Rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam meervoudige kamer vreemdelingenzaken Beslissing artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.: AWB 08/15220 V-nr: * tussen: eiser [naam], geboren [geboortedatum] in 1974, van Turkse nationaliteit, verblijvende in detentie [detentieplaats], eiser, gemachtigden: mr. M.B.J. Strooij en mr. C. Ullersma, advocaten te Amsterdam, en: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. 1. PROCESVERLOOP 1.1 Bij besluit van 27 maart 2007 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt en heeft bij de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 21 juni 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, afgewezen (AWB 07/14805). 1.2 Bij brief van 3 juli 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Bij besluit van 18 juli 2007 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarop meegedeeld dat het reeds ingestelde fictieve beroep mede wordt geacht te zijn gericht tegen dit reële besluit van 18 juli 2007. 1.3 Bij brief van 15 oktober 2007 is het besluit van 18 juli 2007 ingetrokken voor zover dit betrekking had op de procedure inzake de ongewenstverklaring. Bij uitspraak van 21 december 2007 (AWB 07/27185) van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, is het beroep betreffende het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift gegrond verklaard. Bij besluit van 2 april 2008 is het bezwaar, gericht tegen de ongewenstverklaring, opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroepschrift van eiser op 28 april 2008 ontvangen. 1.4 Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 25 november 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn beide gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Hartsuiker voornoemd. Tevens waren ter zitting familieleden van eiser aanwezig en S. Cicekdag, tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 1.5 Op 26 november 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen een schriftelijke reactie te geven op hetgeen namens eiser ter zitting van 25 november 2008 naar voren is gebracht aangaande de betekenis van artikel 8.22, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) voor dit geding. Verweerder heeft gereageerd bij brief van 10 december 2008. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd op 24 december 2008. 2. FEITEN 2.1 Eiser is in juni 1989 als minderjarig gezinslid in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen om zich te voegen bij zijn Turkse stiefvader. Eiser ontleende om die reden een verblijfsrecht aan de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (Besluit 1/80). Eiser is in 2000 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 27 maart 2007 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 15 maart 2004 ingetrokken. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaarschrift. Bij besluit van 18 juli 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard. Het ingestelde beroep werd mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 18 juli 2007. Bij uitspraak van 21 december 2007 (AWB 07/14805) van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, is het beroep, gericht tegen het besluit van 18 juli 2007 voor zover dat betrekking had op de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. 2.2 In de onderhavige procedure betrekking hebbend op de ongewenstverklaring van eiser is eiser op 14 februari 2008 gehoord door een ambtelijke commissie. 2.3 Eiser is meermalen bij onherroepelijk geworden rechterlijke vonnissen veroordeeld wegens misdrijf. Ter zake werden hem onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd van respectievelijk 8 jaren, 2 jaren (waarvan 6 maanden voorwaardelijk) en 3 jaren. 3. STANDPUNTEN PARTIJEN Standpunt verweerder zoals ingenomen in het bestreden besluit 3.1 Het bestreden besluit van 2 april 2008 heeft betrekking op het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking strekkende tot ongewenstverklaring van eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Verweerder heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat eiser een beroep kan doen op het communautaire openbare orde begrip en dat eiser met betrekking tot de invulling van dit begrip gelijk dient te worden gesteld met een gemeenschapsonderdaan. Het verblijfsrecht van eiser kan worden beëindigd op grond van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000 omdat er sprake is van gedragingen die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Artikel 27 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Verblijfsrichtlijn) staat hieraan niet in de weg. Eiser is tot vier maal toe veroordeeld voor het plegen van ernstige geweldsmisdrijven. Er is sprake van recidive gedurende een relatief lange periode van 10 jaar. Verder heeft de laatste veroordeling relatief kort geleden plaatsgevonden. Het bestaan van een actuele bedreiging wordt nog steeds aangenomen. Een verbetering in eisers gedrag tijdens zijn detentie heeft onvoldoende voorspellende waarde voor zijn toekomstige gedrag en rechtvaardigt niet de conclusie dat eiser ook na zijn vrijlating de verbetering in zijn gedrag blijft volhouden en niet langer een actueel gevaar zal vormen voor de openbare orde. Eiser is sinds 2004 gedetineerd en heeft sindsdien nog geen positieve gedragsverandering in de maatschappij kunnen laten zien. Verweerder heeft in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naar voren gebracht dat aan het algemeen belang in dit geval meer gewicht kan worden toegekend dan aan het persoonlijke belang van eiser. Standpunt eiser 3.2.1 Eiser stelt zich thans, zoals uiteengezet ter zitting van 25 november 2008, primair op het standpunt dat niet de vraag of eiser een actuele bedreiging van de openbare orde is centraal dient te staan, maar dat verweerder had moeten onderzoeken of er op grond van artikel 8.22, derde lid, van het Vb 2000 dwingende redenen van openbare veiligheid aanwezig waren om eisers verblijf te beëindigen en eiser ongewenst te verklaren. Immers, eiser heeft hier langer dan tien jaar rechtmatig verblijf gehad, zodat het criterium van artikel 8.22, derde lid, van het Vb 2000 dient te worden toegepast. Nu het rechtmatig verblijf op grond van het eerste lid van artikel 8.22 van het Vb 2000 eerder kan worden beëindigd dan op grond van het derde lid van artikel 8.22 van het Vb 2000 en er dus in artikel 8.22, derde lid van het Vb 2000 een zwaarder criterium is neergelegd, heeft eiser er alle belang bij dat zijn zaak wordt beoordeeld op basis van dit zwaardere criterium. Eiser meent dat niet aan het criterium van artikel 8.22, derde lid, van het Vb 2000 is voldaan en dat de ongewenstverklaring deswege geen stand kan houden. In eisers optiek is het niet problematisch te achten dat hij eerst ter zitting dit punt te berde heeft gebracht. Gelet op de feiten in dit dossier, met name de duur van eisers rechtmatig verblijf hier te lande, had de rechtbank namelijk hoe dan ook, en los van eisers eventuele stellingname op dit punt, de rechtsgronden ambtshalve dienen aan te vullen en, zo doende, artikel 8.22, derde lid, van het Vb 2000 dienen toe te passen. De gemachtigden van eiser wijzen in dit verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 26 juli 2004 (JB 2004/337). 3.2.2 Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit op een onjuiste wijze heeft bezien of er sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Bij de beantwoording van die vraag dient verweerder niet uitsluitend naar het verleden te kijken maar tevens een verwachting uit te spreken voor de toekomst. Omdat de ongewenstverklaring een ambtshalve belastende beschikking is, is het niet aan eiser om aan te tonen dat hij geen gevaar voor de openbare orde oplevert, maar aan verweerder om aan te tonen dat hij dat wél doet. Verweerder had, in het kader van de vraag of de gestelde actuele bedreiging nog steeds aanwezig is, in het bestreden besluit aandacht moeten besteden aan het huidige gedrag van eiser. In dit kader is relevant dat eiser wil resocialiseren en uitzicht heeft op werk. Namens eiser is in dit verband nog benadrukt dat verweerder een deskundige had moeten benoemen om zich uit te laten over het toekomstig te verwachten gedrag van eiser, omdat verweerder ter zake deskundigheid ontbeert. Verweerder heeft verder ten onrechte niet naar het gedrag van eiser gedurende zijn detentie gekeken. Verder is verweerder bij de bepaling of er sprake is van een actuele bedreiging ten onrechte uitgegaan van het moment van de veroordeling van het laatst gepleegde strafbare feit in plaats van het moment van de pleegdatum. Ter zitting is namens eiser in dit verband nog naar voren gebracht dat uitsluitend de meest recente veroordeling van eiser centraal kan staan bij de vraag of eiser een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde omdat de eerste drie veroordelingen nimmer aanleiding zijn geweest om eisers verblijf te beëindigen. Daarnaast heeft eiser gemotiveerd betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM, gelet op het familie- en gezinsleven tussen eiser, zijn vrouw en de zeven betrokken kinderen, en de gevolgen voor hen bij beëindiging van eisers verblijf hier te lande. Reactie van verweerder op het ter zitting door eiser naar voren gebrachte standpunt 3.3 De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat eisers betoog aangaande de toepassing van het derde lid van artikel 8.22 van het Vb 2000 door de rechtbank niet meegenomen kan worden in de beoordeling van het beroep, omdat het te laat naar voren is gebracht. Volgens verweerder staat het de rechtbank niet vrij om, de rechtsgronden ambtshalve aanvullend, artikel 8.22, derde lid, van het Vb 2000 in de beoordeling te betrekken. Namens verweerder is verder naar voren gebracht dat, anders dan in de beschikking is verwoord, een verbetering van het persoonlijke gedrag van eiser gedurende zijn detentie weliswaar relevant kan zijn voor de beantwoording van de vraag of eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt, maar dat in dit geval die verbetering van het gedrag niet dusdanig groot is dat verweerder om deze reden zou moeten aannemen dat eiser niet langer een actueel gevaar vormt voor de openbare orde. De door eiser overgelegde verklaring dat hij uitzicht heeft op werk na zijn detentie zegt meer over de bereidwilligheid van de werkgever om eiser in dienst te nemen dan over eisers intenties voor de toekomst, aldus verweerder. Nadere schriftelijke reactie van verweerder 3.4 Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 10 december 2008 een nadere reactie gegeven op het betoog ter zitting van de gemachtigden van eiser aangaande artikel 8.22, derde lid, van het Vb 2000. Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat het ter zitting gedane beroep op deze bepaling buiten de omvang van het geding valt. Verweerder wijst ter onderbouwing van zijn standpunt dat er in deze geen verplichting voor de rechtbank bestaat om de rechtsgronden op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb aan te vullen naar een uitspraak van de AbRS van 21 juni 2006 (200508834/1, AB 2006/339). Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat het bepaalde in artikel 8.22, derde lid, van het Vb 2000 eiser niet kan baten, omdat deze bepaling niet van toepassing is op Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan Besluit 1/80 maar louter op EU-burgers. Evenmin kan, volgens verweerder, uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie EG) worden afgeleid dat bij de invulling van het openbare orde begrip van artikel 14 van Besluit 1/80 aansluiting dient te worden gezocht bij artikel 28 van de Verblijfsrichtlijn. Nadere schriftelijke reactie eiser 3.5 In de reactie van de gemachtigden van eiser van 24 december 2008, wordt benadrukt dat in de gronden van het beroep de feitelijke grondslag is gegeven op basis waarvan, zonodig met aanvulling van de rechtsgronden, de toepasselijke wet- en regelgeving bij de beoordeling van het geschil kan en dient te worden betrokken. In de door verweerder genoemde uitspraak van de AbRS van 21 juni 2006 ontbrak deze feitelijke grondslag en was dàt de reden waarom aanvulling van de rechtsgronden in die zaak volgens de AbRS niet mogelijk was. Namens eiser is verder naar voren gebracht dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EG juist volgt dat voor Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan Besluit 1/80 het gemeenschapsrechtelijke openbare orde criterium geldt. 4. NATIONALE EN EUROPESE REGELGEVING 4.1 Ingevolge artikel 27, eerste lid van de Verblijfsrichtlijn kunnen de lidstaten (..) de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd moeten zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd. 4.2 Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn neemt het gastland, alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, de duur van het verblijf van de betrokkenen op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong in overweging. In het tweede lid is bepaald dat een gastland geen besluit tot verwijdering van het grondgebied kan nemen ten aanzien van burgers van de Unie of familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die een duurzaam verblijfsrecht op zijn grondgebied hebben verworven, behalve om ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid. In het derde lid is bepaald dat behalve om dwingende redenen van openbare veiligheid zoals door de lidstaten gedefinieerd, ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, geen besluit tot verwijdering kan worden genomen, indien zij:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.