vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 166045 / HA ZA 01-2624 Vonnis van 1 april 2009 in de zaak van de openbare rechtspersoon HET WATERSCHAP DE ZEEUWSE EILANDEN, zetelende te Goes, eiser, advocaat mr. H.J.A. Knijff te 's-Gravenhage, tegen 1. de naamloze vennootschap KPN N.V., rechtsopvolgster van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN Telecom B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, advocaat mr. M. van Rijn te 's-Gravenhage, en 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A.] WATERKABELWERKEN B.V., voorheen gevestigd te [plaats], procedure geschorst op grond van artikel 29 van de Faillissementswet. Partijen zullen hierna het Waterschap, KPN en [A.] worden genoemd. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 augustus 2001, - de conclusie van eis van 25 september 2001, met producties, - de incidentele conclusie van [A.] tot oproeping in ondervrijwaring van 18 december 2001, - de incidentele conclusie van antwoord van 15 januari 2002, - het incidenteel vonnis van 6 februari 2002, - de conclusie van antwoord van KPN van 9 april 2008, met producties, - de conclusie van repliek van 2 juli 2008, met producties, - de conclusie van dupliek van KPN van 24 september 2008, met producties, - de akte overlegging producties van de zijde van het Waterschap van 16 februari 2009, met producties, - de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken. De procedure tegen [A.] is op 18 juni 2002 geschorst vanwege het faillissement van [A.]. De proceshandelingen die nadien zijn verricht, gelden slechts in de procedure tussen het Waterschap en KPN. Ten slotte is vonnis bepaald. De feiten KPN had in 1999 als bedrijfsomschrijving: "Het uitoefenen, al dan niet op grond van daartoe door de Staat der Nederlanden verleende concessies, van het telecommunicatiebedrijf, een en ander in de ruimste zin". [A.] is een aannemer, gespecialiseerd in waterkabelwerken. KPN was in 1999 voornemens een bundel glasvezelkabels te laten leggen tussen Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland. De Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) heeft op 31 mei 1999 aan KPN vergunning verleend om de kabels in de bodem van de Oosterschelde te leggen. KPN heeft aan het Waterschap ontheffing gevraagd van het in de Verordening waterkering en waterbeheersing Zeeland neergelegde verbod om kabels in dijken te leggen. Het Waterschap heeft de ontheffing verleend voor een doorkruising van de Oosterscheldedijk bij Zierikzee, ter hoogte van de Zeelandbrug. Het Waterschap heeft op een kaart bij de ontheffing het tracé aangegeven dat bij de aanleg in de Oosterschelde moest worden gevolgd. Vlakbij de plaats van de toegestane dijkdoorkruising ligt een korte strekdam, de Galgenol. [A.] heeft in opdracht van KPN op 12 juli 1999 een sleuf in de Oosterscheldedijk gegraven, kabels in de sleuf gelegd en de sleuf gedicht. Vervolgens heeft [A.] vanaf een gat enige meters uit de kust door middel van een jetinstallatie een sleuf in de bodem van de Oosterschelde gespoten en daarin kabels getrokken. [A.] is bij het leggen van de kabels in de bodem afgeweken van het vergunde tracé in die zin dat de kabels dichter bij de Galgenol zijn komen te liggen dan was toegestaan. Aan het eind van de middag van 12 juli 1999 is bij de Galgenol een zogenaamde dijkval opgetreden. Een deel van de kop van de strekdam is verzakt en onder water verdwenen. Het Waterschap heeft KPN en [A.] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de dijkval. Het geschil Het Waterschap vordert na uitbreiding van de grondslag van de vordering - samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van KPN en [A.] tot betaling van EUR 360.287,96, vermeerderd met rente en kosten. De vordering bestaat uit een hoofdsom van EUR 354.710,95 en een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van EUR 5.577,01. Het Waterschap legt aan zijn vordering tegen KPN het volgende ten grondslag. a. Het Waterschap was op grond van het destijds geldende artikel 5.1. van de Telecommunicatiewet (Tw) (oud) verplicht het leggen van de kabels te gedogen. KPN is op grond van artikel 5.4 Tw (oud) verplicht de schade, verband houdende met de gedoogplicht, te vergoeden. b. KPN heeft jegens het Waterschap onrechtmatig gehandeld door de werkzaamheden in de bodem uit te voeren door middel van een jetinstallatie, zonder voorafgaand onderzoek naar het gevaarzettende karakter van deze methode, gelet op de plaatselijke situatie. Bovendien is KPN bij het leggen van de kabels afgeweken van het vergunde tracé. c. [A.] heeft jegens het Waterschap onrechtmatig gehandeld door de werkzaamheden in de bodem uit te voeren door middel van een jetinstallatie, en door af te wijken van het vergunde tracé. KPN is op grond van artikel 6:171 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk voor het handelen van [A.]. KPN voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De beoordeling inleiding Ten tijde van de hiervoor vermelde vergunning, ontheffing en dijkval gold de op 15 december 1998 in werking getreden Tw. In 2004 en in 2007 is de Tw ingrijpend gewijzigd, inclusief de artikelen betreffende de gedoogplicht en het daaraan gekoppelde recht op schadevergoeding. De wetgever heeft in de Aanwijzingen voor de Regelgeving als uitgangspunt genomen dat nieuwe regelingen onmiddellijke werking hebben (aanwijzing 166). Nu de Tw overgangsrecht kent voor enkele specifieke bepalingen, maar niet voor de artikelen betreffende de gedoogplicht en het bijbehorende recht op schadevergoeding, geldt dit uitgangspunt ook voor genoemde artikelen. Dit betekent dat op de onderhavige zaak, voor zover van belang, de huidige versie van de Tw van toepassing is. De relevante bepalingen zijn artikel 5.2 betreffende de gedoogplicht, artikel 5.7 over het recht op schadevergoeding en artikel 5.13 inzake de rechterlijke competentie. bevoegdheid van de rechtbank Artikel 5.13 Tw bepaalt dat geschillen inzake een eis tot schadevergoeding op grond van hoofdstuk 5 Tw worden beslist door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement, waarin de onroerende zaak waarin de kabels worden aangelegd, zich bevindt. Deze bepaling komt, voor zover van belang, inhoudelijk overeen met artikel 5.9 Tw (oud). Het voorgaande betekent, in combinatie met artikel 94 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat in dit geval in beginsel de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Schouwen-Duiveland bevoegd is. Ter gelegenheid van het pleidooi hebben beide partijen desgevraagd uitdrukkelijk de wens te kennen gegeven dat de zaak zal worden behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht. De rechtbank houdt rekening met deze wens van partijen. Daarnaast spelen de volgende omstandigheden een rol. De zaak is reeds lange tijd aanhangig bij deze rechtbank. De vordering is pas bij conclusie van repliek aangevuld met de grondslag die tot verwijzing zou nopen. De feitelijke en juridische complexiteit van de zaak, alsmede het grote financiële belang, zouden voor een kantonrechter aanleiding kunnen zijn om de zaak op grond van artikel 98 Rv te verwijzen naar de meervoudige kamer van de sector civiel recht. Gelet op deze omstandigheden en uit het oogpunt van proceseconomie, zal de meervoudige kamer van deze rechtbank, sector civiel recht, de zaak aan zich houden en zelf afdoen. recht op schadevergoeding op grond van de Tw (3.3. onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.