorps, althans door een daar werkzame politieambtenaar. Op grond van artikel 21 lid 4 van de Politiewet 1993 heeft elke politieregio rechtspersoonlijkheid. Dit heeft tot gevolg dat de regio zelf aansprakelijk is voor de schade, en die schade dient te dragen, die bij de regio werkzame politieambtenaren in de uitoefening van hun functie onrechtmatig aan derden toebrengen. In dit verband is het arrest van de Hoge Raad van 25 september 1992 (NJ 1994, 767) nog steeds actueel. Een uitzondering daarop dient evenwel te worden aanvaard in gevallen waarin de fout van de regiopolitie het gevolg is van een onjuiste aanwijzing van het Openbaar Ministerie; in dergelijke gevallen is de Staat (mede)aansprakelijk voor de schade. [eiser sub 1] heeft tegen dit verweer onvoldoende ingebracht waaruit een eventuele aansprakelijkheid van de Staat volgt. Het feit dat op de website van de Staat (www.justitie.
- nl)staat vermeld dat de politie in Nederland valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, is onvoldoende voor het scheppen van aansprakelijkheid voor de Staat. Dit geldt evenzo voor het door eisers bedoelde arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004 (NJ 2005, 391) waarin de gemeente medeaansprakelijk wordt gehouden voor de schade op grond van het feit dat de burgemeester als korpsbeheerder het gezag heeft over de regiopolitie. Deze situatie ziet op de (mede)aansprakelijkheid van de gemeente, die immers een eigen publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid bezit, naast die van de regio zelf, terwijl deze gezagsverhouding -anders dan de door eisers bedoelde verantwoordelijkheid van de Staat - verankerd is in de artikelen 23 e.v. van de Politiewet 1993. Los van de vraag of door politieambtenaren van enkele regionale politiekorpsen onrechtmatig is gehandeld door het doen van een onnodige softsignalering en het onjuist informeren van zakenrelaties van [eiser sub 1], leidt het voorgaande tot de slotsom dat, hoe kafkaësk het volgens het rapport van de ombudsman wellicht ook is, de Staat niet aansprakelijk is voor handelingen verricht door de verscheidene politieregio's. Voor het vergoeden van eventuele (im)materiële schade dienen [eiser sub 1] en [bedrijf S.] B.V. zich te wenden tot de desbetreffende politieregio. Overigens blijkt uit het rapport van de ombudsman dat na raadpleging van de Centrale Verwijzingsindex (CVI) naar voren is gekomen dat [eiser sub 1] niet meer in de HKS-systemen van de regio's Rotterdam/Rijnmond en Amsterdam/Amstelland voorkomt. Het een en ander leidt tot de slotsom dat de vorderingen onder II., III. en IV., voor zover deze zien op het verstrekken van gegevens uit de politieregisters, dienen te stranden. 3.5. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de Staat, ondanks het gebrek aan directe zeggenschap over de politieregio's, bereid is elke politieregio aan te schrijven met het verzoek het politieregister te schonen wat betreft onjuiste antecedenten van [eiser sub 1]. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Staat dit aanbod gestand doet.
- ii)De handelwijze van de KMar als gevolg van onder andere de OVR-melding 3.6. De handelwijze van de KMar ziet op de extra controles die [eiser sub 1] op onder meer Schiphol moet ondergaan. Deze extra controles zijn voornamelijk terug te voeren op de onjuiste registraties van [eiser sub 1] in de HKS-systemen van de desbetreffende politieregio's. Gesteld noch gebleken is dat de KMar invloed heeft op wat in die systemen staat vermeld. De KMar kan dan ook niet aansprakelijk gehouden worden voor de gevolgen die ontstaan zijn door deze onjuiste registraties. Met betrekking tot de OVR-melding wordt overwogen dat [eiser sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst geregistreerd staat als ongewenst vreemdeling. Vast staat dat [C.] sinds juli 2000 als zodanig geregistreerd staat. Nu [C.] zich klaarblijkelijk bedient van de alias '[eiser sub 1]', staat die naam wel als alias geregistreerd bij zijn registraties. Deze registratie is alleszins begrijpelijk, nu die strekt ter voorkoming van het betreden van het Nederlandse grondgebied door [C.]. Dat [eiser sub 1] tijdens het reizen naar het buitenland via onder andere Schiphol daarvan hinder ondervindt, is volstrekt aannemelijk. Het is aan de Staat om zorg te dragen dat die hinder voor [eiser sub 1] tot een minimum beperkt wordt, hetgeen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op redelijk eenvoudige wijze zou moeten kunnen geschieden. De voorzieningenrechter nodigt de Staat uit om daarover met [eiser sub 1] in gesprek te gaan. iii) Het FIOD-onderzoek 3.7. Voor het vaststellen of de Staat in het FIOD-onderzoek een onrechtmatige overheidsdaad heeft gepleegd, dient het volgende als uitgangspunt te worden genomen. Zo uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak niet van de onschuld van de verdachte en derhalve van het ongefundeerd zijn van de verdenking blijkt, is de verdachte voor het verkrijgen van schadevergoeding ter zake van het gebruik van strafvorderlijke dwangmiddelen aangewezen op de mogelijkheden die de artikelen 89-93, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering hem bieden. Hieruit vloeit voort dat degene van wiens onschuld niet uit het strafvorderlijk onderzoek blijkt, een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat voor de burgerlijke rechter zal moeten gronden op andere feiten dan het enkele gebruik van een dwangmiddel op grond van een verdenking die achteraf ongefundeerd is gebleken. 3.8. De Staat heeft zich verweerd met de stelling dat het FIOD-onderzoek was gebaseerd op de MOT-melding van 15 november 2001, die kort gezegd inhield dat een zekere [D.] een bedrag van ƒ 700.000,-- in een kluis had gedeponeerd waarvoor [eiser sub 1] gemachtigde was. Vast staat dat in deze zaak geen sprake is geweest van een persoonsverwisseling met [C.] of een ander. De MOT-melding zag derhalve op [eiser sub 1] zelf. Gezien de hoogte van het bedrag, ƒ 700.000,-- in contanten, is het alleszins begrijpelijk dat daarnaar nader onderzoek is gedaan door middel van een gerechtelijk vooronderzoek. Dat door de onjuiste gevarenclassificatiecode 2 de doorzoeking van de woning van [eiser sub 1] is ondersteund door planmatig opgeleide vuurwapendragers, een zogenoemd arrestatieteam, leidt nog niet tot de slotsom dat er onrechtmatig is gehandeld. Het hof Amsterdam heeft in die strafzaak al geoordeeld dat de doorzoeking wellicht minder ingrijpend zou zijn geweest als de gevarenclassificatiecode buiten beschouwing was gelaten, maar dat hier geen sprake is geweest van handelen in strijd met fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Daarnaast heeft [eiser sub 1] niet gesteld dat uit het strafdossier evident blijkt dat hij onschuldig is. Dit blijkt evenmin uit het arrest van het hof, waarin deze oordeelt dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen hem niet de overtuiging is bekomen, dat [eiser sub 1] de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Het voorgaande brengt, gezien het onder 3.7 vermelde criterium, mee dat onvoldoende is gebleken van onrechtmatig handelen van de Staat in het FIOD-onderzoek.
- iv)De onjuiste registraties in de justitiële documentatie van [eiser sub 1] 3.9. De Staat heeft erkend dat twee veroordelingen ten onrechte in de documentatie van [eiser sub 1] terecht zijn gekomen, maar dat deze thans daaruit zijn verwijderd. Dit wordt ondersteund door het rapport van ombudsman, deels weergegeven onder 1.17. Daarnaast heeft de Staat toegegeven dat de vrijspraak van [eiser sub 1] in de strafzaak voor het hof Amsterdam van 11 oktober 2004 pas twee jaar na uitspraakdatum is ingeschreven in de justitiële documentatie. [eiser sub 1] heeft gesteld dat hij daardoor in december 2006 geen verklaring van geen bezwaar heeft kunnen verkrijgen voor de oprichting van [bedrijf S.] B.V. en [bedrijf S.] Holding, vanwege de verstekveroordeling in eerste aanleg in 2002. Dit is wellicht nalatig geweest van de Dienst Justitiële Informatie van de Staat, maar deze late inschrijving heeft hooguit voor vertraging gezorgd in de oprichting van de vennootschappen. Vast staat immers dat [eiser sub 1] kort na 26 januari 2007 alsnog de verklaringen heeft ontvangen en dat de vennootschappen thans zijn opgericht. Niet gebleken is dat een van de vennootschappen daardoor schade heeft geleden. 3.10. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser sub 1] heeft gehandeld. Dit brengt mee dat de grondslag voor hetgeen onder I. (meer) subsidiair, II., III., IV. en V is gevorderd, ontbreekt. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de door de Staat aangeboden coulancebetaling van € 5.000,-- billijk is, in het licht van de door [eiser sub 1] ondervonden hinder met betrekking tot de handelingen van de KMar, zoals overwogen onder 3.6, en de nalatigheid van de Dienst Justitiële Informatie ten aanzien van de registraties in de justitiële documentatie van [eiser sub 1], zoals overwogen onder 3.9. 3.11. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. 4. De beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart [eiser sub 2], [bedrijf S.] Holding en [bedrijf S.] C.V. niet-ontvankelijk in hun vorderingen; - wijst de vorderingen van [eiser sub 1] en [bedrijf S.] B.V. af; - veroordeelt eisers om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht, aan de Staat te betalen; - bepaalt dat eisers bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2009