vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 318546 / HA ZA 08-2918 Vonnis van 1 april 2009 in de zaak van 1. [X] (voor zichzelf en als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige [Z), wonende te [woonplaats], 2. [Y], [echtgenote van X], wonende te [woonplaats], 3. [Z], [zoon van X], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. K.B. Larooij, te 's-Gravenhage, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. C.M. Bitter, te 's-Gravenhage. Partijen worden hierna [X] c.s. en de Staat genoemd. Eiser sub 1 wordt aangeduid als [X], eiseres sub 2 als [Y] en eiser sub 3 (de minderjarige voor wie [X] tevens optreedt) als [Z]. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 21 augustus 2008; - de conclusie van antwoord, van 15 oktober 2008; - het tussenvonnis van 29 oktober 2008, waarbij een comparitie van partijen is bevolen; - het proces-verbaal van comparitie van 26 februari 2009, waarin melding is gemaakt van de brief van 12 februari 2009 van de advocaat van [X] c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. Hiertoe is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. 2. De feiten 2.1. [X] woont aan het adres [adres 1]. Op 26 juli 2004 is hij in zijn auto, een Peugeot met het kenteken [kenteken] (hierna: de Peugeot of de auto), naar Den Haag gereden. Hij was de bestuurder, naast hem zat de heer [A] (hierna: de bijrijder). 2.2. Op diezelfde dag om ongeveer 13.00 uur hebben twee wachtmeesters (hierna te noemen: de verbalisanten) van de Koninklijke Marechaussee, die werkzaam waren bij de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten en als zodanig waren betrokken bij de persoonsbeveiliging op het Buitenhof in Den Haag, de Peugeot waargenomen op het Buitenhof. De auto reed toen langs de aan het Buitenhof gelegen McDonalds in de richting van het Binnenhof. De verbalisanten zaten in een onopvallende dienstauto, eveneens op het Buitenhof. Volgens een door hen opgemaakt rapport van bevindingen, van 26 juli 2004, hebben zij gezien dat de bijrijder in de Peugeot in zijn rechterhand een videocamera hield, die was gericht in de richting van de (aan het Buitenhof gelegen) Israëlische ambassade. Zij hebben de Peugeot daarop gevolgd. Via de meldkamer van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiligingen heeft één van hen de tenaamstelling van de Peugeot opgevraagd. Daaruit bleek dat de auto op naam stond van [X]. 2.3. De verbalisanten hebben verder gerapporteerd dat de Peugeot, komend van het Buitenhof, langzaam de Hofweg is opgereden en is omgekeerd om via de tegenovergestelde richting terug te rijden. Hierbij reed de auto langs het Binnenhof. Een van de verbalisanten heeft gezien dat de videocamera van de bijrijder gericht was op het Binnenhof en op het gebouw van de Eerste Kamer. De auto reed volgens hun rapport verder over de Kneuterdijk en de Parkstraat in de richting van Plein 1813. Een van de verbalisanten zag dat de bestuurder met zijn rechterhand zat te bellen. 2.4. De verbalisanten hebben besloten de auto te doen stoppen. Hieraan is uitvoering gegeven op 26 juli 2004 om 13.04 uur op Plein 1813 nabij de Alexanderstraat. De verbalisanten hebben de beide inzittenden gevraagd naar hun identiteitspapieren. Nadat [X] en de bijrijder zich hadden geïdentificeerd, heeft een van de verbalisanten hun gevraagd wat en waarom er was gefilmd. Daarop zei [X] - nog steeds volgens het bedoelde rapport - dat de bijrijder een toerist was en gewoon aan het filmen was. Deze verbalisant heeft daarop aan de bijrijder gevraagd of hij de film mocht zien. De bijrijder heeft aan dit verzoek gehoor gegeven. Het rapport vermeldt dat de verbalisant het navolgende heeft gezien op het videoscherm van de camera: "Rijdend over de Zuid-Hollandlaan richting de Koningskade, hierbij werd ingezoemd op het grote blauwe verkeersbord met daarop: Parkeren centrum, Binkhorst, Nieuwe Laakhaven. Bij de verkeerslichten gingen ze linksaf de Koningskade op. Hier filmden ze de rechterzijde van de weg. Bij de verkeerslichten gingen ze rechtsaf de Korte Voorhout op. Op de korte Voorhout is de achterzijde, zijzijde en voorzijde van de Amerikaanse Ambassade gefilmd. Hierbij werd kort ingezoemd op een witte Observatiecabine Permanente toezicht van de dienst Bureau Orde en Bewaking en Beveiliging Haaglanden. Zij reden toen over het Tournooiveld de Lange Vijverberg op. Hier werd de rechterzijde van de weg gefilmd. De camera werd af en toe naar de voorzijde gericht en werd er door de voorruit gefilmd. Aan het einde van de Lange Vijverberg zijn zij linksaf geslagen de Buitenhof op. Hier werd de rechterzijde gefilmd waar de Israëlische Ambassade is gelegen. Ongeveer 30 meter na de McDonalds zijn zij op de Buitenhof gekeerd over de trambaan. Terugrijdend over de Buitenhof is wederom de rechterzijde gefilmd. Hierop waren de gebouwen van het parlement op het Binnenhof te zien." Volgens het rapport heeft de verbalisant hierna de camera uitgezet. De camera is aan de bijrijder teruggegeven. 2.5. Twee dagen later, op 28 juli 2004, is wegens verdenking van overtreding van de artikelen 157 en/of 170 en/of 287/289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in verbinding met de artikelen 46 en 47 Sr - kort samengevat: voorbereidingshandelingen ter zake van een terroristische aanslag - een opsporingsonderzoek aangevangen. Hierbij is rekening gehouden met het ambtshalve bekende gegeven dat bij een verijdelde aanslag op de kerstmarkt in Straatsburg "voorverkennende" opnamen waren gemaakt van objecten. Deze informatie was bekend door een BBC-documentaire van 10 februari 2004 over onder meer Al Qaida. Daarin waren beelden te zien van voorverkenningen met behulp van een videocamera. In de documentaire waren behalve beelden van de genoemde kerstmarkt beelden te zien van een Amerikaans marineschip in vermoedelijk de haven van Singapore. 2.6. In het kader van het opsporingsonderzoek is de inzet van meerdere (bijzondere) opsporingsbevoegdheden bevolen. De officier van justitie heeft op 28 juli 2004 op grond van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een bevel tot observatie van [X] en één of meerdere persoon/personen verblijvende in of bezoekers van de woning van [X] in [woonplaats] gegeven. Daarvoor konden tevens technische hulpmiddelen worden aangewend. Op diezelfde dag heeft de officier van justitie op grond van artikel 126m Sv bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechter-commissaris) mondeling driemaal een machtiging gevorderd voor een bevel tot het opnemen van telecommunicatie. De vordering is op 29 juli 2004 op schrift gesteld. De rechter-commissaris heeft op 29 juli 2004 de gevraagde machtigingen verleend voor een periode van maximaal vier weken. Hierop heeft de officier de desbetreffende opnamen van telecommunicatie bevolen. 2.7. Het opsporingsonderzoek heeft onder meer geleid naar het adres [adres 2], waar de bijrijder en twee andere mannen bleken te verblijven. 2.8. De onder 2.4 vermelde waarnemingen van de verbalisanten bij het zien van de videobeelden op 26 juli 2004 zijn in het verdere opsporingsonderzoek (deels) bevestigd door beelden van (beveiligings)camera's van diverse locaties in Den Haag. 2.9. Op 30 juli 2004 om 14.55 uur is [X] in opdracht van de officier van justitie buiten heterdaad aangehouden op de openbare weg in [woonplaats], nabij een moskee. De aanhouding is geschied door een arrestatieteam van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. De hulpofficier van justitie heeft op diezelfde dag zijn inverzekeringstelling bevolen. Nadien, eveneens op 30 juli 2004, heeft de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, de woning van [X] aan de [adres 1] doorzocht ter inbeslagneming. Deze doorzoeking is voorafgegaan door het binnentreden van een arrestatieteam om 16.39 uur. Het hiervan opgemaakte "Verslag van binnentreden" vermeldt dat de binnentreding is geschied tegen de wil van de bewoner ([X]), "ter aanhouding van NN", en houdt verder onder meer het volgende in: "Ingevolge de bepalingen artikel 1, lid 2 van het Algemene wet op het binnentreden heeft vooraf aan het binnentreden geen legitimatie en mededeling van het doel aan de bewoner plaatsgevonden daar de verdachte vermoedelijk gewapend zou zijn en hiervan mogelijk gebruik zou maken. Aan deze verplichting werd voldaan op het moment dat de omstandigheden dit toelieten. In de woning bevonden zich een moeder met haar kind." 2.10. De in dit verslag genoemde moeder en kind waren [Y] en [Z]. [Y] is de echtgenote van [X]. [Z] is hun zoon, toen ongeveer anderhalf jaar oud. [Y] was zwanger. 2.11. In de woning van [X] is bij de doorzoeking onder meer een videoband in beslag genomen. Een ambtsedig proces-verbaal gedateerd 4 augustus 2004 van de genoemde regiopolitie vermeldt onder meer dat op deze band beelden zijn te zien van propagandamateriaal gericht tegen het Saoedi-Arabische koningshuis, van een oproep om zich te verenigen tegen "de Amerikaanse kruistocht" en hen die zich scharen achter Amerika en van (fragmenten van) gesprekken met personen die een zelfmoordaanslag gaan plegen en met Osama Bin Laden. In de woning is ook een groen identificatiedocument van [X] aangetroffen met personalia die niet overeenkwamen met de personalia die zijn vermeld in zijn Nederlandse paspoort. 2.12. Op 30 juli 2004 is ook de woning aan de [adres 2] doorzocht. Daar is een videocassette aangetroffen met opnamen en gesproken tekst, in de Nederlandse en de Arabische taal. Verder zijn in die woning onder meer enkele vuurwapens, patroonhouders, munitie en een kogelvrij vest aangetroffen. Ook al deze zaken zijn in beslag genomen. Blijkens een ambtsedig proces-verbaal van 1 augustus 2004 van de genoemde regiopolitie zijn op de band van de videocassette opnamen te zien die zijn gedateerd op 26 juli 2004. Uit de opnamen valt volgens het proces-verbaal op te maken dat de bijrijder en [X] samen op weg zijn naar en in Den Haag. Te horen is dat [X] vertelt waar zij rijden. Ondertussen filmt de bijrijder de route. 2.13. Bij beschikking van 2 augustus 2004 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat de inverzekeringstelling van [X] niet onrechtmatig was en de vordering van de officier van justitie tot de bewaring van [X] toegewezen. De raadkamer van de rechtbank Rotterdam heeft op 9 augustus 2004 zijn gevangenhouding bevolen en vervolgens op 6 september 2004 de gevangenhouding voor de eerste maal verlengd. Een hoger beroep van [X] tegen deze verlenging is verworpen door de raadkamer van het gerechtshof 's-Gravenhage bij beschikking van 7 oktober 2004. Inmiddels had de raadkamer van de rechtbank Rotterdam op 4 oktober 2004 een tweede verlenging van de gevangenhouding bevolen. Gedurende de voorlopige hechtenis hebben voor [X] tot 27 augustus 2004 beperkende maatregelen gegolden. 2.14. Op 13 september 2004 heeft het landelijk parket, onderdeel van het openbaar ministerie (hierna: het OM) en orgaan van de Staat, een persbericht uitgegeven over de aanhouding van [X] en de bijrijder op 30 juli 2004 en over de reden daarvoor. Hierin is onder meer vermeld dat de voorlopige hechtenis van de (in totaal inmiddels vier) verdachten is verlengd en dat het onderzoek zich richt op mogelijke connecties tussen de verdachten en radicale islamistische organisaties. Het bericht vermeldt voorts dat nog wordt onderzocht of één of meer verdachten, afgezien van verboden wapenbezit, kunnen worden vervolgd voor het voorbereiden van een terroristische aanslag. 2.15. Op 13 oktober 2004 is [X] gedagvaard voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam op verdenking van overtreding van artikel 231 lid 2 Sr (kort gezegd: het bezitten van een vals reisdocument). De verdenking ter zake van voorbereidingshandelingen voor een terroristische aanslag heeft niet tot een dagvaarding geleid. Ter zitting van 3 november 2004 heeft de rechtbank Rotterdam, op vordering van de officier van justitie, de onmiddellijke invrijheidstelling van [X] gelast. Hieraan is uitvoering gegeven. De genoemde rechtbank heeft bij vonnis van 17 november 2004 het tenlastegelegde feit bewezen verklaard; de rechtbank heeft [X] terzake veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. In een door [X] hiertegen ingesteld hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 9 februari 2006 het vonnis van 17 november 2004 vernietigd en [X] vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het hof heeft hiertoe overwogen dat naar zijn oordeel niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan [X] is tenlastegelegd. Volgens het hof was uit het onderzoek ter zitting onvoldoende komen vast te staan dat de gegevens in het onder 2.11 bedoelde groene document de juiste gegevens van [X] zijn. 2.16. Bij afzonderlijke beschikkingen van 9 mei 2007 heeft het gerechtshof aan [X], op zijn verzoek, vergoedingen toegekend van € 14.400 en van € 540. Eerstbedoelde vergoeding berust op artikel 89 Sv, de tweede vergoeding op artikel 591a Sv. In de beschikking ingevolge artikel 89 Sv heeft het hof onder meer het volgende overwogen: "Het hof acht [...] gronden van billijkheid aanwezig alsmede een omstandigheid die een hogere vergoeding dan normaal rechtvaardigt, namelijk de verergering van de psychische klachten van de verzoeker door de detentie, en zal derhalve aan de verzoeker voor de tijd die hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten van 30 juli 2004 tot en met 3 november 2004, een schadevergoeding toekennen van € 150,00 per dag." 2.17. Over de psychische toestand van [X], van [Y] en van [Z] zijn in 2007 en 2008 diverse rapporten uitgebracht. Dit betreft een neuropsychologisch onderzoek en een psychologische beoordeling ten aanzien van [Y], een psychologische rapportage betreffende [X] en een psychodiagnostisch alsmede een gezinsonderzoek bij (of ten aanzien van) [Z]. In deze rapporten wordt, zeer kort samengevat, melding gemaakt van traumatisering van de betrokkenen als gevolg van de gebeurtenissen die hun op en na 30 juli 2004 zijn overkomen. In de stukken betreffende [Y] is onder meer vermeld dat zij kort na de doorzoeking van haar woning een spontane miskraam heeft gekregen. 3. Het geschil 3.1. [X] c.s. vorderen, samengevat: a. de verklaring voor recht dat de Staat als gevolg van het onterechte strafvorderlijke optreden en de onterechte toepassing van dwangmiddelen onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld; b. de veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door elk van hen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat; c. de veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding. 3.2. [X] c.s. leggen hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Van het begin af aan heeft een rechtvaardiging voor het strafvorderlijke optreden jegens [X] ontbroken. Dit optreden was immers, beoordeeld naar het tijdstip waarop het heeft plaatsgevonden, in strijd met het publieke recht. Zo heeft van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv ontbroken. Hierdoor zijn de verdere vaststellingen onrechtmatig verkregen. Afgezien daarvan waren de aanhouding van [X] en de doorzoeking van zijn woning disproportioneel, mede door het daarbij toegepaste geweld. Ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke norm is gehandeld, blijkt uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken van de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak, van de onschuld van hem, [X], en van het ongefundeerd zijn van de (zeer ernstige) verdenking waarop het optreden van politie en justitie heeft berust. Dusdoende heeft de Staat onrechtmatig gehandeld ten opzichte van ieder van [X] c.s. Door dit handelen hebben zij aanzienlijke, nog voortdurende, psychische en materiële schade geleden. Vlak na het binnenvallen in de woning heeft [Y] een spontane miskraam gekregen. Ook overigens heeft de Staat onrechtmatig gehandeld. [X] is tijdens zijn voorlopige hechtenis dusdanig mishandeld dat hij naar het Ziekenhuis [naam] is overgebracht, waar hij, tot overmaat van ramp, verkeerde medicijnen toegediend heeft gekregen. Hierdoor heeft hij verdere schade geleden. Voorts zijn zijn eer en goede naam aangetast door de onder 2.14 aangehaalde perspublicatie en een optreden van de minister van Justitie in het tv-programma Buitenhof op 12 september 2004. Ook deze uitingen waren tegenover hem onrechtmatig. 3.3. Over het gebeurde op 26 juli 2004 heeft [X] tijdens de comparitie een verklaring gegeven die in het kort het volgende inhoudt. Via een bekende van hem in [woonplaats] - een zekere [B] (in een door de Staat overgelegd proces-verbaal aangeduid als [naam], toevoeging van de rechtbank), een man van Surinaamse komaf die is bekeerd tot de islam - is hij kort vóór de genoemde datum in contact gekomen met de bijrijder, een Saoedische zakenman, die als toerist in Nederland was. Deze had voor een Marokkaanse vrouw met wie hij naar Saoedi-Arabië wilde reizen, een visum voor dit land nodig. De bijrijder had een videocamera. Desgevraagd is [X] samen met deze man, in de Peugeot, van [woonplaats] naar Den Haag gereden om daar op de Saoedische ambassade het visum te verkrijgen. In [woonplaats] zelf en ook onderweg op allerlei plaatsen heeft de bijrijder, als toerist, video-opnamen gemaakt. In Den Haag, waar hij zelf de weg niet kende, is [X] de weg kwijtgeraakt. Hij heeft, rijdend in de auto, met zijn mobiele telefoon contact opgenomen met de Saoedische ambassade om de juiste route te vragen. Op aanwijzingen van zijn gesprekspartner daar, een meisje, heeft hij de weg vervolgd. Opnamen van de Israëlische ambassade zijn niet gemaakt. De bijrijder en hij hebben niet gesproken over te maken of gemaakte opnamen. Zelf heeft hij de beelden van de in beslag genomen band nooit gezien, zij het dat gedeelten daaruit zijn getoond in het tv-programma Reporter van 1 mei 2005. Uit de daar betoonde beelden blijkt dat op de band veel meer is vastgelegd dan de door de Staat genoemde objecten en routes in Den Haag. 3.4. De Staat voert verweer. Hij betwist de gestelde onrechtmatigheid. 3.5. Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling Algemeen 4.1. [X] treedt (als eerste eiser) zowel voor zichzelf als voor [Z] op. De vermelding van [Z] als derde eiser heeft dus geen zelfstandige betekenis. 4.2. In het navolgende zal de rechtbank onderscheid maken tussen de positie van [X] zelf (hierna onder A) en die van [Y] en [Z] (hierna onder B). A. De positie van [X] Het toetsingskader voor de burgerlijke rechter ten aanzien van de strafvorderlijke maatregelen 4.3. De vordering is in hoofdzaak gebaseerd op de stelling dat de Staat jegens [X] onrechtmatig heeft gehandeld bij de toepassing van strafvorderlijke maatregelen. Volgens vaste rechtspraak - die alle partijen en ook de rechtbank tot uitgangspunt nemen - is voor aansprakelijkheid van de Staat wegens onrechtmatig handelen in dit opzicht plaats als: a. de toepassing van de maatregel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.