RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers 09/750009-06 en 09/750007-07 Datum uitspraak: 23 maart 2009 Tegenspraak (Promis) De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte: Joseph [M.], geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedatum]1968, adres: [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Penitentiair Complex Scheveningen Huis van Bewaring Unit
- Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13, 14, 16, 17, 20, 21, 23, 24, 27, 28 oktober, 3, 10, 11, 17, 18, 19, 24 november, 1 en 4 december 2008, 2 februari en 9 maart
- De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.C.M. van Bruggen en W.N. Ferdinandusse en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.B.G.T. von Bóné, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht. Hoofdstuk 1: De beschuldiging en de eis
- Verdachte staat terecht voor betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten die zouden zijn gepleegd in Rwanda in de periode april tot en met juli
- Deze feiten zijn omschreven in de dagvaardingen met de parketnummers 09/750009-06 (dagvaarding I)
(1)en 09/750007-07 (dagvaarding II)
(2). De beide dagvaardingen zijn gevoegd behandeld.
- De beschuldigingen op dagvaarding I houden kort gezegd het volgende in: I: Verdachte heeft samen met anderen op of omstreeks 13 april 1994 in Birogo (prefectuur Kibuye) een ambulance tot stoppen gedwongen. Deze ambulance werd bestuurd door [getuige 1] en daarin zaten twee Tutsi-vrouwen (Dativa en Brigitte) met hun kinderen en een meisje met de naam [getuige 2]. Nadat de ambulance had moeten stoppen, heeft verdachte samen met anderen deze gedwongen naar het nabijgelegen Mugonero te rijden. Tijdens deze rit is de ambulance omsingeld door belagers waarbij wapens zijn getoond en is er op de ambulance geslagen. Tevens schreeuwden de mensen die de ambulance omsingelden woorden als 'Inkotanyi'. In Mugonero zijn de inzittenden gedwongen om uit te stappen. Daarbij zijn dreigementen geuit onder meer door te zeggen "Voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden". Vervolgens zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen geslagen/ neergehakt met machetes, knuppels en/of andere wapens. Ten gevolge hiervan hebben alle inzittenden langdurig voor hun leven moeten vrezen, zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen overleden (waarna een aantal van deze kinderen in het Kivumeer is gegooid) en hebben [getuige 1] en [getuige 2] (zwaar) lichamelijk letstel ondervonden. II: Verdachte heeft samen met anderen op 16 april 1994 in Mugonero met allerlei wapens Tutsi-burgers, waaronder vrouwen en kinderen, die zich op het Zevendedags Adventistencomplex bevonden, aangevallen. Verdachte en anderen hebben op deze burgers geschoten, hen met machetes, knuppels en andere wapens neergehakt en geslagen en traangas geworpen in gebouwen waarin een deel van de Tutsi's zich had verstopt. Aldus zijn deze personen in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor hun leven en het leven van hun familie en vrienden en bekenden hebben moeten vrezen. Tengevolge van deze aanval is een groot aantal van hen overleden en hebben één of meer van hen (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen. III: Verdachte heeft samen met anderen op 27 april 1994 in Mugonero aan [getuige 3], haar partner [getuige 4] en hun baby [B1] bij een wegversperring de doorgang geweigerd. Aan hen zijn openlijk wapens getoond en is voor hen hoorbaar geweest dat er gesproken werd in bewoordingen zoals 'kakkerlak(ken)', 'Kijk maar goed naar die Tutsi-vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord', 'Wil je soms als een Tutsi worden behandeld', 'Je mag kiezen of je in Kibingo, in Mugonero of in Gishyita gedood wordt', 'Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden' en 'Hutu-power'. Ten gevolge hiervan werd [getuige 3] in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor haar leven en het leven van haar zoon heeft moeten vrezen, terwijl zij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd. [getuige 4] werd hierbij in een situatie gebracht waarbij hij langdurig moest vrezen voor het leven van zijn partner, [getuige 3], en het leven van zijn zoon, [zoon], terwijl hij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd.
- De beschuldigingen op dagvaarding II houden kort gezegd het volgende in: Ia: Verdachte heeft samen met anderen op 13 mei 1994 op of nabij de Muyira heuvel, in het gebied Bisesero, een vrouw genaamd Consolata Mukamurenzi vastgepakt, naar de grond geduwd en tegen haar gezegd: 'Als je niet vertelt waar ze zijn, zullen we jou vermoorden. Als je het wel vertelt, zullen we jou met rust laten.' Vervolgens heeft verdachte tegen zijn mededaders gezegd dat zij haar mochten verkrachten en dat hij hun veiligheid zou garanderen. Zijn mededaders hebben haar toen meermalen verkracht. Vervolgens heeft verdachte een bajonet in haar vagina gestoken en met een vuurwapen kogels in haar rug en hoofd geschoten, tengevolge waarvan zij is overleden. Ib: Verdachte heeft samen met anderen op 16 april 1994 Marie Mukagatare en Gertrude Mukamana, die op de vlucht voor het grootschalig geweld tegen de Tutsi bevolkingsgroep hun toevlucht hadden genomen tot een kamer van het ziekenhuis van het Adventistencomplex van Mugonero, bedreigd door een vuurwapen op hen te richten. Vervolgens heeft hij tegen hen gezegd: 'Wij hebben jullie al lange tijd gevraagd om seks met ons te hebben. Toen weigerden jullie. Nu kunnen jullie niet meer weigeren.' Vervolgens heeft hij beide vrouwen verkracht en hun keel doorgesneden met een mes, tengevolge waarvan zij zijn overleden. Ic: Verdachte heeft samen met anderen, op of omstreeks 14 april 1994 in het ziekenhuis van het Adventistencomplex van Mugonero, een vrouw genaamd Kayitesi geslagen, vastgepakt en verkracht. II: Verdachte heeft samen met anderen, in de periode 6 april tot en met 1 juli 1994 in de prefectuur Kibuye drie kleinkinderen van [getuige 5] en [getuige 6] weggehaald uit het huis van hun grootouders, waarna er niets meer van deze kleinkinderen is vernomen.
- Al deze feiten zijn - kort gezegd - primair tenlastegelegd als oorlogsmisdrijven (artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht
(3), hierna: WOS) en subsidiair als foltering (artikel 1 en 2 Uitvoeringswet Folteringverdrag
(4), hierna: UFV).
- Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het in dagvaarding II onder 1b tenlastegelegde en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de overige tenlastelegde feiten op beide dagvaardingen zoals primair tenlastegelegd, heeft begaan. Het Openbaar Ministerie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot levenslange gevangenisstraf. Hoofdstuk 2: Rechtsmacht
- Al deze feiten waren oorspronkelijk aan verdachte ook tenlastegelegd als genocide. Op 24 juli 2007 heeft de rechtbank beslist dat Nederland geen rechtsmacht heeft om verdachte hiervoor te berechten.
(5)Het gerechtshof 's-Gravenhage is op 17 december 2007 eveneens tot deze beslissing gekomen.
(6)De Hoge Raad heeft de tegen deze beslissing door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatie verworpen.
(7)- De rechtbank zal, hoewel dit punt tijdens de behandeling van de zaak niet tot debat heeft geleid, eerst onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over de feiten zoals deze thans zijn tenlastegelegd. Zoals zij in voormelde beslissing d.d. 24 juli 2007 heeft overwogen bezit verdachte niet de Nederlandse nationaliteit, evenmin als de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers, wordt verdachte verweten dat hij de feiten in Rwanda heeft gepleegd en ontbreekt een ander (specifiek) Nederlands belang.
- Anders echter dan ten aanzien van het misdrijf genocide heeft de Nederlandse wetgever respectievelijk in de WOS en de UFV voorzien in universele rechtsmacht voor de delicten oorlogsmisdrijven en foltering welke in 1994 zijn gepleegd.
- Artikel 3 (oud) WOS luidde ten tijde van de tenlastegelegde feiten: "Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk: 1°. op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven in de artikelen 8 en 9 (...)."
- De Hoge Raad heeft recentelijk bevestigd dat aan de Nederlandse rechter op grond van deze bepaling voor oorlogsmisdrijven universele rechtsmacht toekomt. "Vooropgesteld moet worden dat sedert de inwerkingtreding van het Verdrag het handelen in strijd met art. 3 van het Verdrag het in art. 8 WOS omschreven misdrijf oplevert en dat - naar volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 11 november 1997, LJN ZD0857, NJ 1998, 463 - in zodanig geval op grond van art. 3 (oud) WOS aan de Nederlandse rechter zogenoemde universele rechtsmacht toekomt."
(8)- Artikel 5 UFV luidde ten tijde van de tenlastegelegde feiten: "De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan een van de in artikelen 1 en 2 van deze wet omschreven misdrijven schuldig maakt."
- De Hoge Raad heeft in zijn arrest in de zaak-Bouterse over de in de in dit artikel gevestigde universele rechtsmacht voor foltering, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij het wetsontwerp UFV, overwogen: "8.4 (...) dat de wetgever bij de invoering van de rechtsmachtregel van art. 5 Uitvoeringswet folteringverdrag niet verder heeft willen gaan dan waartoe Nederland gehouden is op grond van art. 5, eerste en tweede lid, van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende bestraffing. 8.
- Daaruit volgt dat de vervolging en berechting in Nederland van de vermoedelijke dader van een feit in de zin van de art. 1 en 2 Uitvoeringswet folteringverdrag dat in het buitenland is begaan, alleen mogelijk zijn indien daartoe een in dat Verdrag genoemd aanknopingspunt voor de vestiging van rechtsmacht aanwezig is, bijvoorbeeld omdat de vermoedelijke dader dan wel het slachtoffer Nederlander is of daarmee gelijkgesteld moet worden, of omdat de vermoedelijke dader zich ten tijde van zijn aanhouding in Nederland bevindt."
(9)- De rechtbank is van oordeel dat deze beperking van de uitoefening van de universele rechtsmacht ook dient te gelden te aanzien van de rechtsmacht voor oorlogsmisdrijven in de gevallen als omschreven onder art. 3 sub 1 (oud) WOS.
- Inmiddels heeft de wetgever in artikel 2 lid 1 onder a Wet internationale misdrijven (hierna: WIM)
(10)de uitoefening van de universele rechtsmacht voor alle in de WIM opgenomen internationale misdrijven (waaronder oorlogsmisdrijven en foltering) beperkt tot die gevallen waarin de verdachte zich in Nederland bevindt. Deze wettelijke bepaling houdt - voor zover van belang - het volgende in: "Artikel 2:
- Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk: a. op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de in deze wet omschreven misdrijven, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt; (...)"
- De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WIM geeft voor deze keuze van de wetgever de volgende redenen: "Er zijn goede redenen aan te voeren voor de beperking van de universele rechtsmacht tot verdachten die aanwezig zijn op het grondgebied van de staat. Ten eerste wordt berechting bij verstek, zonder enig aanknopingspunt met de zaak (feit gepleegd op het grondgebied, verdachte is onderdaan e.d.), over het algemeen niet juist geacht. Verder kan berechting bij verstek gemakkelijk tot jurisdictieconflicten leiden met staten die wel een aanknopingspunt met de zaak hebben. Deze jurisdictieconflicten kunnen een effectieve internationale samenwerking voor de berechting van internationale misdrijven ondermijnen, onder andere door de regel dat een land dat zelf in een bepaalde zaak vervolging heeft ingesteld, niet zal overgaan tot het verlenen van kleine rechtshulp in diezelfde zaak aan een ander land (zie ten onzent artikel 552l, eerste lid, onder c, Sv)."
(11)- Verdachte bevond zich ten tijde van het initiëren van onderzoeks- en vervolgingshandelingen jegens hem in Nederland.
- De rechtbank heeft derhalve op grond van het bepaalde in art. 3 (oud) WOS en art. 5 UFV rechtsmacht terzake van de aan verdachte verweten oorlogsmisdrijven en foltering. Hoofdstuk 3: Rwanda Inleiding
- Tussen 6 april en midden juli 1994 zijn in Rwanda honderdduizenden Rwandezen om het leven gebracht. De schattingen door deskundigen van het aantal slachtoffers lopen uiteen; de meeste komen op zeshonderdduizend tot - het meest waarschijnlijk - achthonderdduizend doden
(12), ongeveer 10% van de gehele bevolking. De overgrote meerderheid van de slachtoffers behoorde tot de Tutsi-bevolkingsgroep. Naar schatting is in die 100 dagen 75% van de Rwandese Tutsi's vermoord. Deze massamoord geschiedde, zoals in vele (wetenschappelijke) publicaties onbetwist is vastgesteld en door het Rwanda-tribunaal
(13)in een groot aantal vonnissen steeds unaniem is uitgesproken, met het doel de Tutsi-bevolking als zodanig uit te roeien. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat in deze maanden van 1994 in Rwanda een genocide plaats vond. In de woorden van de Kamer van Beroep van het Rwanda-tribunaal
(14): "The fact of the Rwandan genocide is part of world history, a fact as certain as any other, a classic instance of a 'fact of common knowledge'." 2. Gedurende dezelfde ongeveer 100 dagen werd op het grondgebied van Rwanda een gewapend conflict uitgevochten tussen het Rwandese regeringsleger (Forces Armées du Rwanda, hierna FAR) en de strijdkrachten van het Rwandan Patriotic Front (hierna RPF), het voornamelijk uit (nakomelingen van) in voorafgaande decennia uit Rwanda gevluchte Tutsi's bestaande rebellenleger. Het RPF was een gestructureerd en gedisciplineerd leger dat stond onder een verantwoordelijk bevel; het had een erkende commandostructuur met aan het hoofd generaal Paul Kagame.
(15)- Verdachte verbleef in deze periode in het huis van zijn ouders in Mugonero, een dorp in de préfecture Kibuye in het westen van Rwanda. In dit deel van Rwanda werd niet gevochten tussen eenheden van de RAF en het RPF. In de visie van het Openbaar Ministerie heeft verdachte de hem verweten gedragingen echter wel gepleegd in nauwe samenhang met de oorlog tussen deze strijdende partijen en zijn deze dus oorlogsmisdrijven. Het Openbaar Ministerie verwijt verdachte tevens dat deze misdrijven uitingen waren van de politiek van stelselmatige terreur tegen de Tutsi-bevolking die ook in Mugonero en omgeving in alle hevigheid woedde.
- De rechtbank zal in dit hoofdstuk een kort exposé geven van de (politiek-)historische achtergrond van het drama dat zich in de periode van 6 april tot midden juli 1994 in Rwanda voltrok. Ook zal zij in grote lijnen het verloop van deze gruwelijke gebeurtenissen schetsen. Zij baseert zich hierbij op zowel publiek toegankelijke bronnen, welke als geschriften onderdeel uitmaken van het strafdossier
(16), als op enkele ten behoeve van deze strafzaak opgestelde rapporten.
(17)De rechtbank beperkt zich in haar uiteenzetting tot wat onmisbaar is voor een goede waardering van de (context van
- de)aan verdachte tenlastegelegde feiten. In deze uiteenzetting wordt daarom nauwelijks aandacht besteed aan de rol van internationale actoren (met name Frankrijk, België, de Verenigde Staten, de buurlanden van Rwanda, de (Veiligheidsraad van
- de)Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid). Periode tot 6 april 1994 5. In haar eerste vonnis (in de zaak Akayesu) heeft de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal een gedetailleerde uiteenzetting gegeven van de geschiedenis van Rwanda.
(18)De rechtbank citeert hieronder (delen van) paragrafen uit dit vonnis over de koloniale periode en het dekolonisatieproces, toegespitst op de verhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen. "
- Prior to and during colonial rule, first, under Germany, from about 1897, and then under Belgium which, after driving out Germany in 1917, was given a mandate by the League of Nations to administer it, Rwanda was a complex and an advanced monarchy. The monarch ruled the country through his official representatives drawn from the Tutsi nobility. Thus, there emerged a highly sophisticated political culture which enabled the king to communicate with the people.
- Rwanda then, admittedly, had some eighteen clans defined primarily along lines of kinship. The terms Hutu and Tutsi were already in use but referred to individuals rather than to groups. In those days, the distinction between the Hutu and Tutsi was based on lineage rather than ethnicity. Indeed, the demarcation line was blurred: one could move from one status to another, as one became rich or poor, or even through marriage.
- Both German and Belgian colonial authorities, if only at the outset as far as the latter are concerned, relied on an elite essentially composed of people who referred to themselves as Tutsi's, a choice which, according to Dr. Alison Desforges, was born of racial or even racist considerations. In the minds of the colonizers, the Tutsi looked more like them, because of their height and colour, and were, therefore, more intelligent and better equipped to govern.
- In the early 1930s, Belgian authorities introduced a permanent distinction by dividing the population into three groups which they called ethnic groups, with the Hutu representing about 84% of the population, while the Tutsi (about 15%) and Twa (about 1%) accounted for the rest. In line with this division, it became mandatory for every Rwandan to carry an identity card mentioning his or her ethnicity. The Chamber notes that the reference to ethnic background on identity cards was maintained, even after Rwanda's independence and was, at last, abolished only after the tragic events the country experienced in
- From the late 1940s, at the dawn of the decolonization process, the Tutsi became aware of the benefits they could derive from the privileged status conferred on them by the Belgian colonizers and the Catholic church. They then attempted to free themselves somehow from Belgian political stewardship and to emancipate the Rwandan society from the grip of the Catholic church. The desire for independence shown by the Tutsi elite certainly caused both the Belgians and the church to shift their alliances from the Tutsi to the Hutu, a shift rendered more radical by the change in the church's philosophy after the second world war, with the arrival of young priests from a more democratic and egalitarian trend of Christianity, who sought to develop political awareness among the Tutsi-dominated Hutu majority.
- In 1956, in accordance with the directives of the United Nations Trusteeship Council, Belgium organized elections on the basis of universal suffrage in order to choose new members of local organs, such as the grassroots representative Councils. With the electorate voting on strictly ethnic lines, the Hutu of course obtained an overwhelming majority and thereby became aware of their political strength. The Tutsi, who were hoping to achieve independence while still holding the reins of power, came to the realization that universal suffrage meant the end of their supremacy; hence, confrontation with the Hutu became inevitable.
- Around 1957, the first political parties were formed and, as could be expected, they were ethnically rather than ideologically based. (...)"
- In november 1959 liepen de politieke spanningen hoog op en kwam het tot een eerste uitbarsting van etnisch geweld. Honderden Tutsi's vonden de dood en vele duizenden Tutsi's zochten hun toevlucht in de omringende landen. De ongeregeldheden resulteerden in het einde van de Tutsi-monarchie en de proclamatie van de (Eerste) Republiek door Grégoire Kayibanda, leider van de Mouvement Démocratique Républicain Parmehutu (hierna: MDR Parmehutu), de verreweg grootste politieke partij, die zichzelf (letterlijk) definieerde als een beweging exclusief van en voor Hutu's. Op 1 juli 1962 werd Rwanda officieel onafhankelijk. Kayibanda werd president.
- Ook de beginjaren van deze Eerste Republiek werden gekenmerkt door etnisch geweld. De slachtoffers waren voornamelijk Tutsi's. Het MDR Parmehutu-regime stelde overheersing door de Hutu's, het "meerderheidsvolk" (rubanda nyamwinshi) dat immers 85% van de bevolking uitmaakte, gelijk aan democratie en predikte een agressieve en exclusieve Hutu-solidariteit.
(19)In deze jaren werden door Tutsi-vluchtelingen regelmatig op kleine schaal guerrilla-aanvallen uitgevoerd in Rwanda. Dit leidde steeds tot vergeldingsacties tegen de Tutsi-bevolking, veelal aangemoedigd door de autoriteiten en/of uitgevoerd door Rwandese legereenheden. Dit geweld dreef opnieuw duizenden Tutsi's in ballingschap. In deze cyclus van geweld, vlucht en gewapende invallen werden in de jaren 1961-1967 ongeveer 20.000 Tutsi's vermoord en vluchtten ongeveer 300.000 Tutsi's naar de omringende landen. Uit deze periode stamt het gebruik onder Hutu's de Tutsi's-invallers "inyenzi", kakkerlakken, te noemen.
(20)Ook in deze tijd begonnen Hutu-autoriteiten de in Rwanda woonachtige Tutsi's ervan te beschuldigen dat zij handlangers ("ibyitso") van deze invallers waren.
(21)In 1972-1973 volgde opnieuw een periode van hevig etnisch geweld tegen Tutsi's en de vlucht van weer grote aantallen van hen naar de omringende landen.
(22)8. Deze - en ook de latere - ontwikkelingen in Rwanda kunnen niet los worden gezien van die in buurland Burundi, in de woorden van het OAU-rapport: "Its partner on a deadly seesaw".
(23)Ook Burundi had een koloniaal bestuur gekend van eerst Duitsland en later België. Ook in Burundi bestond de bevolking voor ongeveer 85% uit Hutu's en 15 % uit Tutsi's. En ook Burundi werd in 1962 onafhankelijk.
(24)Anders echter dan in Rwanda bleef in Burundi de Tutsi-minderheid aan de macht. Het OAU-rapport vat de ontwikkelingen in Burundi als volgt samen: "Since 1962, Burundi's Tutsi minority has dominated successive governments, the army and other security forces, the judiciary, the educational system, the news media, and the business world. In Rwanda, such domination was seen to legitimize the country's own rigid quota system. In Burundi, it has led to a state of almost permanent conflict. The decades-long struggle for power between the elites of the two groups has led to the deaths of hundreds of thousands of Burundians, most of them civilians. Repeated Hutu challenges to Tutsi domination have been followed each time by vicious reprisals by the Tutsi army and police against Hutu civilians that were invariably disproportionate to the original provocation. In the years between independence and the genocide in Rwanda, no fewer than seven giant waves of killings occurred in Burundi: in 1965, 1969, 1972, 1988, 1991, 1992, and 1993."
(25)En over de wisselwerking tussen de ontwikkelingen in beide landen schrijft dit rapport: "Victimization of the Tutsi in one country was first aggravated by, and then used to justify, persecution of the Hutu in the other country and vice versa. Each act of repression in the one state became the pretext for a renewed round of killing in the other. Such retaliation was fuelled by the constant refugee movements across the shared border, the inflammatory tales told by all who fled, and the eagerness felt by many of them to join in any attempts to wreak revenge from their new refuge. Perhaps refugees were also emboldened by yet another perverse, common characteristic of the two nations: In both countries, massacres by governments went largely unpunished, and a pervasive culture of impunity began to complement the growing culture of violence that was emerging."
(26)9. Voornamelijk regionale tegenstellingen binnen de Hutu-elite leidden in 1973 in Rwanda tot de val van het regime van Kayibanda. Generaal Juvénal Habyarimana, chef-staf van het Rwandese leger, greep de macht en riep de Tweede Republiek uit. In 1975 richtte hij de Mouvement Révolutionnaire National pour le Développement (MRND) in het leven, een partij waarvan iedere Rwandees vanaf de geboorte lid was.
(27)Enkele jaren later werd Rwanda ook formeel een één-partij staat. Het regime van Habyarimana maakte een eind aan het etnisch geweld, maar niet aan het beleid van systematische discriminatie tegen de Tutsi's en het bleef Tutsi-bannelingen niet toegestaan terug te keren naar Rwanda. Toen Hutu's uit andere regio's dan die van de president (het noord-westen) steeds meer werden uitgesloten van belangrijke posities in het bestuur en het leger en de economische situatie verslechterde, werd het regime in toenemende mate geconfronteerd met onvrede onder de bevolking en oppositie door dissidente Hutu's. 10. Inmiddels hadden Rwandese bannelingen in Uganda en Kenia (voornamelijk Tutsi's) in december 1987 het RPF opgericht. De doelstellingen van het Front, een politieke organisatie met een militaire vleugel, waren verzekering van het recht van alle Tutsi-bannelingen terug te keren naar Rwanda en beëindiging van het één-partij regime van Habyarimana.
(28)Op 1 oktober 1990 vielen vanuit Uganda enkele duizenden RPF-strijders (het noordoosten van) Rwanda binnen. Daarmee begon een gewapende strijd tussen de troepen van het RPF en het Rwandese leger, die - weliswaar onderbroken door onderhandelingen en wapenstilstanden - voortduurde tot juli 1994. De aanval van 1 oktober 1990 werd door het regeringsleger succesvol afgeslagen en het RPF slaagde er ook daarna (in de periode tot 6 april 1994) niet in een groot deel van het grondgebied van Rwanda blijvend te veroveren. Maar, in de woorden van het OAU-rapport: "Even those sympathetic to the invaders' cause acknowledge that the attack triggered a series of pivotal consequences that ultimately led, step by step, to the genocide. In the words of one human right group, "...it is beyond dispute that the invasion ... was the single most important factor in escalating the political polarization of Rwanda."
(29)11. De militaire operaties van het RPF in voornamelijk het noordoosten van Rwanda, welke gepaard gingen met misdrijven tegen de burgerbevolking, genereerden, in samenhang met een cynische anti-Tutsi propaganda door de Rwandese regering een grote stroom Hutu-vluchtelingen naar het centrum van Rwanda. In 1990 waren dit er ongeveer 300.000, in begin 1993, na een nieuwe grootschalige RPF-aanval, nog eens ongeveer 1 miljoen.
(30)Het OAU-rapport beschrijft hoe de invasie en de guerrillaoorlog de invloed van radicale Hutu-facties in de regering en het leger versterkten, de reeds grote economische problemen verergerden en bovenal geloofwaardigheid gaven aan de op machtsbehoud gerichte etnische strategie van het regime
(31), meer in het bijzonder de kleine kring rond Habyarimana welke bekend stond als de Akazu (het kleine huis)
(32): "The invasion gave an ethnic strategy immediate credibility. The carefully inculcated fears about Tutsi conspiracies - fears about alleged plots to regain control of the republic and launch merciless attacks on all Hutu - that had been dormant for so many years were deliberately revived. The nation was reminded that the Tutsi were, from the first, the "other"; they were all alien invaders. Was is therefore not self-evident that all Tutsi were accomplices of the invaders? Any question of class or geographical division among Hutu had to be submerged in a common front against the devilish intruders. It was not difficult for the government to exploit its own failures in order to rally the majority behind them. In a country where so many had so little land, it took little ingenuity to convince Hutu peasants that the newcomers would reclaim lands they had left long before and on which Hutu farmers had immediately settled."
(33)12. Vanaf oktober 1990 werden regelmatig bloedbaden aangericht onder Tutsi's. Het OAU-rapport meldt hierover: "On virtually each occasion, they were carefully organized. On each occasion, scores of Tutsi were slaughtered by mobs and militiamen associated with different political parties, sometimes with the involvement of the police and army, incited by the media, directed by local government officials, and encouraged by some national politicians."
(34)Hier is reeds zichtbaar wat zich vanaf 6 april 1994 in volle omvang zou tonen: massamoorden op Tutsi's louter vanwege hun etniciteit, georganiseerd en gestimuleerd door de autoriteiten, uitgevoerd door Hutu-burgers en milities, daartoe aangezet door een giftige anti-Tutsi-propaganda en bijgestaan door politie en leger. 13. In juni 1991 werd president Habyarimana, geconfronteerd met de oorlog met het RPF, groeiende politieke onvrede, verdere economische verslechtering en zware internationale politieke druk - Rwanda was militair afhankelijk van Frankrijk en economisch van verschillende donorlanden - gedwongen de vorming van oppositiepartijen toe te staan en vredesonderhandelingen te beginnen met het RPF. In april 1992 werd een regering gevormd bestaande uit de MRND (inmiddels Mouvement Révolutionnaire National pour la Démocratie et le Développement (MRNDD) geheten) en enkele voormalige oppositiepartijen. De MRNDD was daarin de grootste partij, maar wel een minderheid. Mede als reactie op deze ontwikkelingen vormden radicale Hutu de Coalition pour la Défense de la République (CRD), een partij die zich nog extremer opstelde dan Habyarimana, bij verschillende gelegenheden fel tegen hem opponeerde en hierdoor grote invloed uitoefende op de MRNDD. Ondanks deze kritiek werkten CRD en MRNDD ook vaak samen.
(35)14. De nieuwe regering voerde vanaf juni 1992 in Arusha (Tanzania) onderhandelingen met het RPF over een vredesregeling en een nieuwe machtsverdeling in Rwanda. Dit leidde tot deelakkoorden over de repatriëring van vluchtelingen, de integratie van de strijdkrachten van de FAR en het RPF en, op 4 augustus 1993, tot de ondertekening van een definitief akkoord op grond waarvan een brede overgangsregering gevormd zou gaan worden van de MRNDD, de voormalige oppositiepartijen en het RPF.
(36)Deze aan Habyarimana afgedwongen akkoorden stuitten op fel verzet bij de Akazu, voor wie uitvoering van de akkoorden verlies van macht zou betekenen, en de CRD en versterkten de polarisatie in het land. Bijna alle voormalige oppositiepartijen spleten uiteen in gematigde en zogenoemde Hutu Power-vleugels, welke laatste zich schaarden aan de zijde van de verder radicaliserende MRNDD en de CDR. 15. Op 23 oktober 1993 werd in Burundi de kort daarvoor democratisch gekozen eerste Hutu-president Melchior Ndandaye door Tutsi-militairen van het Burundese leger vermoord. In de bloedbaden die daarop volgden werden naar schatting 50.000 Burundezen, zowel Hutu's als Tutsi's, vermoord en ontvluchtten een kleine 1 miljoen Hutu's het land, zeer velen van hen naar Rwanda. Deze gebeurtenissen gaven opnieuw voedsel aan de vrees onder Rwandese Hutu voor (overheersing door) Tutsi's, welke vrees door tegenstanders van de in Arusha overeengekomen machtsverdeling met het RPF volledig werd uitgebuit. President Habyarimana's eigen MRNDD en de CDR stelden de Arusha-akkoorden in een gemeenschappelijke verklaring aan de kaak als "verraad".
(37)De strijd tussen de aanhangers van Hutu Power en gematigden, die implementatie van de Arusha-akkoorden nastreefden, werd heviger en gewelddadiger.
(38)16. Er is een overweldigende hoeveelheid bewijs voor de vaststelling dat Hutu-extremisten vanaf 1990 de Hutu-bevolking voortdurend en systematisch hebben aangezet tot haat tegen hun Tutsi-landgenoten.
(39)De rechtbank citeert hier wederom het OAU-rapport: "A constant barrage of virulent anti-Tutsi hate propaganda began to fill the air. It was designed to be inescapable, and it succeeded. From political rallies, government speeches, newspapers, and a flashy, new radio station, poured vicious, pornographic, inflammatory rhetoric designed to demonize and dehumanize all Tutsi. With the active participation of well-known Hutu insiders, some of them at the university, new media were founded that dramatically escalated the level of anti-Tutsi demagoguery."
(40)17. Berucht waren publicaties in de krant Kangura. In december 1990 verscheen daarin een artikel onder de titel "Beroep op het geweten van de Hutu's". Het artikel opende met de stelling dat de Tutsi-extremisten die in oktober Rwanda hadden aangevallen (dat wil zeggen het RPF) vertrouwden op de steun van "van infiltranten in het land en de medeplichtigheid van Tutsi's in het land". Vervolgens werden de Tutsi's afgeschilderd als bloeddorstig en machtsbelust en de Hutu's opgeroepen ferm en waakzaam te zijn tegen de Tutsi-vijand "die onder ons is en zijn tijd afwacht om ons op een geschikt moment te decimeren";
(41)het artikel eindigt met de "Tien geboden voor de Hutu's", waarin onder meer wordt opgeroepen geen medelijden meer te hebben met de Tutsi's. Ook in veel latere artikelen in Kangura werden de - dus: alle - Tutsi's afgeschilderd als "inyenzi" (kakkerlakken), "inkotanyi" (leden van de RPF), "ibyitso" (handlangers); vijanden waartegen de Hutu zich moest verdedigen zonder genade te tonen.
(42)18. Dezelfde boodschap werd vanaf midden 1993 uitgedragen in uitzendingen van het mede door enkele leden van de Akazu opgerichte en heel snel zeer populair geworden radiostation Radio-Télévision Libre des Milles Collines (RTLMC). Dit radiostation werd door de CDR gebruikt om propaganda te verspreiden.
(43)Volgens deskundige Des Forges speelde dit radiostation "de belangrijkste rol bij het overtuigen van Rwandezen dat Tutsi's vijanden waren die geëlimineerd moesten worden".
(44)19. Ook partijbijeenkomsten vormden een podium voor het verkondigen van de boodschap dat alle Tutsi's ibyitso waren van het RPF en dat de Hutu's zich tegen hen moesten verdedigen. In een bewaard gebleven toespraak van een vice-president van de MRNDD, Léon Mugesera, tegen partijmilitanten is het volgende te horen: "En wat gaan we doen aan die medeplichtigen (ibyitso) hier die hun kinderen naar de RPF sturen? Waarom wachten we en ontdoen we ons niet van deze families? (...) We moeten zelf verantwoordelijkheid nemen en dit schorem uitroeien... De fatale fout die we maakten in 1959 was om ze [de Tutsi's's] weg te laten komen... Ze horen in Ethiopië en we hebben een korte weg terug voor ze, door ze in de Nyabarongo rivier te gooien... Ik benadruk dit punt. We moeten handelen. ...Roei ze allemaal uit!"
(45)Een aankondiging van de komende genocide. 20. Een opvallend element in de anti-Tutsi-propaganda was de voortdurende waarschuwing aan Hutu-mannen zich niet te laten verleiden door Tutsi-vrouwen. Tutsi-vrouwen, zo was de boodschap, waren het geheime seksuele wapen dat de inkotanyi inzetten om Rwanda te veroveren en volgens het eerste van de hierboven genoemde "Tien geboden" was iedere Hutu-man die een Tutsi-vrouw huwde, haar tot zijn concubine maakte of haar als secretaresse in dienst nam een verrader.
(46)21. Na de overgang naar een meerpartijensysteem (zie hierboven in paragraaf 13) richtten enkele politieke partijen aan hen gelieerde jongerengroepen op. De jongerenbeweging van de MRND(D) werd Interahamwe ("zij die tezamen staan" dan wel "zij die tezamen aanvallen") genoemd. Deze groepen hielpen bij het organiseren van partijbijeenkomsten, zorgden voor publiciteit en verspreidden propagandamateriaal. In het sterk gepolariseerde en toenemend gewelddadige politieke klimaat werden de jongerengroepen ook steeds vaker ingezet als knokploegen om bijeenkomsten van rivaliserende partijen te verstoren en leden daarvan aan te vallen. Gaandeweg breidden de Interahamwe hun gewelddadige acties uit tot aanvallen op Tutsi-burgers, georganiseerd door de autoriteiten en uitgevoerd in samenwerking met soldaten.
(47)Vanaf 1992 werden bovendien door het leger, dat volledig onder controle stond van Hutu-extremisten, militaire trainingen gegeven aan Interahamwe en werden onder hen wapens en munitie gedistribueerd. De Interahamwe werd zo een gewapende militie die ingezet werd tegen politieke tegenstanders (gematigde Hutu's) en Tutsi-burgers. De jeugdbeweging van de CRD, de Izapuzamugambi ('zij die hetzelfde doel hebben' danwel 'zij die één doel hebben'), speelde een soortgelijke rol. 22. Vanaf oktober 1990 begonnen politieke en militaire leiders te spreken over de noodzaak van burgerzelfverdediging tegen een mogelijk verder oprukken van het RPF-leger. Begin 1994 stelde een commissie van legerofficieren een geheim plan van aanpak hiervoor op, genaamd Organisation de l' Auto-Défence Civile. Centraal daarin stond dat het leger en de burgerlijke autoriteiten in geval van hervatting van de gewapende strijd zouden samenwerken met leiders van de MRND en de daarmee geallieerde partijen (en dus ook de milities daarvan)
(48)bij het mobiliseren en bewapenen van de burger (lees: de Hutu-bevolking). Al dan niet in het kader van dit plan werden in de jaren 1993 en 1994 op grote schaal vuurwapens verspreid aan de gemeenten en werden er in de periode van januari 1993 tot en maart 1994 3.385.000 kilogram machetes geïmporteerd, hetgeen ruim de dubbele hoeveelheid was van voorgaande jaren.
(49)23. Rwanda stond van oudsher bekend om zijn sterk hiërarchisch gestructureerd, fijnmazig en in administratief opzicht uitermate efficiënt bestuursapparaat. Het land was opgedeeld in 11 prefecturen, met elk aan het hoofd een préfect die zijn instructies kreeg van de regering (meer in het bijzonder de minister van binnenlandse zaken). Op zijn beurt gaf de préfect instructies aan zijn sub-préfecten en bourgméstres, die veelal zowel politiek leider als bestuurder waren van de communes in zijn préfecture.
(50)De burgemeesters instrueerden vervolgens de conseillers van de secteurs binnen hun gemeenten. Deze secteurs waren op hun beurt weer opgedeeld in cellules (700 à 1000 personen per cellule) met elk een chef de cellule aan het hoofd.
(51)24. Rwanda stond van oudsher er ook om bekend dat de bevolking zeer gezagsgetrouw was.
(52)Deze extreme cultuur van gehoorzaamheid aan hogere autoriteiten leidde ertoe dat Rwandezen gewoon waren alle orders van hogerhand volgzaam uit te voeren. Zeker onder het regime van Habyarimana was er een strikte gehoorzaamheid onder meer bij het uitvoeren van ontwikkelingsgerelateerde activiteiten tot op het laagste niveau van de administratieve organisatie van het land, de lokale gemeenschap.
(53)Sommigen hebben dit, aldus het OAU-rapport, wel beschreven als "a culture of blind obedience".
(54)6 april -midden juli 1994 25. Begin april 1994 waren de Arusha-akkoorden nog steeds niet geïmplementeerd en president Habyarimana - zijn land geteisterd door politiek geweld en economisch aan de rand van een bankroet
(55)- stond onder zware internationale druk dit alsnog te doen. Op 6 april 1994 reisde hij af naar Dar es Salaam (Tanzania) voor een ontmoeting hierover met staatshoofden van de omringende landen. Toen hij diezelfde avond naar huis terugkeerde werd zijn vliegtuig dat net de daling naar het vliegveld van Kigali had ingezet, neergeschoten door een vanaf de grond afgevuurde raket. Het vliegtuig stortte neer op het terrein van zijn presidentiële paleis. Alle inzittenden, waaronder president Ntaryamira van Burundi en enkele belangrijke medewerkers van president Habyarimana, kwamen om het leven. Tot op heden is niet opgehelderd wie verantwoordelijk was voor het neerschieten van het vliegtuig.
(56)26. Wat daarna gebeurde is als volgt kort samengevat in de uitspraak van de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal in de zogenoemde 'Media-trial'
(57): "On 6 April, the plane carrying President Habyarimana was shot down, a crime for which responsibility has not been established. Within hours, killings began. Soldiers and militia began systematically slaughtering Tutsi's. The Presidential Guard, backed by militia, murdered government officials and leaders of the political opposition. On 7 April 1994, the RPF renewed combat with government forces. (...) On 9 April 1994, an interim government was sworn in, with Jean Kambanda as Prime Minister. A meeting of prefects took place on 11 April, and on 12 April the Minister of Defence appealed through the radio for Hutu unity, saying partisan interests must be set aside in the battle against the common enemy, the Tutsi's. On 16 April, the military chief of staff and the prefet best known for opposing the killings were replaced. This prefet was later executed. Three bourgmestres and a number of other officials who sought to stop the killings were also killed, in mid-April or shortly after. In the instructions given to the population, killing was known as "work", and machetes and firearms were described as "tools". In the first days of killing, assailants sought out and killed targeted individuals, Tutsi's and Hutu political opponents. Roadblocks were set up to catch Tutsi's trying to flee. Subsequently a different strategy was implemented: driving Tutsi's out of their homes to churches, schools, or other public sites where they were then massacred in large-scale operations. In mid-May the strategy turned to tracking down the last surviving Tutsi's, who had successfully hidden in ceilings, holes, or the bush, or who had been protected by their status in the community. Throughout the killing, Tutsi's women were often raped, tortured and mutilated before they were killed." 27. De genocide was, zoals hieruit kan worden afgeleid, geen spontane uitbarsting van etnisch geweld, maar een door de overheid georganiseerde massamoord op een deel van de eigen bevolking met het doel die bevolkingsgroep voor eens en voor altijd uit te roeien. Het OAU-rapport beschrijft dit als volgt: "(...) A clique of Rwandan Hutu consciously intended to exterminate all Tutsi in the country, specifically including women and children so that no future generations would ever appear. (...)"
(58)En: "(...) The Rwandan genocide did not occur by chance. It demanded an overall strategy, scrupulous planning and organization, control of the levers of government, highly motivated killers, the means to butcher vast numbers of people, the capacity to identify and kill the victims, and tight control of the media to disseminate the right messages both inside and outside the country. This diabolical machine had been created piecemeal in the years after the 1990 invasion, accelerating in the second half of 1993 with the signing of the Arusha accords and the assassination in Burundi by Tutsi soldiers of its democratically-elected Hutu President. In theory at least, everything was ready and waiting when the President's plane went down."
(59)28. Hoewel de voorbereidingen voor het burgerzelfverdedigingsprogramma nog niet waren afgerond toen de strijd op 7 april 1994 aanwakkerde, waren de richtlijnen duidelijk genoeg om het proces in werking te kunnen zetten: de interim-regering, de leger- en burgerautoriteiten (het regionale en lokale gezagsapparaat), politieke partijen, de milities en de media werkten nauw samen: als eenheid.
(60)De interim-regering (Hutu-power leiders) gaven prefecten opdrachten, die op hun buurt de instructies doorgaven aan de bourgemestres. Deze burgemeesters instrueerden op hun buurt de conseillers en chefs de cellules van respectievelijk de secteurs en de cellules, die de instructies tenslotte doorgaven aan de bevolking die op deze wijze de manschappen inbrachten.
(61)Daarnaast gebruikten de politieke leiders hun autoriteit en macht om hun milities te verzamelen en van wapens te voorzien en het land in te sturen daar waar zij nodig waren.
(62)Ook hoge militairen stuurden de gendarmes en de milities in een zeer efficiënte manier naar die gedeeltes van het land waar hun inzet nodig was.
(63)Daarnaast brachten de leden van de strijdkrachten militaire know-how in. 29. De propaganda van de regering werd ook na 6 april 1994 in alle hevigheid voortgezet. De radio-uitzendingen bleven oproepen tot haat tegen de Tutsi-bevolking. De uitzendingen van RTLM werd zeer druk beluisterd. De radio werd ook op grote schaal gebruikt om instructies te geven aan onder meer de Interahamwe. Opvallend in de radio-oproepen was het taalgebruik wat moest onderstrepen dat het land belegerd werd; Hutu's werden daarom opgeroepen "zichzelf te verdedigen" door hun "gereedschappen" te gebruiken bij hun "werk" tegen "de medeplichtigen van de vijand".
(64)De Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal heeft over de uitzendingen van RTLM in de 'Media-trial' als volgt geoordeeld:
(65)"
- The Chamber finds that RTLM broadcasts engaged in ethnic stereotyping in a manner that promoted contempt and hatred for the Tutsi population. RTLM broadcasts called on listeners to seek out and take up arms against the enemy. The enemy was identified as the RPF, the Inkotanyi, the Inyenzi, and their accomplices, all of whom were effectively equated with the Tutsi ethnic group by the broadcasts. After 6 April 1994, the virulence and the intensity of RTLM broadcasts propagating ethnic hatred and calling for violence increased. These broadcasts called explicitly for the extermination of the Tutsi ethnic group."
- Overal in Rwanda werden wegversperringen opgericht. Uit zowel de recente uitspraak van de Kamer van Berechting van de Rwanda-tribunaal in de zaak Bagosora e.a. ('Military I'), als de rapporten van Des Forges
(66)en Clingendael blijkt dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen wegversperringen opgericht door het leger en de overige wegversperringen die werden opgericht door burgerlijke autoriteiten dan wel burgers al dan niet met toestemming van de autoriteiten. De wegversperringen opgericht en bemand door het leger bevonden zich dichtbij de frontlinie/ legerposities.
(67)De overige wegversperringen waren het meest gevaarlijk en dienden uitsluitend om vluchtende Tutsi's aan te houden en vervolgens standrechtelijk te elimineren. De selectie van Tutsi's was voornamelijk gebaseerd op identiteitsbewijzen.
(68)31. Talloze Hutu's waren de gewillige uitvoerders van het genocidale beleid van de overheid. Volgens de deskundige Des Forges was angst de grootste drijfveer voor deelname van gewone Rwandezen in de aanval op de Tutsi's. Een angst die gebaseerd was op de wijdverspreide en onjuiste veronderstelling dat alle Tutsi's vanzelfsprekend aanhangers zouden zijn van het RPF en bereid zouden zijn het RPF te sturen bij zijn militaire opmars.
(69)32. Op het slagveld ondertussen verliep de strijd tussen de FAR en het RPF desastreus voor het regeringsleger. Vanuit zijn noordoostelijke basis veroverde het RPF-leger in korte tijd grote delen van het grondgebied van Rwanda. Op 4 juli nam het Kigali in.
(70)Medio juli was de tegenstand van de RAF definitief gebroken, ontvluchtte de interim-regering het land en kondigde het RPF een staakt-het-vuren af. De op 1 oktober 1990 begonnen burgeroorlog eindigde in een totale overwinning van het RPF. De opmars van het RPF-leger naar het westen (waaronder de prefecture Kibuye) en zuidwesten van het land werd voorlopig nog gestuit door de aanwezigheid (vanaf eind juni) van een door Frankrijk geleide troepenmacht in de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties goedgekeurde Opération Turquoise, welke tot doel had in dit deel van Rwanda een beveiligde zone te vestigen. Vanaf eind augustus, na het vertrek van de buitenlandse troepen, kwam ook dit (laatste) deel van Rwanda onder het gezag van het RPF. 33. De rechtbank zal later in dit vonnis uitvoerig aandacht besteden aan de verwevenheid van (het verloop van) de burgeroorlog en de genocide en de betekenis daarvan voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven. Zij maakt er hier reeds melding van dat de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal zich in haar eerste vonnis (de zaak Akayesu) expliciet de vraag heeft gesteld of, zoals in sommige kringen werd betoogd,
(71)de massaslachtingen onder de Tutsi's
(72)alleen maar onderdeel uitmaakten van de oorlog tussen de RAF en het RPF. In de paragrafen 127 en 128 heeft zij deze vraag als volgt beantwoord: "
- Finally, in response to the question posed earlier in this chapter as to whether the tragic events that took place in Rwanda in 1994 occurred solely within the context of the conflict between the RAF and the RPF, the Chamber replies in the negative, since it holds that the genocide did indeed take place against the Tutsi's group, alongside the conflict. The execution of this genocide was probably facilitated by the conflict, in the sense that the fighting against the RPF forces was used as a pretext for the propaganda inciting genocide against the Tutsi's, by branding RPF fighters and Tutsi's civilians together, through dissemination via the media of the idea that every Tutsi's was allegedly an accomplice of the Inkotanyi. Very clearly, once the genocide got under way, the crime became one of the stakes in the conflict between the RPF and the RAF. In 1994, General Kagame, speaking on behalf of the RPF, declared that a cease fire could possibly not be implemented until the massacre of civilians by the government forces had stopped.
- In conclusion, it should me stressed that although the genocide against the Tutsi's occurred concomitantly with the above-mentioned conflict, it was, evidently, fundamentally different from the conflict. The accused himself stated during his initial appearance before the Chamber, when recounting a conversation he had with one RAF officer and Silas Kubwimana, a leader of the Interahamwe, that the acts perpetrated by the Interahamwe against Tutsi's civilians were not considered by the RAF officer to be a nature to help the government armed forces in the conflict with the RPF. Note is also taken of the testimony of witness KK which is in the same vein. This witness told the Chamber that while she and the children were taken away, an RAF soldier allegedly told persons who were persecuting her that "instead of going to confront the Inkotanyi at the war front, you are killing children, although children know nothing; they have never done politics". The Chamber's opinion is that the genocide was organized and planned not only by members of the RAF, but also by the political forces who were behind the "Hutu-power", that it was executed essentially by civilians including the armed militia and even ordinary citizens, and above all, that the majority of the Tutsi's victims were non-combatants, including thousands of women and children, even foetuses. The fact that the genocide took place while the RAF was in conflict with the RPF, can in no way be considered as an extenuating circumstance for it."
(73)34. Het OAU-rapport schrijft in dit verband: "For three weeks, the conspirators attempted to hide the rural genocide from the outside world. Shrewd manipulators of the media, the Hutu Power leaders blamed the carnage on civil war, which confused foreign correspondents who knew little about the real situation."
(74)35. Des Forges heeft hierover opgemerkt dat vanaf het begin de oorlog verweven was met genocide omdat de overheidsambtenaren de vijand eerder in etnische dan in zuiver politieke of militaire termen omschreef.
(75)Het Clingendael-rapport spreekt in dit verband van een politicide: gedurende de eerste fase van de genocide werd aan de hand van lijsten de gehele politieke oppositie (ongeacht hun etnische afkomst) vermoord. Omdat dit zich afspeelde ten tijde van de strijd tussen het oprukkende rebellenleger van de RPF en het regeringsleger FAR, konden de moorden langere tijd worden voorgesteld en verdedigd als 'onbedoelde' neveneffecten van de oorlog. Deze mystificatie van de werkelijkheid werd maandenlang als dekmantel door de interim-regering aan de buitenwereld gepresenteerd.
(76)36. De snelle opmars van het RPF, zoals hiervoor omschreven in paragraaf 32, en de daaropvolgende totale ineenstorting van het Hutu-bewind dreef miljoenen Hutu's op de vlucht, ongeveer 2 miljoen van hen vluchtten naar de buurlanden, velen naar Zaïre.
(77)Eén van hen was Joseph M. Hoofdstuk 4: De persoon van de verdachte
- Verdachte is op 1 juli 1968 geboren in [geboorteplaats](Rwanda) als zoon van Eli Murakaza en [F1]. Op zeer jonge leeftijd is hij verhuisd naar Mugonero in de préfecture Kibuye in het westen van Rwanda. Hij heeft één broer (Obed Ruzindana) en acht zussen ([F2], [F3], [F4], [F5], [F6], [F7], [F8] en [F9]). Zijn vader was oorspronkelijk bourgmestre van [geboorteplaats], maar na een auto-ongeluk waarbij hij gehandicapt is geraakt, is hij een (handels)onderneming in Mugonero gestart. Het gezin is Hutu.
- Verdachte heeft de basisschool deels doorlopen op het Zevendedags Adventistencomplex te Mugonero en is daarna naar een internaat in Kigali gegaan voor zijn middelbare schoolopleiding. Na de middelbare school heeft hij drie jaar bouwkunde gestudeerd in Bari (Italië).
- Verdachte is eind 1992 teruggekeerd naar Rwanda. Hij ging werken in de onderneming van zijn vader en verbleef daarvoor afwisselend in Mugonero en Kigali. De onderneming van Elie Murakaza omvatte onder meer een winkel in het centrum van Mugonero, een koffie-exportonderneming in Kigali en koffie- en bananenplantages in de omgeving van Mugonero. In de winkel werden onder andere levensmiddelen, huisraad en bouwproducten verkocht. Verdachte bediende de klanten in de winkel in Mugonero, kocht de winkelvoorraad in en inspecteerde, samen met zijn vader, de diverse plantages in de omgeving.
- De familie Murakaza was zeer welvarend en stond in hoog aanzien bij de bevolking van Mugonero en omstreken.
- Medio juli 1994 is verdachte via Zaïre gevlucht naar Kenia. Zijn broer en een aantal zussen zijn in die periode ook naar het buitenland gevlucht. Op 20 september 1996 werd Obed Ruzindana in Nairobi (Kenia), in aanwezigheid van [verdachte], aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de genocide. Ruzindana werd op 21 mei 1999 door de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf wegens genocide
(78), welk vonnis is bevestigd door de Kamer van Beroep
(79). Hij zit momenteel zijn straf uit in Mali. Eén van de zussen van verdachte, [F2], een voormalig rechter in Kigali, is door de rechtbank van Gitarama (Rwanda) veroordeeld tot de doodstraf wegens misdrijven gepleegd tijdens de genocide. Deze straf is later omgezet in een levenslange gevangenisstraf. De ouders van [verdachte] hebben in de gevangenis gezeten op beschuldiging van betrokkenheid bij de genocide. Zij zijn beiden vrijgelaten, verdachtes vader wegens gebrek aan bewijs en zijn moeder (tijdelijk) wegens ziekte. Na zijn detentie is Elie Murakaza overleden; [F1] heeft Rwanda verlaten.
- [F8], [F7] en [F3] verblijven momenteel in Finland. [F6] en [F4] wonen met hun moeder in Frankrijk en [F5] woont in de Verenigde Staten. [F9] verblijft als vluchteling in Congo. Hoofdstuk 5: Het onderzoek Inleiding
- Een strafzaak als deze is geen alledaagse in de praktijk van de Nederlandse strafrechter. Niet alleen heeft deze te oordelen over misdrijven gepleegd tijdens de genocide in Rwanda in 1994, over verklaringen van getuigen afkomstig uit een ver buitenland en over verklaringen afgelegd tegenover buitenlandse instanties, ook het tijdsbestek waarin het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad is in verhouding met andere zaken zeer groot. Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 21 november 2006 en is gesloten op 9 maart
- Er hebben 13 pro forma zittingen plaatsgevonden en de inhoudelijke behandeling heeft zich over 21 zittingsdagen uitgespreid. Verdachte heeft vanaf zijn aanhouding ca. 2 jaar en zeven maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht alvorens eindvonnis is gewezen.
- De rechtbank ziet in de bijzondere aard van deze zaak, het complexe onderzoek dat heeft plaatsgevonden en de lengte van de procedure, aanleiding om bij het eindvonnis (en niet alleen in de processen-verbaal) verslag te doen van en verantwoording af te leggen over het onderzoek dat in deze zaak is verricht. Daarbij zal overwegend de chronologische volgorde van het onderzoek worden aangehouden. Ten aanzien van de inhoudelijke behandeling zal de indeling van het hoofdstuk thematisch zijn. Van de zijde van de verdediging is forse kritiek geuit - met name op het Openbaar Ministerie - met betrekking tot de kwaliteit van het onderzoek. De rechtbank zal in dit hoofdstuk ook op die kritiek ingaan. Verloop van de procedure IND procedure
- Verdachte is op 11 november 1998 met een vals Oegandees paspoort onder de - eveneens valse - naam [valse naam] vanuit Kenia naar Nederland gereisd. Hij heeft bij aankomst in Nederland asiel aangevraagd en is gehoord door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
(80)Op 1 juli 1999 vond een nader verhoor plaats en verdachte verklaarde toen - verkort en zakelijk weergegeven - als volgt.
(81)Verdachte was in juli 1994 uit zijn woonplaats Mugonero gevlucht omdat het RPF (zie hoofdstuk 3) de Hutu's uitmoordde. Hij was een sympathisant van de MRND en verwachtte - omdat hij Hutu is - dat hij bij terugkeer in Rwanda zou worden gedood door het RPF. Verdachte vreesde ook voor zijn leven, omdat hij bij het Rwanda-tribunaal als getuige à décharge had opgetreden in de rechtszaak tegen zijn broer, Obed Ruzindana. Daarnaast was hij bang om door het RPF opgepakt te worden, omdat dat ook met familieleden van hem (zijn zus, broer en ouders) was gebeurd. Ten slotte verwachtte hij door het regime te worden vervolgd, omdat hij een academicus is, aldus verdachte tegenover de IND. 4. Op 12 augustus 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie het verzoek van verdachte tot toelating tot Nederland dan wel tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf afgewezen, omdat er geen enkel vermoeden bestond dat verdachte in Rwanda gegronde reden had om te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin.
(82)Tegen deze beschikking heeft verdachte een bezwaarschrift ingediend.
(83)De rechtbank is niet bekend of en zo ja wanneer een beslissing op bezwaar is genomen en hoe die beslissing luidt. Wel blijkt uit het dossier dat een aantal jaren later, op 8 februari 2005, aan (de gemachtigde van) verdachte is medegedeeld dat zijn dossier voor behandeling was overgedragen aan de "Unit 1F" van de IND, omdat er aanwijzingen bestonden dat artikel 1F van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen
(84)op de asielaanvraag van toepassing was.
(85)5. Op 14 februari 2006 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht over verdachte uitgebracht.
(86)In dit ambtsbericht staat onder meer het volgende:
- (...) Wel is duidelijk dat betrokkene de leiding had bij een blokkade die 50 meter van de woning in Mugonero was opgericht en dat hij een groep militairen begeleidde bij hun vertrek tot aanval en mensenjacht. Er bestaan talloze getuigenverklaringen tegen betrokkene en zijn broer dat zij bij de genoemde blokkade beslisten over leven en dood van anderen.
- Er bestaan sterke redenen om te veronderstellen dat betrokkene betrokken is geweest bij moordpartijen in Rwanda in
- Tegen betrokkene werd een reeks aan beschuldigingen geuit, te weten: (...) Eigenhandig een persoon genaamd Murego te hebben gedood na met hem in onmin te zijn geraakt; Opdracht hebben gegeven Tutsi's te doden in een ambulance in de buurt van de blokkade in Mugonero
- Betrokkene is in de regio Kibuye in directe staat van beschuldiging gesteld voor deelname in de genocide door de gacaca van Gabiro, district Mahembe, wijk Rusenyi.
- Voor zover bekend, is er geen bevelschrift tegen betrokkene uitgevaardigd, maar het is zeer waarschijnlijk dat dit zal gebeuren. Overige informatie: (...) Vrijwel alle ondervraagde bronnen waren stellig over het feit dat betrokkene heeft deelgenomen aan de massamoord in Mugonero. Onderzoek door de Nationale Recherche vóór de aanhouding van verdachte
- Op 18 mei 2006 heeft de IND het dossier van verdachte overgedragen aan het Landelijk Parket.
(87)Het Landelijk Parket heeft het dossier op 23 mei 2006 vervolgens in handen gesteld van de Nationale Recherche, Team Internationale Misdrijven (TIM), en haar opgedragen om een onderzoek in te stellen naar mogelijke strafbare gedragingen van verdachte. De Nationale Recherche heeft openbare bronnen geraadpleegd, onder andere via internet,
(88)en de telecommunicatiediensten waarvan verdachte gebruik maakte, opgenomen.
(89)Contact tussen het Openbaar Ministerie en het Rwandese Parquet Général
- Na dit onderzoek is het Landelijk Parket in overleg getreden met het Parquet Général in Rwanda. Bij het Parquet Général bleek verdachte bekend in een onderzoek van het Provinciale Parket van Cyangugu (zuidwest Rwanda) in
- Aan dit onderzoek was geen opsporingsprioriteit toegekend, omdat verdachte in het buitenland verbleef en het Parquet Général zich concentreerde op de vervolging en berechting van reeds aangehouden verdachten in Rwanda. Het Openbaar Ministerie heeft op 14 juni 2006 een eerste rechtshulpverzoek gedaan aan de Rwandese autoriteiten en verzocht om toestemming om in Rwanda getuigen te horen.
(90)Naar aanleiding van dit rechtshulpverzoek hebben de Rwandese autoriteiten, op eigen initiatief, de getuigen uit het zogenoemde 'Cyangugu-dossier' opnieuw gehoord.
(91)Vervolg van het onderzoek door de Nationale Recherche 8. Met toestemming van de Rwandese autoriteiten heeft de Nationale Recherche in de periode van 22 juli tot en met 5 augustus 2006 in Rwanda twaalf getuigen gehoord.
(92)Acht van hen kwamen in het 'Cyangugu-dossier' voor en de andere vier kwam de politie op het spoor naar aanleiding van de verklaringen van deze getuigen.
(93)De getuigenverhoren die de Nationale Recherche in Rwanda afnam, gaven ook aanleiding tot het horen van getuigen buiten Rwanda. Bijvoorbeeld: getuige [getuige 7], die voorkwam in het 'Cyangugu-dossier', verklaarde over een Duitse arts en zijn gezin die "bij de slagboom van verdachte" met de dood zouden zijn bedreigd.
(94)Via onderzoek op het internet werden de naam en het adres van deze Duitse arts bekend - [getuige 4] - en vervolgens zijn de arts en zijn vrouw opgespoord en als getuigen gehoord (zie ook hoofdstuk 8: misdrijven tegen het gezin [getuigen 3 en 4]). Aanhouding van verdachte 9. Verdachte is, met toestemming van de officier van justitie, op 7 augustus 2006 in Amsterdam aangehouden wegens verdenking van het plegen van oorlogsmisdrijven.
(95)Direct na de aanhouding heeft de rechter-commissaris doorzoekingen ter inbeslagneming verricht in de woning waar verdachte was aangehouden alsmede in zijn eigen woning. In de woning van verdachte zijn aangetroffen en in beslaggenomen: diverse artikelen, dvd's en boeken over de genocide in Rwanda, een computer met een grote hoeveelheid emailberichten (van en aan personen die van betrokkenheid bij de genocide worden verdacht), het Rwandese paspoort van verdachte en drie lijsten van genocide-verdachten (waarop de naam [verdachte] of Joseph Murakaza overigens niet voorkomt). Contact tussen het en het Rwanda-tribunaal 10. Het Openbaar Ministerie heeft bij brief van 11 augustus 2006 aan de Aanklager van het Rwanda-tribunaal, S. Rapp, melding gemaakt van de aanhouding van verdachte en de Aanklager gevraagd zijn wensen ten aanzien van de vervolging van verdachte kenbaar te maken. Vervolgens is er in de maanden augustus en september 2006 meermalen contact geweest tussen het Openbaar Ministerie en de Aanklager. Hierbij is onder meer ter sprake gekomen dat het Rwanda-tribunaal, gelet op resolutie 1503
(2003)en resolutie 1534
(2004)van de VN Veiligheidsraad, zijn zaken moest gaan afronden en verdachte niet zelf kon berechten. Evenmin behoorde uitlevering van verdachte aan Rwanda tot de mogelijkheden. Het Openbaar Ministerie heeft de Aanklager er daarbij ook op gewezen dat het niet mogelijk was verdachte ter zake van de genoemde feitelijke gedragingen te vervolgen wegens genocide, nu de Nederlandse wetgeving ten aanzien van feiten gepleegd voor oktober 2003 geen universele rechtsmacht voor dit misdrijf kent. Verder zijn de mogelijkheden die de Nederlandse wet biedt om strafvervolging over te nemen besproken alsmede de mogelijkheden van het Rwanda-tribunaal om strafvervolging aan nationale instanties over te dragen. Het Openbaar Ministerie en de Aanklager waren het er over eens dat een zogenoemde `prosecutor's referral´ de aangewezen weg was om de strafvervolging van verdachte wegens genocide aan Nederland over te dragen. Dit heeft geresulteerd in een brief van de Aanklager van 3 oktober 2006 aan de ambassadeur van Nederland in Dar es Salaam te Tanzania met het verzoek het in de bijlage vervatte "request to accept transfer for national prosecution from the Prosecutor of the international criminal tribunal for Rwanda to the minister of justice of the Kingdom of the Netherlands" van 29 september 2006 door te sturen. De Minister van Justitie heeft dit verzoek, dat ziet op de 'prosecution for the crimes of genocide and complicity in genocide', op 27 november 2006 toegewezen en de officier van justitie bij het Landelijk Parket gemachtigd de strafvervolging tegen verdachte over te nemen.
(96)Onderzoek door de Nationale Recherche na de aanhouding van verdachte 11. Het Openbaar Ministerie heeft aan de Finse autoriteiten toestemming gevraagd om de drie in Finland woonachtige zussen van verdachte te horen.
(97)Het Finse National Bureau of Investigation heeft hierop geantwoord dat deze drie getuigen te kennen hadden gegeven dat zij, in verband met hun familierelatie met verdachte, geen verklaring tegenover de Nederlandse autoriteiten wilden afleggen.
(98)Het Openbaar Ministerie heeft voorts aan de Franse autoriteiten verzocht om twee andere zussen en de moeder van verdachte te horen.
(99)Deze drie personen hebben een verklaring afgelegd bij de Nationale Recherche. Voorts is met toestemming van het Rwanda-tribunaal de Nationale Recherche afgereisd naar Arusha (Tanzania) en Mali om negen getuigen te horen, die zich in detentie bevonden als verdachte of veroordeelde van het tribunaal, waaronder de broer van verdachte.
(100)Deze getuigen zijn in opdracht van het Openbaar Ministerie gehoord omdat zij mogelijk voor verdachte ontlastend konden verklaren.
(101)De broer van verdachte, Obed Ruzindana, heeft geweigerd om een verklaring af te leggen.
(102)12. Na de aanhouding van verdachte is de Nationale Recherche vijf maal naar Rwanda afgereisd. Tijdens deze reizen werden getuigen gehoord, plaatsen-delict bezocht en gefotografeerd en metingen verricht. Daarnaast heeft de Nationale Recherche een getuige in Frankrijk
(103), een getuige in Zwitserland
(104)en twee getuigen in Finland gehoord.
(105)Gerechtelijk vooronderzoek I 13. Op 12 oktober 2006 heeft de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/750009-06 (hierna GVO I).
(106)De feiten op de vordering betroffen, kort gezegd, misdrijven tegen de inzittenden van de ambulance alsmede tegen het gezin [getuigen 3 en 4] en misdrijven gepleegd tijdens de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex. Deze misdrijven waren primair tenlastegelegd als oorlogsmisdrijven en subsidiair als foltering. 14. Op 7 november 2006 heeft de rechter-commissaris mevrouw dr. A. des Forges als deskundige benoemd teneinde een onderzoek in te stellen ter beantwoording van diverse door de rechter-commissaris geformuleerde vragen over de situatie in Rwanda voorafgaand en gedurende de genocide in de periode april t/m juli 1994.
(107)Het deskundigenrapport van A. des Forges is op 20 november 2006 ontvangen.
- De rechter-commissaris heeft in Rwanda in de periode van 11 tot en met 18 november 2006 op eigen initiatief en in aanwezigheid van de raadsman en het Openbaar Ministerie drie getuigen gehoord in het kader van dit gerechtelijk vooronderzoek. Eerste pro forma zitting van de rechtbank
- Verdachte is gedagvaard om op 21 november 2006 ter zitting te verschijnen. De feiten op de dagvaarding waren dezelfde als op de vordering tot het instellen van het GVO I (zie hiervoor). Deze zitting had een pro forma karakter. Verdachte en zijn raadsman waren aanwezig. De verdediging heeft toen geen onderzoekswensen kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft de rechter-commissaris opdracht gegeven als getuigen te horen: [getuige 1], [getuige 8], [getuige 10], [getuige 7] en [getuige 15] - de getuigen waarvan de rechter-commissaris reeds ambtshalve had besloten deze te horen - en voorts die onderzoekshandelingen te verrichten die zij noodzakelijk achtte. Gerechtelijk vooronderzoek II
- Het Openbaar Ministerie heeft op 5 januari 2007 een tweede gerechtelijk vooronderzoek (hierna: GVO II) gevorderd ten aanzien van de feiten die staan vermeld op de tweede dagvaarding. Deze feiten betreffen de verkrachtingen van en moorden op een aantal vrouwen en de misdrijven tegen de kleinkinderen [naam getuige 5]. Verder zijn in deze dagvaarding alle feitencomplexen, ook die van de eerste dagvaarding, mede tenlastegelegd als genocide. De rechter-commissaris heeft deze vordering bij beschikking van 11 januari 2007 afgewezen voor zover de aan de verdachte verweten gedragingen in de vordering als genocide zijn gekwalificeerd en voor het overige toegewezen.
(108)Pro forma zittingen 18. Op 12 februari 2007 heeft een tweede pro forma zitting plaatsgevonden. Verdachte en zijn raadsman waren toen niet aanwezig. Ondanks een schriftelijk verzoek van de rechtbank om op 5 maart 2007 ter zitting te verschijnen teneinde onderzoekswensen kenbaar te maken, is de raadsman van verdachte, evenmin als verdachte, ter zitting verschenen. Op die zitting heeft de rechtbank aan de rechter-commissaris opdracht gegeven om
- a)als getuigen (à charge) te horen [getuige 9], [getuige 14] en [getuige 20],
- b)het Zevendedags Adventistencomplex te schouwen en
- c)18 getuigen à décharge te horen in Congo-Brazzaville en Kameroen (deze getuigen had de raadsman aan de rechter-commissaris opgegeven). De raadsman heeft eerst bij brief van 10 mei 2007 zijn onderzoekswensen aan de rechtbank kenbaar gemaakt. De raadsman heeft toen onder andere verzocht aan het strafdossier toe te voegen de verklaringen die de tot dan toe gehoorde getuigen bij andere instanties hadden afgelegd als verdachte of getuigen. Het ging om verklaringen afgelegd ten overstaan van de gacaca, de justitiële autoriteiten in Rwanda, het Rwanda-tribunaal en de justitiële autoriteiten in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS). De raadsman heeft toegelicht waarom hij deze verklaringen aan het dossier toegevoegd wenste te zien: op die manier kon de consistentie worden getoetst van de opeenvolgende verklaringen die een getuige tegenover verschillende instanties had afgelegd. 19. De onderzoekswensen van de verdediging zijn uitvoerig aan bod geweest ter zitting van 11, 16 en 21 mei 2007 in aanwezigheid van de raadsman en verdachte. Voor deze zitting heeft het Openbaar Ministerie een tweede dagvaarding uitgebracht. De feiten op deze dagvaarding waren dezelfde als op de vordering tot het instellen van het GVO II (zie hiervoor). Het Openbaar Ministerie heeft op de zitting van 16 mei 2007 ingestemd met het verzoek van de raadsman door getuigen elders afgelegde verklaringen aan het dossier toe te voegen en daarbij meegedeeld dat rechtshulpverzoeken hiertoe reeds gereed lagen. Tevens hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging tijdens deze pro forma zittingen (deels schriftelijk) standpunten ingenomen over de vraag of de rechtbank rechtsmacht toekwam terzake van het misdrijf van genocide. Zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging hebben daarbij ook schriftelijke vragen van de rechtbank beantwoord. 20. Op de daarop volgende pro forma zittingen - 24 juli, 8 oktober en 20 december 2007, 18 februari, 23 april, 11 juli en 5 september 2008 - is steeds, in aanwezigheid van de raadsman en verdachte, over de voortgang van het onderzoek gesproken. Onderzoek door de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank 21. Op 19 maart 2007 heeft de rechter-commissaris de plaatselijke toestand op het Zevendedags Adventistencomplex geschouwd, de kerk in de buurt van de 'École primair de Ngoma', de twee bruggen bij Mugonero en het marktplein in Mugonero. Bij de schouw waren aanwezig de officier van justitie, de raadsman van verdachte alsmede de Nationale Recherche. 22. In mei 2007 is de rechter-commissaris afgereisd naar Kameroen teneinde zeven (van de 18 door de raadsman opgegeven) getuigen te horen. Drie getuigen zijn gehoord.
(109)De overige vier getuigen hebben geen gehoor gegeven aan de oproeping tot verhoor.
(110)In de periode van mei tot en met juni 2007 heeft de rechter-commissaris vier getuigen à décharge gehoord in Brazzaville (Congo).
(111)De overige getuigen, die in Congo gehoord zouden worden, zijn niet verschenen.
(112)23. De rechter-commissaris heeft in totaal zeven rogatoire reizen naar Rwanda gemaakt teneinde, in opdracht van de rechtbank, getuigen te horen. Daarnaast heeft de rechter-commissaris nog een getuige gehoord in Zwitserland
(113), een getuige in Frankrijk
(114), en drie getuigen in Nederland.
(115)24. Tijdens de pro forma zitting op 24 juli 2007 heeft de rechtbank aan de procespartijen medegedeeld dat zij naar aanleiding van het deskundigenrapport van A. des Forges - door tussenkomst van de rechter-commissaris - enkele aanvullende vragen aan de deskundige zou voorleggen. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie en de raadsman in de gelegenheid gesteld om eveneens aanvullende vragen voor de deskundige in te dienen. De antwoorden van de deskundige op de vragen van de rechtbank, officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank in december 2007 ontvangen.
(116)- De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verbalisant [verbalisant 1], van de Nationale Recherche, ter zitting te horen over de aanleiding van het onderzoek, de wijze waarop het onderzoek is verlopen en de manier waarop de Nationale Recherche bepaalde getuigen 'op het spoor' is gekomen. Op 18 februari 2008 heeft de rechtbank het verzoek om [verbalisant 1] voornoemd ter zitting te horen, afgewezen, maar de raadsman wel de gelegenheid gegeven om - via de rechter-commissaris - verbalisant [verbalisant 1] terzake schriftelijke vragen voor te leggen. [Verbalisant 1] heeft de vragen van de raadsman vervolgens schriftelijk beantwoord. Algemene opmerkingen met betrekking tot de getuigenverhoren
- De Nationale Recherche en de rechter-commissaris hebben een groot aantal getuigen gehoord. Bij de gang van zaken rond de getuigenverhoren maakt de rechtbank de volgende opmerkingen. Vergoedingen & vervoer
- Medewerkers van het Parquet Général hebben, op verzoek van het Openbaar Ministerie, de getuigen die de Nationale Recherche en de rechter-commissaris in Rwanda hebben gehoord, getraceerd en voor verhoor naar Kigali gebracht.
(117)Voor deze organisatie is gekozen in verband met de veiligheid van de getuigen; als het Openbaar Ministerie een paar blanke Nederlandse rechercheurs het veld had ingestuurd om getuigen te gaan zoeken en horen, was in de hele omgeving direct duidelijk geweest wie er als getuige optrad in deze zaak.
(118)De getuigen die de Nationale Recherche heeft gehoord, hebben geen vergoeding ontvangen voor het afleggen van een verklaring; wel heeft de Nationale Recherche op de dag(en) van verhoor gezorgd voor eten en drinken. De Nationale Recherche heeft aan het Parquet Général de reis- en verblijfkosten van de getuigen vergoed. Deze kosten werden schriftelijk door een door de Procureur-Generaal aangewezen administratief medewerker van het Parquet Général aan de Nationale Recherche verantwoord.
(119)Tijdens de laatste reis van de Nationale Recherche hebben vijf getuigen verzocht om in aanmerking te komen voor een vergoeding terzake van inkomstenderving als gevolg van het getuigenverhoor. Het Parquet Général heeft de getuigen de gevraagde vergoeding toegekend. Na overleg met het Openbaar Ministerie heeft de Nationale Recherche deze kosten (een totaalbedrag van 7000 RF) aan het Parquet Général vergoed.
(120)De getuigen à décharge die de rechter-commissaris in Congo en Kameroen heeft gehoord hebben allen een onkostenvergoeding ontvangen. Het bedrag van deze vergoeding is vastgesteld overeenkomstig de door de VN-Straftribunalen gehanteerde berekening. De getuigen in Congo ontvingen ieder € 16 en de getuigen in Kameroen €
- De rechter-commissaris heeft tijdens de rogatoire reis van 26 maart tot en met 3 april 2008 drie getuigen gehoord. Deze verhoren duurden meerdere dagen. De getuigen kregen een dagvergoeding waarvan de hoogte door de hoofdaanklager van het Parquet Général was vastgesteld op (ongeveer) € 7.
(121)Hetzelfde geldt voor de getuigen die de rechter-commissaris in december 2008 en januari 2009 heeft gehoord. [Getuige 18], door de rechter-commissaris in Zwitserland gehoord, heeft een vergoeding ontvangen van de door hem gemaakte kosten conform de Zwitserse regels hiervoor. Psycholoog & maatschappelijk werk(st)er 29. Bij geen van de verhoren door de Nationale Recherche is een psycholoog betrokken geweest. Bij sommige verhoren door de rechter-commissaris is een traumapsycholoog aanwezig geweest om bijstand te verlenen aan de getuigen voorzover deze daaraan behoefte hadden en om de rechter-commissaris desgevraagd van advies te dienen. De rechter-commissaris heeft ten behoeve van de tweede rogatoire reis naar Rwanda een Rwandese maatschappelijk werkster ingeschakeld die voor de getuigen beschikbaar was voor en na de verhoren en in de pauzes.
(122)Bij de verhoren van de getuigen à décharge is geen psycholoog of maatschappelijk werk(st)er aanwezig geweest. Telefonisch contact tussen de raadsman en verdachte 30. Op 11 oktober 2006 heeft de rechter-commissaris op grond van artikel 177 Sv aan de politie opdracht gegeven om te onderzoeken of een video- en/of audioverbinding tot stand kon worden gebracht tussen de plaats van (getuigen)verhoor in Rwanda en het Huis van Bewaring waar verdachte zich op dat moment bevond, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen op die manier bij de verhoren van de getuigen 'aanwezig' te zijn.
(123)Dit bleek niet mogelijk.
(124)De rechter-commissaris heeft vervolgens de raadsman bij ieder verhoor, tijdens de onderbrekingen, in de gelegenheid gesteld om telefonisch contact met zijn cliënt te onderhouden via een door de rechter-commissaris beschikbaar gestelde telefoon. Beïnvloeding en verdwijning van getuigen
- Zoals hierboven vermeld heeft de rechtbank ter zitting van 21 november 2006 opdracht gegeven aan de rechter-commissaris om onder andere de getuigen [getuige 7] en [getuige 15] te horen. De Nationale Recherche en de rechter-commissaris hebben deze twee getuigen niet (nader) kunnen horen, omdat deze getuigen onvindbaar bleken. Ten tijde van de tweede pro forma zitting van 12 februari 2007 heeft het Openbaar Ministerie aan de orde gesteld dat er aanwijzingen waren dat verdachte en/of zijn broer probeerde(n) getuigen te beïnvloeden en dat de twee genoemde getuigen waren "verdwenen". Voorafgaand aan deze zitting heeft het Openbaar Ministerie stukken met deze aanwijzingen aan de rechtbank en de verdediging ter hand gesteld.
- In de loop van het onderzoek is duidelijk geworden dat er grote druk is uitgeoefend op een aantal getuigen om niet naar waarheid te verklaren. De rechtbank heeft - op grond van hierna te noemen feiten en omstandigheden - vastgesteld dat de familie van verdachte bij de verdwijning van de hiervoor genoemde twee getuigen en de op ook andere getuige uitgeoefende druk betrokken is geweest en dat verdachte hierover (in ieder geval achteraf) door zijn zus is geïnformeerd.
- De relevante feiten en omstandigheden zijn de volgende.
- In november 2006 heeft de getuige [getuige 1], getuige in de zaak over de misdrijven tegen de inzittenden van de ambulance, telefonisch tegenover de Nationale Recherche verklaard dat er geruchten 'in het dorp' - de rechtbank gaat er vanuit dat hij het heeft over het dorp Mugenero - rondgingen dat [getuige 7] en [getuige 15] naar het buitenland waren gevlucht, omdat zij geen verklaringen meer in de zaak tegen verdachte wilden aflegen. [Getuige 1] had gehoord dat de groep van [verdachte] er iets mee te maken had, omdat diens broer, Obed Ruzindana, telefonisch contact had gehad met mensen in de omgeving. [Getuige 1] had het vermoeden dat [getuige 7] en [getuige 15] naar het buitenland waren gebracht om ervoor te zorgen dat zij hun verklaring zouden "intrekken", aldus [getuige 1] tegenover de Nationale Recherche.
(125)35. Daarnaast verklaarde [getuige 1] dat hij een maand daarvoor benaderd was door [getuige 21] die hem vertelde dat de broer van verdachte hem het land uit wilde hebben, zodat hij geen verklaring meer kon afleggen. Nadat [getuige 1] had geweigerd om mee te werken, heeft Obed Ruzindana contact opgenomen met [naam] - waarmee wordt bedoeld [getuige 28] -
(126), een vriend van [getuige 1]. Obed Ruzindana heeft [getuige 28] opdracht gegeven om [getuige 1] "vriendelijk te vragen zijn verklaring te veranderen": [getuige 1] moest zeggen dat de ambulance moest omkeren op bevel van de militairen die samen werkten met Ruzindana in plaats van op bevel van Joseph. [Getuige 28] heeft het verzoek van Obed Ruzindana aan [getuige 1] overgebracht, maar hij adviseerde [getuige 1] ook om contact op te nemen met de Rwandese autoriteiten omdat hij bang was voor Obed Ruzindana.
(127)[Getuige 1] voelde zich onveilig, omdat hij niet akkoord was gegaan met het voorstel van Obed Ruzindana en daarom heeft hij contact opgenomen met M. Kagiraneza, Aanklager van het Parquet Général te Kigali.
(128)36. In november 2006 heeft de Nationale Recherche [getuige 21] ook gehoord. Hij verklaarde dat hij Obed Ruzindana kende via [F 10], die in hetzelfde dorp heeft gewoond. [F 10] is de zoon van [F 3] en dus een neef van verdachte. [F 10] had contact met hem opgenomen, omdat hij wilde weten wat de mensen over verdachte hadden gezegd tijdens de gacaca. [Getuige 21] vertelde [F 10] dat [getuige 1] had verklaard over een incident bij een slagboom. Kort hierna nam Obed Ruzindana contact op met [getuige 21] met het verzoek om [getuige 1] te benaderen om hem de vragen of hij inderdaad een dergelijke verklaring had afgelegd en om te informeren of hij zijn verklaring niet in wilde trekken. Als [getuige 1] het zou willen, zou Obed Ruzindana hem helpen om "zich te verplaatsen". [Getuige 21] heeft [getuige 1] benaderd, maar deze zei dat hij zijn verklaring niet meer kon veranderen en dat [getuige 7] degene was die een verklaring had afgelegd over [de betrokkenheid van verdachte bij] een moordpartij in Mugonero.
(129)37. [Getuige 21] heeft ook verklaard dat hij op verzoek van Obed Ruzindana [getuige 7] opgezocht heeft, waarna [getuige 7] en Obed Ruzindana een telefoongesprek hebben gevoerd via de mobiele telefoon van [getuige 21]. Hij kon niet goed horen wat er gezegd werd, maar hij hoorde [getuige 7] het volgende tegen Obed Ruzindana zeggen: "Ja, dat is goed, geen probleem". Hierna heeft [getuige 21] [getuige 7] niet meer gezien.
(130)38. Uit de historische gegevens van de GSM van [getuige 21] in de periode van september tot en met november 2006 blijkt dat er zowel inkomende als uitgaande gesprekken zijn geweest met Obed Ruzindana.
(131)39. [Getuige 29], de partner van getuige [getuige 7], en [getuige 30], de vrouw van getuige [getuige 15] hebben in maart 2007 tegenover de Nationale Recherche bevestigd dat hun mannen sinds begin september 2006 verdwenen zijn.
(132)[Getuige 29] verklaarde daarnaast dat haar man haar had verteld dat hij weg zou gaan net als [F 10] (de neef van Obed Ruzindana en verdachte).
(133)Deze getuigen zijn onvindbaar gebleken.
(134)40. Uit afgeluisterde tapgesprekken blijkt het volgende: Op 3 januari 2007 sprak verdachte met zijn zus, [F3]. In dit gesprek vertelde zij verdachte dat zij onlangs met iemand gesproken had die het volgende tegen haar had verteld: "die chauffeur van de ambulance was de meest venijnige". Hierop vroeg verdachte aan zijn zus wie de chauffeur van de ambulance was. [F3] antwoordde hierop: "Je weet wel dat het om drie mensen gingen...die wij van tevoren hebben geweten ... die twee zijn kunnen ontvluchten en toen ze de andere benaderde gaf dit verhaal aan de autoriteiten door... hij was benaderd om mee te ontvluchten maar hij weigerde mee te werken... en hij meldde het...en de persoon die het telefoonnummer had gegeven werd ook geterroriseerd en hij vertelde uiteindelijk alles ...en degene die heeft ze geholpen om het land te ontvluchten zou vermoord zijn...in ieder geval is hij niet meer traceerbaar".
(135)41. In een gesprek van verdachte met zijn broer, Obed Ruzindana, op 7 januari 2007 komt de volgende passage voor: Verdachte: Voor de rest...zal ik op de hoogte zijn van wat is gezegd een paar dagen geleden. Ruzindana: Zo gaat het, zullen die mensen van Arusha alles jou laten zien? Verdachte: Alles...Alles...De namen ken ik al...en binnenkort beschik ik over allerlei informatie...alles wat die...[B3] en anderen hebben gezegd. Ruzindana: Die [B3]...ik ken ze allemaal. Verdachte: Alle die informatie krijg ik morgen. Ruzindana: Ongeacht of de getuigenis belastend of ontlastend? Verdachte: Alles...ik ken ze allemaal. Ruzindana: Een paar dagen geleden hebben ze ook 5 andere mensen in Rwanda verhoord...onder welke die persoon die heeft de spullen gestolen...en hij heeft ook gesproken...ik krijg alle informatie morgen. Verdachte: Alles zou ik morgen krijgen.
(136)- Op grond van het vorenstaande staat vast dat zowel [F3] als Obed Ruzindana begin januari 2007 op de hoogte waren van (in ieder geval een deel van de inhoud van) de verklaringen die verschillende getuigen tegen verdachte hebben tot dan toe hadden afgelegd en het feit dat er nog getuigen gehoord zouden worden. Verder staat vast dat zowel [getuige 21] als [getuige 28] door de broer van verdachte zijn benaderd om getuigen te verzoeken hun verklaringen aan te passen in het voordeel van verdachte. Hierbij werden beloftes gedaan in ruil voor het veranderen van de verklaringen.
- Van de getuigen waarvan vaststaat dat deze zijn benaderd, is één getuige bij zijn verklaring gebleven ([getuige 1]); de andere twee getuigen ([getuige 7] en [getuige 15]) zijn verdwenen en konden derhalve niet (nader) gehoord worden door de Nationale Recherche en de rechter-commissaris. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zijn proces niet inhoudelijk met zijn familie te hebben besproken.
(137)Uit het bovenstaande blijkt het tegendeel.
- De rechtbank acht deze gang van zaken rond de beïnvloeding en verdwijning van getuigen uitermate schokkend en zorgwekkend.
- Ook uit verklaringen van andere getuigen in het dossier, zoals [getuige 8]
(138), [getuige 22]
(139)en [getuige 17]
(140), blijkt dat de angst voor de familie van verdachte, met name voor Obed Ruzindana, diepgeworteld is. Verkrijging van 'buitenlandse stukken' Algemeen
- Zoals hiervoor vermeld heeft de raadsman verzocht om aan het strafdossier toe te voegen de verklaringen die de tot dan toe gehoorde getuigen bij andere instanties hadden afgelegd, te weten ten overstaan van de gacaca, de justitiële autoriteiten in Rwanda, het Rwanda-tribunaal en de justitiële autoriteiten in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) en heeft het Openbaar Ministerie van meet af aan duidelijk gemaakt dat het zich zou inspannen om deze verklaringen te verkrijgen. In de loop van het onderzoek zijn aan het dossier toegevoegd verklaringen die getuigen in de onderhavige zaak hebben afgelegd tegenover onderzoekers c.q. rechters van het Rwanda-tribunaal, Amerikaanse en Canadese autoriteiten, en de gacaca. Hoe lastig het vaak was voor het Openbaar Ministerie om de diverse verklaringen in handen te krijgen en welke tijd daar steeds mee gemoeid was, moge blijken uit het volgende. Stukken van het Rwanda-tribunaal
- Het Rwanda-tribunaal heeft aan het Openbaar Ministerie op verschillende momenten gedurende het strafproces verklaringen ter beschikking gesteld die getuigen in deze zaak voor onderzoekers en/of rechters van dat tribunaal hebben afgelegd in de hoedanigheid van verdachte of getuige. Het Openbaar Ministerie is op het probleem gestuit dat het voor het Rwanda-tribunaal niet van meet af aan duidelijk was dat het Openbaar Ministerie de verklaringen wenste in te brengen in een openbaar strafproces in Nederland. Op 21 december 2007 heeft de Aanklager van het Rwanda-Tribunaal een motie bij de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal ingediend teneinde te bewerkstelligen dat de verklaringen aan het Openbaar Ministerie ter beschikking werden gesteld (disclosure).
(141)Op 4 maart 2008 besliste de Kamer van Berechting dat deze verklaringen weliswaar verstrekt mochten worden, maar dat de beschermende maatregelen die voor de desbetreffende getuigen golden mutatis mutandis van kracht bleven in enige procedure voor de Nederlandse justitiële autoriteiten.
(142)Aldus was niet toegestaan dat de rechtbank de verklaringen zou voorhouden op een openbare terechtzitting of als bewijsmiddel zou opnemen in het vonnis.
(143)Na overleg met het Openbaar Ministerie heeft de Aanklager van het Rwanda-tribunaal vervolgens op 17 juli 2008 aan de Kamer van Berechting gevraagd om opheffing van deze beschermende maatregelen.
(144)De Nationale Recherche heeft alle getuigen die het betrof, individueel toestemming gevraagd om de voor hen geldende beschermende maatregelen op te heffen. Allen hebben deze toestemming gegeven. Op 13 augustus 2008 heeft de Kamer van Berechting vervolgens alle beschermende maatregelen opgeheven, waardoor de verklaringen vanaf dat moment gebruikt konden worden in een openbaar strafproces in Nederland.
(145)Vóór de pro forma zitting van 5 september 2008 heeft het Openbaar Ministerie vijf ordners met verklaringen van getuigen, voor wie de beschermende maatregelen hadden gegolden, aan het dossier toegevoegd. Het Openbaar Ministerie had in juli 2008 de verklaringen van de getuigen, die niet onder de beschermende maatregelen vielen, reeds aan de rechtbank en de verdediging verstrekt. 48. Kort voor aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft de raadsman een witness statement van getuige [getuige 8], afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, aan de rechtbank overgelegd. Deze verklaring heeft de rechtbank vervolgens in het dossier gevoegd.
(146)Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft het Openbaar Ministerie nog drie witness statements, afgelegd door getuige [getuige 24] tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, in het dossier gevoegd.
(147)Stukken uit de Verenigde Staten en Canada 49. Het Openbaar Ministerie heeft twee rechtshulpverzoeken aan de VS gestuurd en daarbij de verklaringen van drie getuigen in de zaak tegen Enos Kagabe opgevraagd. In eerste instantie zijn de verklaringen ontvangen die twee van de drie
(148)getuigen tegenover Amerikaanse politieambtenaren in Rwanda hadden afgelegd. Het bleek echter dat deze getuigen ook ter terechtzitting in de VS waren gehoord. De weergave van een verhoor ter terechtzitting wordt in de VS neergelegd in transcripts. Dit zijn letterlijke weergaven van de ter zitting gestelde vragen en antwoorden. Het Openbaar Ministerie heeft deze transcripts vervolgens bij de Amerikaanse justitiële autoriteiten opgevraagd. Op 20 december 2007 bleek dat de contactambtenaar van het Ministerie van Justitie de zgn. casefile had ontvangen. Indien er inderdaad transcripts beschikbaar waren, zouden deze zich in de casefile moeten bevinden. Tijdens de pro forma zitting van 23 april 2008 bleek dat de contactambtenaar inderdaad transcripts had gevonden, maar dat hij nog op toestemming wachtte om deze documenten door te sturen naar Nederland. Het Openbaar Ministerie kon op dat moment niet voorspellen wanneer deze toestemming verkregen zou worden. 50. Tijdens de pro forma zitting van 11 juli 2008 heeft het Openbaar Ministerie meegedeeld dat de verklaringen van twee getuigen uit de VS bij het Landelijk Parket waren aangekomen, maar dat deze verklaringen incompleet bleken. Navraag wees uit dat een gedeelte van deze verklaringen mogelijk verloren was gegaan bij een overstroming en de verklaring van de derde getuige bij dezelfde overstroming in zijn geheel verloren was gegaan. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft het Openbaar Ministerie medegedeeld dat een gedeelte van de verklaringen toch weer 'boven water' was gekomen, maar dat er nu bezwaar aan de kant van de Amerikaanse autoriteiten was gerezen met betrekking tot het gebruik van deze stukken in een Nederlands strafproces: de Amerikaanse autoriteiten stelden zich op het standpunt dat de al toegezonden verklaringen abusievelijk waren verstrekt.
(149)Na het pleidooi van de raadsman heeft het Openbaar Ministerie alsnog toestemming vanuit de VS gekregen en zijn de door de VS verstrekte transcripts in het dossier gevoegd.
(150)- Met betrekking tot de verklaringen die getuigen in deze zaak hadden afgelegd in Canada, heeft de rechtbank de verklaring van één getuige ontvangen. Tijdens de pro forma zitting van 5 september 2008 werd duidelijk dat de Canadese autoriteiten weigerden de verklaring van de tweede getuige te overleggen aangezien dit het Canadese onderzoek zou kunnen schaden. De De eerste verklaring is kennelijk abusievelijk verstrekt door de Canadese autoriteiten. Stukken van de gacaca
- In 1996 is in Rwanda een wet aangenomen waarin de vervolging van genocide-verdachten op nationaal niveau werd geregeld.
(151)Begin 2000 waren ongeveer 2.500 personen berecht door rechtbanken in Rwanda en wachtten er nog 120.000 mensen op hun proces in overvolle gevangenissen.
(152)De overheid heeft in 2000 de traditionele rechtbank, de gacaca, nieuw leven ingeblazen om de werkdruk van de nationale rechtbanken te verlichten.
(153)Een gacaca is een traditionele vorm van geschillenbeslechting in de gemeenschap en de term betekent letterlijk 'gazon' of 'gras' en verwijst naar het feit dat de partijen en de leden van de gacaca op het gras zaten tijdens de procedure.
- Elke gacaca wordt gevormd door een Generale Assemblee, bestaande uit alle leden van de gemeenschap. De Generale Assemblee kiest uit haar midden negen rechters en vijf plaatsvervangers. De uitspraak van een gacaca-rechtbank kan worden aangevochten bij een gacaca-hof. De gacaca werkt in twee fases: in de eerste fase worden de verklaringen verzameld van zowel daders als slachtoffers. In de tweede fase worden de verdachten in verschillende categorieën ingedeeld en berecht. De categorieën zijn afhankelijk van de zwaarte van het misdrijf.
- Op 9 juli 2007 heeft het Openbaar Ministerie een rechtshulpverzoek aan Rwanda gericht ter verkrijging van de gacaca-verklaringen van 14 getuigen.
(154)In de periode van 31 juli 2007 tot en met 15 augustus 2007 was de Nationale Recherche hiervoor in Rwanda. Tijdens dit onderzoek heeft de Nationale Recherche diverse gacaca-cahiers ontvangen van de Rwandese autoriteiten. De gacaca-verklaringen zijn meestal met de hand opgetekend in doorlopende cahiers of dossiers.
(155)Onder de stukken bevonden zich aanklachten tegen verdachte bij de gacaca van de secteur Uwingabo, regio Karongi
(156)en bij de gacaca van de secteur Cyanya en Gitovu, regio Karongi
(157), en een veroordeling van verdachte tot 15 jaar gevangenisstraf bij de gacaca in de secteur Gishyita, regio Karongi.
(158)Verdachte werd in het laatstgenoemde stuk aangeduid als een 'categorie 1'-verdachte; dat wil zeggen behorend tot de zwaarste categorie van genocide-verdachten. 55. Op de pro forma zitting van 18 februari 2008 heeft de raadsman aangegeven dat er - voor zover hij kon overzien - in ieder geval nog drie gacaca-verklaringen in het dossier ontbraken en het Openbaar Ministerie verzocht deze alsnog aan het dossier toe te voegen. Het Openbaar Ministerie heeft dit toegezegd. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 23 april 2008 heeft het Openbaar Ministerie voorts toegezegd dat het de Nationale Recherche nader onderzoek zou laten doen naar eventuele gacaca-verklaringen in Mugozi. Tijdens die zitting heeft het Openbaar Ministerie bij de rechtbank en de verdediging aandacht gevraagd voor de moeilijkheden waarvoor het zich gesteld zag in zijn zoektocht naar gacaca-verklaringen. Zo bestaat er geen centraal opslagsysteem voor gacaca-stukken, zijn zij met de handgeschreven en zijn verklaringen niet op naam opgeslagen. Alle stukken moeten één voor één bekeken worden "in de hoop de namen van de getuigen en/of verdachte in de stapels papieren te herkennen". In maart en mei 2008 heeft de Nationale Recherche nog aanvullende gacaca-stukken ontvangen.
(159)Op 16 mei 2008 is de Nationale Recherche naar het kantoor van de gacaca van Mugozi te Kibingo gegaan teneinde de gacaca-verklaringen van drie getuigen te verkrijgen. Ter plaatse bleek dat de administratie en de opslag van getuigenverklaringen van dien aard was, dat het zoeken een zeer arbeidsintensieve en tijdrovende actie zou zijn. Omdat het niet mogelijk was om de administratie in een afzienbare periode te doorzoeken, is in overleg met het Openbaar Ministerie besloten de zoekactie te staken.
(160)56. Tijdens de inhoudelijke behandeling is gebleken dat de datering van de gacaca-verklaringen onduidelijk is. Bij veel verklaringen staat namelijk niet vermeld wanneer deze verklaringen zijn afgelegd. De Nationale Recherche heeft hierop een aanvullend proces-verbaal opgemaakt met enkele aanknopingspunten voor de rechtbank en de procespartijen om de verklaringen enigszins te kunnen dateren.
(161)Inhoudelijke behandeling van de zaak 57. Met de inhoudelijke behandeling van de zaak kon niet eerder worden gestart dan in oktober 2008, omdat tot die tijd nog een groot aantal buitenlandse verklaringen 'in de pijplijn' zat en het dossier derhalve nog niet compleet was. Het uitstel van de inhoudelijke behandeling tot oktober 2008 hield geen verband met het arrest van de Hoge Raad dat zou verschijnen over de kwestie van de rechtsmacht terzake van genocide in deze zaak. Dat arrest werd gewezen op 21 oktober 2008, kort na de start van de inhoudelijke behandeling. Zoals gezegd heeft de Hoge Raad bevestigd hetgeen de rechtbank op 24 juli 2007 had beslist, te weten dat de Nederlandse strafrechter geen rechtsmacht heeft voor zover de aan verdachte tenlastegelegde feiten het misdrijf van genocide betroffen.
(162)De rechtbank had er overigens wel, via een schriftelijk verzoek aan de president van de Hoge Raad, op aangedrongen dat de zaak, met het oog op de inhoudelijke behandeling, met voorrang zou worden behandeld. In dat verzoek heeft de president van de Hoge Raad bewilligd.
- De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzittingen van 13, 14, 16, 17, 20, 21, 23, 24, 27, 28 oktober, 3, 10, 11, 17, 18, 19, 24 november, 1 en 4 december 2008, 2 februari en 9 maart
- De volgende aspecten van de inhoudelijke behandeling behoeven vermelding danwel een korte bespreking. Tolken
- Verdachte, een universitair geschoolde man die inmiddels meer dan tien jaar in Nederland verblijft, begrijpt de Nederlandse taal uitstekend en spreekt deze ook redelijk goed. Dit bleek reeds vrijwel aan het begin van het onderzoek ter terechtzitting. Niet alleen had de Nationale Recherche verdachte steeds in de Nederlandse taal gehoord, omdat verdachte kenbaar had gemaakt deze taal goed te begrijpen en voldoende te spreken en geen bezwaar te hebben tegen een verhoor in het Nederlands, ook uit de reacties van verdachte - al dan niet non-verbaal - op het verhandelde ter zitting bleek dat verdachte het Nederlands probleemloos kon volgen. Op verzoek van de verdediging was ter zitting niettemin steeds een tolk Kinyarwanda beschikbaar. De rechtbank heeft het aan verdachte overgelaten om te beslissen op welke momenten hij bijstand van de tolk wenste. Zo is niet al het verhandelde ter zitting steeds vertaald. Tijdens de inhoudelijke behandeling is de rechtbank opgevallen dat verdachte de tolk regelmatig verbeterde, indien deze iets in zijn visie niet goed vertaalde of de tolk hielp met het vinden van de juiste Nederlandse woorden of uitdrukkingen, indien hij de indruk had dat de tolk deze niet meteen paraat had. Daarnaast heeft verdachte zich ook regelmatig rechtstreeks in de Franse en Nederlandse taal naar de rechtbank geuit. Proceshouding van verdachte
- Verdachte is na zijn aanhouding zeventien keer gehoord door de Nationale Recherche. Hij heeft tijdens de eerste zes verhoren verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden, zijn familieleden, de omgeving waar hij woonde en werkte in Rwanda etcetera en hij heeft deze verklaringen ook ondertekend. Na het zesde verhoor heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en de verklaringen niet meer willen ondertekenen. Vanaf het derde verhoor heeft de Nationale Recherche de verklaringen van verdachte met audio- en/of visuele apparatuur opgenomen.
- Tijdens de pro forma zitting van 11 juli 2008 heeft verdachte verklaard dat hij de inhoud zijn strafdossier "voor 100%" kent en dat hij bereid is om tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak de vragen van de rechtbank te beantwoorden. Hij heeft gezegd graag te willen meewerken aan het onderzoek.
(163)- Vanaf de tweede dag van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting - op 14 oktober 2008 - heeft verdachte zich met enige regelmaat op zijn zwijgrecht beroepen, wanneer de rechtbank hem vragen stelde, ook als het om vragen ging waar verdachte eerder in de procedure wel antwoord op had gegeven. Op vragen van het Openbaar Ministerie heeft verdachte zich nagenoeg altijd op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank heeft verdachte voorgehouden dat hij zelf meerdere malen, in de aanloop tot de inhoudelijke behandeling, kenbaar heeft gemaakt dat er bij de verhoren door de Nationale Recherche misverstanden waren ontstaan, die hij ter terechtzitting zou willen ophelderen. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft verdachte echter desgevraagd niet toegelicht om welke onderdelen van de verhoren het dan ging en in welke zin hij deze wenste aan te vullen of te wijzigen. Verdachte heeft meermalen verzucht dat hij wil en hoopt dat "de waarheid boven tafel komt" en dat het Openbaar Ministerie en de rechter-commissaris daar "niet naar op zoek zijn geweest". Desgevraagd heeft verdachte verklaard er wel van overtuigd te zijn dat de rechtbank op zoek is naar de waarheid. De rechtbank heeft verdachte in dit verband voorgehouden dat hij niet behulpzaam is bij deze zoektocht, als hij zich bij cruciale vragen op zijn zwijgrecht beroept, hetzij omdat verdachte dat zelf wil hetzij op advies van zijn raadsman. Hierdoor zou allicht het idee kunnen ontstaan dat verdachte niet op zoek is naar de waarheid en dat hij ten aanzien van bepaalde punten het beter vindt dat de rechtbank de waarheid niet te weten komt. Verdachte heeft zijn proceshouding hierop echter niet aangepast.
- Verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn zaak verklaard over de situatie in zijn woonplaats Mugonero tijdens de genocide. Kort samengevat heeft hij verklaard dat hij niet gemerkt heeft dat er in het dorp onderscheid werd gemaakt tussen Hutu's en Tutsi's
(164), dat hij zelf niet wist wie in zijn dorp Hutu of Tutsi was
(165), dat hij - na zijn terugkomst uit Italië - niets gemerkt heeft van toegenomen spanningen of problemen tussen Hutu's en Tutsi's166, dat hij niets heeft gemerkt van haatpropaganda tegen Tutsi's
(167), dat hij geen gewelddadigheden heeft gezien
(168), dat hij in Mugonero nooit Interahamwe heeft gezien
(169). Kortom, Mugonero was volgens verdachte tijdens de genocide een rustige plek, waar Hutu's en Tutsi's vreedzaam naast elkaar leefden zonder dat etniciteit een rol speelde in het dagelijks leven. De enige vorm van onveiligheid in het dorp kwam van mensen die op de vlucht waren geslagen voor de oorlog tussen de RAF en het RPF, aldus verdachte.
(170)- Het behoeft geen betoog dat deze uitlatingen van verdachte, welke een volledige ontkenning van de realiteit inhouden, en de hiervoor beschreven opstelling ter zitting invloed hebben gehad en kleuring hebben gegeven aan de wijze waarop de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft deze kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte overigens niet bij enige bewijsoverweging betrokken. Ten slotte wordt hier nog gemeld dat verdachte zich ter zitting heeft laten ontvallen dat de rechtbank zich niet alleen zou moeten afvragen of Hutu's de Tutsi's hebben doodgemaakt maar ook 'wat de Tutsi heeft gedaan om de dood te verdienen'. Gevraagd om een uitleg hiervan heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Het horen van getuigen in het algemeen
- De rechtbank heeft in de aanloop naar de inhoudelijke behandeling meermalen aan het Openbaar Ministerie en de verdediging de vraag voorgelegd of zij getuigen ter zitting wensten te horen. Beide hebben deze vraag steeds ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft geen noodzaak gezien om ambtshalve getuigen ter zitting te doen verschijnen.
- Wel heeft het Openbaar Ministerie, op 20 december 2007, de rechtbank in overweging gegeven om één van de zittingsrechters als rechter-commissaris te benoemen om in Rwanda twee getuigen te horen. Het Openbaar Ministerie heeft uitgesproken dat het - in zijn visie - zou bijdragen "aan de scherpte van het referentiekader" van de rechtbank indien een van de zittingsrechters zelf zou ervaren hoe de verhoren verlopen, onder welke omstandigheden de rechter-commissaris tot dan toe gewerkt had en om Rwanda met eigen ogen te zien. De raadsman heeft zich uitdrukkelijk bij dit voorstel aangesloten.
- De rechtbank heeft na beraad op dit punt, ter zitting van 18 februari 2008, aan partijen medegedeeld dat zij geen gebruik zou maken van de bevoegdheid om één van de zittingsrechters als rechter-commissaris aan te wijzen. De motieven van het Openbaar Ministerie en de raadsman om tot een dergelijke benoeming over te gaan, acht de rechtbank begrijpelijk en relevant maar houden in dat aldus één van de zittingsrechters een soort schouw zou houden. Hiervoor is de bevoegdheid een zittingsrechter als rechter-commissaris aan te wijzen echter niet bedoeld. Bovendien bepaalt artikel 318 Sv dat het verplaatsen van de terechtzitting voor een gerechtelijke plaatsopneming slechts mogelijk is binnen het rechtsgebied van de rechtbank. Daarnaast is de concrete toegevoegde waarde van het verhoor door één van de zittingsrechters van juist de twee genoemde getuigen niet gebleken. Terzijde merkt de rechtbank op deze plaats op dat het in WIM-zaken de voorkeur zou verdienen indien de rechtbank ook kan schouwen op plaatsen buiten het eigen rechtsgebied. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn om te kunnen beoordelen wat een getuige al dan niet heeft kunnen zien of horen vanaf een bepaalde (verstop)plek. Het horen van de getuige Adrien Harorimana
- Zoals gezegd heeft de rechtbank geen noodzaak gezien getuigen op te laten roepen en heeft het Openbaar Ministerie meermalen desgevraagd aangegeven evenmin getuigen ter zitting te willen horen. Dit werd voor het Openbaar Ministerie echter anders, toen bekend werd dat Adrien Harorimana als beledigde partij en nabestaande van één van de slachtoffers van de aan verdachte verweten misdrijven ter zitting zou verschijnen. Bij brief van 2 oktober 2008 heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank en de verdediging medegedeeld dat het voornemens was om Adrien Harorimana als getuige op te roepen voor de behandeling ter terechtzitting. Ter zitting heeft het Openbaar Ministerie toegelicht dat met het oog op collusiegevaar, de kans op beïnvloeding van getuigen door verdachte en/of zijn familie en de mogelijk onevenredige belasting die een verhoor ter zitting voor een getuige zou kunnen meebrengen, aanvankelijk was besloten in het geheel geen getuigen ter zitting op te roepen. Nu Adrien Harorimana zich als beledigde partij had gevoegd in het strafproces tegen verdachte, hij had aangegeven in ieder geval ter zitting te zullen verschijnen in zijn hoedanigheid van beledigde partij en nabestaande en zich ook bereid had verklaard om als getuige ter zitting op te treden, speelden de bezwaren tegen een verhoor ter zitting een minder grote rol. Het Openbaar Ministerie heeft voorts uitgelegd dat het de getuige ter zitting wenste te doen horen teneinde "de betrouwbaarheid van de getuige te onderstrepen". Daarnaast zou de getuige bij de rechtbank "begrip kunnen kweken voor de contextuele situatie in Rwanda en de mogelijk cultuurverschillen".
(171)De raadsman heeft zich verzet tegen het horen van de getuige.
(172)69. De rechtbank heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de getuige Adrien Harorimana volgens de rechter-commissaris was 'afgehoord'
(173)en dat deze geen vragen had belet ten tijde van het verhoor van deze getuige. De rechtbank heeft ter zitting uitgesproken dat zij aan de zijde van het Openbaar Ministerie weliswaar een vervolgingsbelang bij het horen van deze getuige aanwezig achtte, namelijk het belang van het onderstrepen van de betrouwbaarheid van deze getuige, maar dat zij bij voorbaat reeds kon aangeven dat zij geen vragen aan deze getuige zou hebben.
(174)Ter terechtzitting van 23 oktober 2008 heeft het Openbaar Ministerie meegedeeld dat niet langer werd vastgehouden aan het verzoek getuige Adrien Harorimana te horen. De getuige is niet ter zitting gehoord. Beledigde partijen
- Als beledigde partijen hebben zich gevoegd [getuige 4] en [getuige 3] (feit 3 op dagvaarding I) en Adrien Harorimana (feit 1 op dagvaarding II). Zij allen hebben vorderingen tot schadevergoeding ingediend en zijn, bijgestaan door hun raadsvrouw mr. Zegveld, ter terechtzitting verschenen om hun vorderingen toe te lichten. Spreekrecht
- Sinds 1 januari 2005 hebben slachtoffers van bepaalde strafbare feiten het recht om een schriftelijke slachtofferverklaring in te dienen of om mondeling in de rechtszaal een verklaring af te leggen: het spreekrecht. Het spreekrecht is in het Nederlandse strafproces geïntroduceerd om slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid te geven om de gevolgen, die zij ondervinden van jegens hen gepleegde strafbare feiten aan de rechtbank uiteen te zetten.
- [Getuige 4 ] en [getuige 3] hebben beiden, als slachtoffer van feit 3 op dagvaarding I, ter terechtzitting van 20 oktober 2008 van hun spreekrecht gebruik gemaakt.
- Spreekgerechtigd is slechts in beginsel het slachtoffer zelf; alléén bij overlijden kan het slachtoffer worden vervangen door een nabestaande. Artikel 336 Sv beperkt dit spreekrecht tot een beperkte groep nabestaanden (in de zijlijn tot en met de tweede graad). Uit de verklaring van Adrien Harorimana blijkt dat zijn vader de broer is van de opa van Consolata Mukamurenzi.
(175)In Rwanda wordt een dergelijke familierelatie als een directe familierelatie gezien; in Nederland zouden Adrien Harorimana en Consolata Mukamurenzi echter familieleden in de vijfde graad zijn geweest. Adrien Harorimana heeft ook verklaard dat hij waarschijnlijk het enige nog in leven zijnde familielid van Consolata Mukamurenzi is.
(176)- Adrien Harorimana valt aldus niet binnen de groep van nabestaanden die een afdwingbaar spreekrecht hebben. Voor zover de rechtbank kan overzien, is Adrien Harorimana de enige nabestaande van Consolata Mukamurenzi. Het feit dat er, zoals in dit geval, binnen de wettelijke vastgestelde kring van spreekgerechtigde personen geen familielid meer in leven is dat van het spreekrecht gebruik kan maken, is een omstandigheid, waarin de wetgever niet heeft voorzien. De rechtbank heeft in deze bijzondere omstandigheid aanleiding gezien Adrien Harorimana in de gelegenheid te stellen het spreekrecht uit te oefenen, te meer nu er ook geen wettelijke bepaling is die zich daartegen verzet. Adrien Harorimana heeft ter terechtzitting van 23 oktober 2008 gebruik gemaakt van zijn spreekrecht. Van de zijde van de verdediging is hiertegen overigens geen bezwaar gemaakt. Nieuw onderzoek door de rechter-commissaris naar aanleiding van buitenlandse stukken
- Na requisitoir en pleidooi heeft de rechtbank, op 24 november 2008, het onderzoek ter terechtzitting ambtshalve geschorst teneinde de rechter-commissaris vijf getuigen nader te laten horen in Rwanda. Het gaat om de vijf slachtoffers die hebben verklaard over de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex ten overstaan van onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal en/of de autoriteiten van de Verenigde Staten en/of Canada. De desbetreffende verklaringen zijn pas in het geding gebracht, nadat de verhoren van de vijf getuigen door de rechter-commissaris waren afgerond (zie hierboven paragraaf 47). Als de rechter-commissaris bij zijn verhoren de beschikking had gehad over de door deze getuigen afgelegde statements en testimonies dan had zij/hij daar - zonder twijfel - vragen over gesteld, met name nu opvalt dat in die stukken de naam van verdachte nagenoeg nooit wordt genoemd en in ieder geval niet in verband met de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex. De vragen die naar aanleiding van deze stukken zijn gerezen zijn ook ter zitting aan de orde gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de rechter-commissaris niet volledig heeft kunnen zijn, omdat bij de verhoren van deze getuigen zij niet met inhoud van voornoemde verklaringen zijn geconfronteerd.
- De rechtbank heeft zich de vraag gesteld op welke wijze de getuigen nogmaals gehoord zouden moeten worden: op zitting, via een telehoor-verbinding danwel door de rechter-commissaris in Rwanda. De rechtbank heeft de voorkeur gegeven aan een rogatoire reis door de rechter-commissaris. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, zoals gezegd, het onderzoek van de rechter-commissaris niet volledig is geweest en in feite aldus aan de orde was een vervolg op een eerder aan de rechter-commissaris verstrekte opdracht. Telehoren lag niet in de rede vanwege culturele verschillen en mogelijke technische problemen. Voorts heeft de rechtbank hierover overwogen dat de rechter-commissaris de getuigen beter op hun gemak kan stellen - hetgeen gelet op de feiten waarover ze moeten verklaren noodzakelijk wordt geacht - als hij de getuigen in persoon ziet. Verder kan de rechter-commissaris maatregelen treffen om zoveel mogelijk contacten tussen de getuigen onderling te voorkomen en aldus de waarheidsvinding te bevorderen.
- Ten behoeve van de nadere verhoren door de rechter-commissaris heeft de rechtbank een lijst met vragen opgesteld vergezeld van een toelichting met vindplaatsen en deze ter beschikking gesteld aan de rechter-commissaris. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld eventuele feitelijke onjuistheden hierin te signaleren en aanvullende vragen op te geven. Van deze mogelijkheid heeft met name het Openbaar Ministerie gebruik gemaakt; de raadsman slechts op een enkel punt. De rechter-commissaris heeft de vijf getuigen in december 2008 en januari 2009 opnieuw gehoord. Kritiek van de verdediging op de kwaliteit van het onderzoek Kritiek op het Openbaaar Ministerie
- De kritiek van de verdediging op het Openbaar Ministerie was omvangrijk en hard. Het Openbaar Ministerie zou in het onderzoek "nalatig" en "gebrekkig" zijn geweest; het zou "onkundig" zijn; "niet op zoek naar de waarheid", "de ogen sluiten voor de realiteit" en zich laten "meeslepen door emotie". Meer concreet heeft de verdediging het Openbaar Ministerie verweten - onder meer - dat: a. onvoldoende, en niet voortvarend, onderzoek is gedaan naar eerder afgelegde verklaringen van getuigen tegenover buitenlandse instanties; b. geen of onvoldoende forensisch onderzoek is gedaan; c. er geen foslo-confrontaties hebben plaatsgevonden.
- Ad a. Uit het verslag van het onderzoek, zoals hierboven weergegeven, volgt dat deze kritiek feitelijke grondslag mist. De rechtbank heeft geconstateerd dat het Openbaar Ministerie van meet af aan het belang van het verkrijgen van elders afgelegde verklaringen heeft onderkend en zich bovenmatig heeft ingespannen om deze verklaringen toe te kunnen voegen aan het dossier.
- Ad b. De raadsman heeft bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten meermalen betoogd dat de verklaringen van getuigen in geen enkel opzicht worden ondersteund door "objectief en onomstotelijk bewijsmateriaal": uit dat materiaal zou onder andere moeten blijken welke slachtoffers "er dood zijn, hoe ze dood zijn gegaan, waarmee ze dood zijn gemaakt, waar deze personen überhaupt vandaan kwamen". Het dossier bood daartoe wel voldoende aanknopingspunten, aldus de raadsman. Er hadden forensische opgravingen moeten worden gedaan
(177), met daaraan gekoppeld onderzoek naar de vraag omtrent de doodsoorzaak,
(178)hoe oud de stoffelijke overschotten waren en dna-onderzoek. Er hadden foto's van de lijken moeten worden genomen. Bij de burgerlijke stand in Rwanda hadden nadere gegevens over slachtoffers moeten worden opgevraagd.
(179)De raadsman heeft er op gewezen dat er geen kledingstukken van slachtoffers zijn aangetroffen en evenmin moordwapens of schotresten. 81. Aan deze stellingen van de raadsman ligt onder meer de veronderstelling ten grondslag dat van de slachtoffers in deze zaak bekend is op welke plaats zij zijn begraven, dat van de slachtoffers referentiemateriaal (dna) beschikbaar is ten behoeve van identificatie van stoffelijke overschotten en dat de autoriteiten van Rwanda beschikken over aktes van geboorten en overlijden van de tijdens de genocide omgekomen personen. Deze veronderstellingen missen iedere realiteitszin. Zo heeft de raadsman ten aanzien van de verkrachting van en moord op Consolata Mukamurenzi aangevoerd dat er een opgraving van Consolata Mukamurenzi had moeten plaats vinden op de plek die getuige Adrien Harorimana had aangewezen. De raadsman is hierbij volledig voorbijgegaan aan de opmerking van deze getuige over hoe hij Consolata Mukamurenzi heeft moeten achter laten: "We hebben Consolata Mukamurenzi een beetje kunnen toedekken met aarde, maar niet goed genoeg, omdat we moesten vluchten en drie dagen later toen wij bij de plek terug kamen, zag ik dat Consolata Mukamurenzi niet meer in haar graf lag en dat zij daar kennelijk was uitgehaald door honden. We hebben haar nooit meer teruggevonden."
(180)Een ander voorbeeld is dat de raadsman heeft aangevoerd dat er forensische opgravingen hadden moeten plaatsvinden op de plaats waar inzittenden van de ambulance zouden zijn begraven, omdat er getuigen zijn die hebben verklaard over de exacte locatie. Ook hierbij is de raadsman volledig voorbij gegaan aan het feit dat deze getuigen weliswaar een locatie hebben aangeduid waar de slachtoffers van de ambulance zouden zijn begraven, maar tevens hebben verklaard dat na de genocide alle slachtoffers zijn herbegraven in massagraven.
(181)Een forensische opgraving was dus niet mogelijk. 82. De rechtbank onderschrijft de conclusie van het Openbaar Ministerie dat alle mogelijkheden voor forensisch onderzoek voldoende tegen het licht zijn gehouden
(182)en dat de inhoud van het dossier geen enkel realistisch perspectief biedt op verkrijging van ander relevant forensisch bewijs dan het bewijs dat zich in het dossier bevindt. 83. Ad c. De getuigen in deze zaak hebben - ieder voor zich - gemotiveerd aangegeven verdachte te kennen
(183), bijvoorbeeld omdat hij de zoon van een machtige koopman was, zij bij hem of zijn familieleden op school hebben gezeten, zij regelmatig koffie aan hem verkochten etcetera. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van vrijwel elke getuige à charge heeft aangegeven dat hij deze getuige niet kent (en ook overigens) geen aanwijzing gevonden om de getuigenverklaringen op dit punt in twijfel te trekken. Immers, verdachte