RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 07/2491 DIVBEL Uitspraakdatum: 10 maart 2009 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X] N.V., gevestigd te [Z], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Eiseres heeft op 28 februari 2006 over het boekjaar 2005 een dividend van € 1.003.600 beschikbaar gesteld. Hierop heeft eiseres € 97.260 dividendbelasting ingehouden. Dit bedrag heeft eiseres op aangifte afgedragen. 1.2. Verweerder heeft het door eiseres tegen de afdracht op aangifte gemaakte bezwaar bij besluit van 1 december 2006 ongegrond verklaard. 1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 december 2006, ontvangen bij de rechtbank op 12 december 2006, beroep ingesteld. 1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.5. Eiseres heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupli-ceerd. 1.6. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009 te 's-Gravenhage. Namens eiseres zijn verschenen drs. [A] en drs. [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en mr. [D]. 2 Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Eiseres is een naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde naamloze vennootschap. In het handelsregister is als bedrijfsomschrijving van eiseres vermeld: "Het aangaan en realiseren van licentieovereenkomsten met betrekking tot software, het aangaan van onderhouds- en gerelateerde implementatieovereenkomsten". Eiseres houdt deelnemin-gen in vennootschappen, gevestigd in Frankrijk, Tunesië, Spanje en België. 2.2. De aandeelhouders van eiseres zijn [E] N.V., gevestigd in de Neder-landse Antillen (hierna: [E N.V.].) en [F]., gevestigd in Marokko (hierna: [F s.a.].). Het belang van [E N.V.]. in eiseres is 91,67%. Het belang van [F s.a.]. in eiseres is 8,33%. 2.3. Op het gedeelte van het onder 1.1. genoemde dividend dat toekwam aan [E N.V.]. ten bedrage van € 920.000, heeft eiseres dividendbelasting ingehouden naar het tarief van 8,3%, genoemd in artikel 11, derde lid, vanaf de derde volzin, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK), tot een bedrag van € 76.360. Op het gedeelte van het onder 1.1. genoemde dividend dat toekwam aan [F s.a.]. ten bedrage van € 83.600, heeft eiseres dividendbelasting ingehouden naar het tarief van 25%, genoemd in artikel 25 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst 2006; hierna: de Wet), tot een bedrag van € 20.900. 3 Geschil 3.1. In geschil is of over het onder 1.1. genoemde dividend terecht en tot het juiste bedrag dividendbelasting is geheven. 3.2. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe - puntsgewijs samengevat - het volgende aan. 3.2.1. Met betrekking tot de dividendbelasting, geheven van [E N.V.]: a. Voor [E N.V.]. vormt het belang in eiseres een belegging waarop artikel 43 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, sedertdien gewijzigd (hierna: EG of EG-Verdrag) niet ziet. Mocht dit anders zijn, dan staat zulks niet in de weg aan de toepassing van artikel 56 EG met betrekking tot het belang van [E N.V.]. in eiseres. b. De heffing van dividendbelasting op het aan [E N.V.]. beschikbaar gestelde dividend is een door artikel 56 EG verboden belemmering van het vrije kapitaalverkeer. c. Deze inbreuk op de vrijheid van kapitaalverkeer wordt niet geheeld door artikel 57 EG omdat 1. het belang van [E N.V.]. in eiseres geen directe investering in de zin van artikel 57 EG is en 2. de regeling, opgenomen in artikel 11, derde lid, van de BRK, per 1 januari 2002 fundamenteel is gewijzigd zodat niet kan worden gezegd dat deze regeling reeds op 31 december 1993 bestond. d. De onder b. genoemde inbreuk op de vrijheid van kapitaalverkeer wordt niet geheeld door artikel 58 EG omdat grensoverschrijdende dividenduitkeringen tussen Nederland en de Nederlandse Antillen vanwege de juridische integratie van beide landen vergelijkbaar zijn met dividenduitkeringen binnen lidstaten hetgeen meebrengt dat Nederland in de relatie tot de Nederlandse Antillen geen ruimere rechtvaardigingsgronden mag hanteren dan die welke gelden binnen lidstaten. e. De omstandigheid dat Nederlandse Antillen behoren tot de landen en gebieden overzee (hierna: lgo), die onderwerp vormen van de bijzondere associatieregeling van de artikelen 182 tot en met 188 EG, staat niet aan de toetsing van de heffing van dividendbelasting op het aan [E N.V.]. beschikbaar gestelde dividend aan artikel 56 EG in de weg. f. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat artikel 56 EG de heffing van divi-dendbelasting op het aan [E N.V.]. beschikbaar gestelde dividend niet verbiedt, kan het tarief van deze heffing niet hoger zijn dan 5% dan wel 7,5%. 3.2.2. Met betrekking tot de dividendbelasting, geheven van [F s.a.]: g. Voor [F s.a.]. vormt het belang in eiseres een belegging waarop artikel 43 EG niet ziet. Mocht dit anders zijn, dan staat zulks niet in de weg aan de toepassing van artikel 56 EG met betrekking tot het belang van [F s.a.]. in eiseres. h. De heffing van dividendbelasting op het aan [F s.a.]. beschikbaar gestelde dividend is een door artikel 56 EG verboden belemmering van het vrije kapitaalverkeer. i. Deze inbreuk op de vrijheid van kapitaalverkeer wordt niet geheeld door artikel 57 EG omdat het belang van [F s.a.]. in eiseres geen directe investering in de zin van artikel 57 EG is. j. De onder h. genoemde inbreuk op de vrijheid van kapitaalverkeer wordt niet geheeld door artikel 58 EG omdat het verschil in behandeling van enerzijds grensoverschrijdende dividenden en anderzijds van interne dividenden niet kan worden verklaard uit een objectief verschil in feitelijke omstandigheden, noch kan worden gerechtvaardigd door een propor-tioneel toegepaste dringende reden van algemeen belang. k. Vanwege de juridische integratie van Nederland en Marokko zijn grensoverschrijdende activiteiten tussen beide landen vergelijkbaar met grensoverschrijdende activiteiten tussen lidstaten. 3.3. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uit-spraak op bezwaar. Wat betreft de afdracht op aangifte van dividendbelasting concludeert zij primair tot volledige teruggaaf van het op de aangifte afgedragen bedrag, subsidiair tot teruggaaf van een gedeelte van de afdracht, groot € 30.360 (3,3% van het aan [E N.V.]. beschikbaar gestelde dividend) en meer subsidiair tot teruggaaf van een gedeelte van de afdracht, groot € 7.360 (0,8% van het [E N.V.]. beschikbaar gestelde dividend). 3.4. Verweerder beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend en voert daartoe -puntsgewijs samengevat - het volgende aan. 3.4.1. Met betrekking tot de dividendbelasting, geheven van [E N.V.]: a. de relatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen is een interne kwestie die exclu-sief wordt beheerst door de nationale wet en de BRK; b. het EG-Verdrag reikt wat betreft de relatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen niet verder dan het bepaalde in artikel 299, derde lid, EG, gelezen in samenhang met de artikelen 182 tot en met 188 EG, welke bepalingen zijn geconcretiseerd in het Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap (hierna: het lgo-besluit), waardoor aan toetsing van de afdracht op aangifte van dividendbelasting over het over het aan [G N.V.] beschikbaar gestelde dividend aan de bepalingen in het EG-Verdrag inzake de vrijheid van vestiging en de vrijheid van kapitaalverkeer niet wordt toegekomen. De bepalingen van het lgo-besluit inzake deze beide vrijheden staan niet aan de heffing van dividendbelasting over het over het aan [E N.V.]. beschikbaar gestelde dividend in de weg; c. artikel 43 EG sluit de toepassing van artikel 56 EG uit; d. de lgo zijn 'lidstaten' noch 'derde landen' in de zin van artikel 56 EG; e. indien de heffing van dividendbelasting over het over het aan [G N.V.] beschikbaar gestelde dividend getoetst kan worden aan artikel 56 EG, wordt de inbreuk die de heffing maakt op de vrijheid van kapitaalverkeer geheeld door artikel 57 dan wel artikel 58 EG. 3.4.2. Met betrekking tot de dividendbelasting, geheven van [F s.a.].: f. artikel 43 EG sluit de toepassing van artikel 56 EG uit; g. indien de heffing van dividendbelasting over het over het aan S.s.a. beschikbaar gestelde dividend getoetst kan worden aan artikel 56 EG, wordt de inbreuk die de heffing maakt op de vrijheid van kapitaalverkeer geheeld door artikel 57 dan wel artikel 58 EG. 3.5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4 Wettelijke kader 4.1. Artikel 43 EG luidt: In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen van de vrijheid van vestiging van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agent-schappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat zijn gevestigd. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van ven-nootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vast-gesteld. 4.2. Artikel 56 EG luidt: 1. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaal-verkeer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen verboden. 2. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het betalings-verkeer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen verboden. 4.3. Artikel 57, eerste lid, EG luidt: 1. Het bepaalde in artikel 56 doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van nationaal of Gemeenschaps-recht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investerin-gen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. (...) 4.4. Artikel 58 EG luidt: 1. Het bepaalde in artikel 56 doet niets af aan het recht van de Lid-Staten: a. de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onder-scheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrek-king tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd; b. alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voor-schriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfsecono-misch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn. 2. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de toepasbaarheid van beperkin-gen inzake het recht van vestiging welke verenigbaar zijn met dit Verdrag. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot wille-keurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 56. 4.5.Artikel 182 EG luidt, voor zover hier van belang: De Lid-Staten komen overeen de niet-Europese landen en gebieden welke bijzondere betrekkingen onderhouden met Denemarken, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk te associëren met de Gemeenschap. Die landen en gebieden hierna genoemd "landen en gebieden" worden opgenoemd in een lijst die als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht [in de als bijlage II aan het EG-Verdrag gehechte lijst worden onder andere de Nederlandse Antillen genoemd, rechtbank]. (...) 4.6.Artikel 183, aanhef en onderdeel 5, EG luidt: Door de associatie worden de volgende doeleinden nagestreefd: (...) 5. In de betrekkingen tussen de Lid-Staten en de landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures, bepaald in het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel 187 vastgestelde bijzondere bepalingen. 4.7. Artikel 187 EG luidt: De Raad stelt op basis van de in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Gemeenschap bereikte resultaten en van de in dit Verdrag neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast betreffende de wijze van toepassing en de procedure van de associatie van de landen en gebieden met de Gemeenschap. 4.8.Artikel 299, derde lid, EG luidt: De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag [de artikelen 182 tot en met 188 EG, rechtbank]. 4.9.De tweede en de zesde overweging in de considerans van het lgo-besluit luiden: 2. verklaring nr. 36 inzake de landen en gebieden overzee (lgo), gehecht aan de slotakte van de conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, getekend te Amsterdam op 2 oktober 1999, verzoekt de raad de associatieregeling overeenkomstig artikel 187 van het verdrag te herzien, met een vierledig doel: - de economische en sociale ontwikkeling van de lgo doeltreffender te bevorderen, - de economische betrekkingen tussen de lgo en de europese unie te ontwikkelen, - meer rekening te houden met de diversiteit en de specifieke kenmerken van de onder-scheiden lgo, mede wat de vrijheid van vestiging betreft, - de doeltreffendheid van het financieel instrument te verbeteren (...) 6. de lgo zijn geen derde landen, maar maken ook geen deel uit van de interne markt; zij dienen op handelsgebied te voldoen aan de verplichtingen die ten aanzien van derde landen zijn vastgesteld, met name wat betreft oorsprongsregels, sanitaire en fytosanitaire normen en vrijwaringsmaatregelen. 4.10. Artikel 45, tweede lid, van het lgo-besluit luidt: 2. wat de regeling voor vestiging en dienstverlening betreft, geldt overeenkomstig artikel 183, onder 5), van het verdrag en onder voorbehoud van lid 3:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.