RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector familie- en jeugdrecht Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 08-4790 Zaaknummer: 313745 Datum beschikking: 17 februari 2009 Alimentatie Beschikking op het op 20 juni 2008 ingekomen verzoek van: [man], wonende te [plaats], hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M.H.C. Morshuis te 's-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [vrouw] wonende te [plaats], hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.A.D. Bloemsma te Huizen. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift; - de brief d.d. 9 januari 2009 van de zijde van de man met bijlagen; - het faxbericht d.d. 12 januari 2009 van de zijde van de vrouw met bijlagen. Op 20 januari 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen vergezeld van hun advocaten. Van de zijde van zowel de man als de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Feiten Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1986 tot [datum] 1994. Uit het huwelijk is het volgende kind van partijen geboren: - [minderjarige], op [datum] 1989, te [plaats] In het echtscheidingsconvenant d.d. 13 november 1993 aangehecht aan de beschikking van deze rechtbank en kamer d.d. 2 februari 1994 zijn partijen - voor zover hier van belang - de volgende regeling overeengekomen: "Artikel 2.1: Partijen zijn van mening dat het in het belang is van hun minderjarige kind dat de ouderlijke macht van hen beiden in stand blijft. De hoofdverblijfplaats van het kind is bij de moeder te [plaats]. Noch de man noch de vrouw zal een poging doen het kind op te eisen. Artikel 2.3: De man zal als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind aan de vrouw betalen een bedrag van Fl. 300,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. De vrouw zal de kinderbijslag aanvragen en innen en besteden aan uitgaven ten behoeve van het kind. Deze alimentatie is onderworpen aan de wettelijke indexering op grond van artikel 402a boek 1 BW"; Artikel 2.4: De man verplicht zich de onderwijskosten van het kind voor 50% voor zijn rekening te nemen". Verzoek, grondslag en verweer Het verzoek van de man luidt: I de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 32.349,90; II de vrouw te veroordelen om als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te bepalen aan de man een bedrag van € 6.600,- terzake van achterstallige alimentatie over de periode 1 augustus 2005 tot 7 juni 2007; III de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt: I de man in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren dan wel de vorderingen af te wijzen, zijnde ongegrond en onbewezen; II de man te veroordelen in de kosten van dit geding, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Beoordeling De man heeft gesteld dat partijen in het convenant weliswaar zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats bij de vrouw is, maar dat de minderjarige feitelijk gedurende de schooljaren 2003-2004 en 2004-2005 op een internaat verbleef en sinds de zomer 2005 bij de man woont. De man verzoekt ten laste van de vrouw met terugwerkende kracht vast te stellen een aan de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van het kind alsmede de vrouw te veroordelen om aan de man te vergoeden de helft van de door hem betaalde onderwijs- en andere kosten ten behoeve van het kind. Ter terechtzitting heeft de man desgevraagd verklaard dat het bepaalde in artikel 1:392 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) alsmede de redelijkheid en billijkheid ten grondslag liggen aan zijn verzoeken. Het verzoek tot vergoeding van de onderwijskosten baseert hij op artikel 2.4 van het echtscheidingsconvenant. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Ontvankelijkheid De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft primair betwist dat de man ontvankelijk is in onderhavig verzoek tot betaling van (achterstallige) kosten van het kind. Zij stelt dat deze vordering niet bij verzoekschrift maar bij dagvaarding ingeleid had moeten worden. De man heeft deze stelling van de vrouw weersproken. In navolging van de Hoge Raad in zijn arresten van 28 december 1992 (LJN: ZC 0531) en van 2 mei 2003 (LJN: AF8125) is de rechtbank van oordeel dat in zaken betreffende kosten van levensonderhoud van een kind verschuldigd krachtens Boek 1 BW het volgen van de verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven moet worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten. Nu de man - naar de rechtbank begrijpt - zijn verzoeken (deels) baseert op grond van artikel 1:392 BW en op het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant is de man ontvankelijk. Verzoek I Nu de man zijn verzoek tot betaling door de vrouw van € 32.349,90 heeft gesplitst in een bedrag van € 4.135,66 ter zake - naar de rechtbank begrijpt - van vergoeding van (achterstallige) kosten voor levensonderhoud van het kind en een bedrag van € 28.214,21 aan vergoeding van de onderwijskosten die de man stelt te hebben gemaakt, zullen deze posten apart worden behandeld. Ad 1 de onderwijskosten De man heeft gesteld dat uit artikel 2.4 van het convenant volgt dat de vrouw gehouden is om 50% van de onderwijskosten van de minderjarige voor haar rekening te nemen. De man stelt dat de vrouw ten titel van onderwijskosten aan hem verschuldigd is de som van € 28.214,21 te weten de helft van de volgende posten: tabel De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist. De rechtbank begrijpt het verweer van de vrouw aldus dat zij erkent dat partijen zijn overeengekomen dat ieder 50% van de onderwijskosten voldoet, echter slechts zolang de minderjarige bij de vrouw woont. Subsidiair stelt de vrouw dat de kosten van het internaat slechts huisvestingskosten betreffen en dat deze geen betrekking hebben op kosten van onderwijs. Voor zover er al sprake zou zijn van onderwijskosten verdisconteerd in de internaatkosten dan zijn deze niet uitgesplitst, aldus de vrouw. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie overeenkomsten niet slechts dienen te worden uitgelegd op basis van hun letterlijke bewoordingen, maar dat het hierbij ook aankomt op de zin die partijen aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, Haviltex). De rechtbank is op grond van voornoemd Haviltex-criterium van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2.4 van het convenant met zich brengt dat de vrouw gehouden is om 50% bij te dragen van de kosten die daadwerkelijk zijn besteed aan onderwijs van het kind. Gelet op de redactie van artikel 2.4 in onderlinge samenhang bezien met de laatste zin van artikel 2.1 was het de kennelijke bedoeling van partijen dat iedere ouder de helft van de onderwijs-kosten op zich zou nemen, ongeacht de hoofdverblijfplaats van het kind. Derhalve ligt de vraag voor of de hiervoor onder a tot en met j aangegeven kosten als onderwijskosten zijn aan te merken en zo ja, welke kosten daarvan door de vrouw aan de man dienen te worden vergoed. Ad. a en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.