RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Eerste afdeling, meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 07/5955 WW44 en 07/5957 WW44 UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) In het geding tussen
(2005). Eisers stellen zich op het standpunt dat het bouwplan niet past in de nabije omgeving. Het geprojecteerde massale bouwplan is voorzien in de woonwijk Bezuidenhout-West, pal naast de woningen aan de Van den Boschstraat. De woonwijk bestaat uit woningen van drie of vier bouwlagen hoog. De locatie is veel meer deel van deze woonwijk, dan dat ze een eenheid zou vormen met de bestaande hoogbouw in het Beatrixkwartier en de Haagse Poort. Die hoogbouw en de locatie van het bouwplan worden van elkaar gescheiden door de Utrechtsebaan, de Schenkkade en het Schenkviaduct. Het bouwplan past niet zonder meer in de hoogbouwvisie, omdat daarin bepaald is dat er geen aanleiding is voor intensiveringen in de wijk Bezuidenhout-west. In de verdichtingsstudie is niet voorzien in de plaatsing van een kantoorkolos van ruim 70 meter hoog. Het bouwplan zal het leefklimaat drastisch doen verslechteren: het zal letterlijk zijn schaduw werpen op de woonwijk en bepalend zijn voor het straatbeeld. In de motivering van het bestreden besluit is niet ingegaan op de relatie tussen het bouwplan en de aanpalende woonwijk. De rechtbank overweegt als volgt. De stedenbouwkundige uitgangspunten voor het gebied waarvan het bouwplan deel uitmaakt zijn neergelegd in de hoogbouwvisie en de verdichtingsstudie. In de hoogbouwvisie is opgenomen dat rond de Utrechtsebaan tussen Schenkstrook en Haagse Bos naast de al gerealiseerde gebouwen van 70 meter en hoger aanvullende hoogbouw mogelijk is, mits het karakter van een 'kralensnoer' overeind blijft. In de verdichtingsstudie is vastgelegd dat de bouwmassa onderdeel dient te zijn van de hoogstedelijke bebouwing langs en boven de Utrechtsebaan tussen Haagse Poort en Juliana van Stolberglaan. De bouwmassa moet zich presenteren als een gebouwtype dat het zicht op de poort van de nabijgelegen Haagse Poort vrijlaat. Tevens is gezocht naar een accentuering van de Schenkkade als belangrijke doorgaande lijn in de stad. Er is daarom niet gekozen voor een "aanheling van deze hoek door continuering van rooilijnen en bouwhoogtes van Bezuidenhout-west". De nieuwe bouwmassa moet met de toren aan de overzijde een 'geopende poort' vormen. De bouwmassa dient uit te kragen over de Utrechtsebaan. De rechtbank stelt vast dat in het stedenbouwkundig beleid van verweerder uitdrukkelijk is gekozen om het type bebouwing op deze locatie te laten aansluiten bij de hoogbouw rondom de Utrechtsebaan en niet bij de aangrenzende woonwijk met laagbouw. De verschijningsvorm van het bouwplan is in overeenstemming met het ruimtelijke beleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat het bouwplan met een hoogte van ruim 74 meter en met een schaal die in overeenstemming is met de schaal van de bebouwing aan de overzijde van de Utrechtsebaan voldoet aan de uitgangspunten van voor het gebied geldend ruimtelijk beleid. Verweerder heeft op die gronden ontheffing kunnen verlenen van artikel 2.5.24 van de bouwverordening. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder van het stedenbouwkundig beleid had moeten afwijken. Wel volgt uit het stedenbouwkundig beleid dat moet worden meegewogen welke gevolgen het bouwplan heeft voor de bezonning en windhinder in de aangrenzende woonwijk met kleinschalige woningbouw. De rechtbank zal hierop nader ingaan. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Gezien vaste rechtspraak mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de toetsing van de welstand bij hem berust, in beginsel aan het advies van de welstandscommissie doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een tegenadvies overlegt van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet (zonder meer) aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Nu geen tegenadvies is overgelegd en evenmin is gebleken dat het welstandsadvies gebreken vertoont, heeft verweerder dit advies aan de verleende bouwvergunning ten grondslag mogen leggen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat onderzoeken aantonen dat de bezonning van omliggende panden en tuinen binnen de door de gemeente gestelde eisen blijven, zodat de extra bouwhoogte van het bouwplan geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat oplevert. Verweerder hanteert voor bezonning een norm van minimaal 2 mogelijke zonuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van minimaal 10°. De wintersituatie wordt buiten beschouwing gelaten. Verweerder hanteert de 'lichte'- TNO norm, die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is geaccepteerd (LJN AY5061, uitspraak van 26 juli 2006; r.o. 2.12.1.1.). Uit rapporten van [M] blijkt dat de schaduwwerking van het bouwplan zich voor wat betreft de woonbebouwing manifesteert in de ochtend ter plaatse van de woningen aan de Van den Boschstraat en de Volkerakstraat. De door de gemeente gestelde grenswaarde van minimaal 2 mogelijke bezonningsuren per dag wordt volgens verweerder bij deze woningen gehaald. In een nadere memo stelt [M] dat het bouwplan geen effecten geeft op de bezonning van woningen in de Daendelstraat. Eisers stellen zich op het standpunt dat het door de gemeente gehanteerde beleid van minimaal 2 uren zon per dag niet met zich brengt dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. Onder verwijzing naar een advies van EW Milieuadvies van 22 augustus 2008 stellen eisers dat in het bezonningsonderzoek van [M] de gemeentelijke norm van bezonningsuren alleen is beoordeeld op bouwblokniveau. Het Haagse beleidskader gaat echter uit van een norm die geldt per woongebouw. Er had dan ook een beoordeling per woning dienen plaats te vinden. Bestudering van de woning aan de Van den Bosschstraat 206 toont volgens deze notitie aan dat de volledige bezonning van de achtergevel voor de periode van 21 februari tot en met 21 maart met 1 uur afneemt en daarmee onder de vereiste bezonningsnorm van 2 uur valt. Nadere bestudering moet uitmaken of dit ook voor andere individuele woningen geldt. Er is niet onderzocht wat het effect van het bouwplan zal zijn op de bezonning van de openbare buitenruimte. Het beleid van de gemeente schrijft voor dat dit moet worden onderzocht. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van omstandigheden waaronder verweerder niet van de door hem gehanteerde normen voor bezonning had mogen uitgaan. Uit een vergelijking tussen de rapporten van [M] en van EW Milieuadvies blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de conclusies van EW Milieuadvies voor wat betreft de bezonning van de individuele woning juist zijn. Deze woning ondervindt in de huidige situatie in de ochtend al schaduwwerking van het TNT gebouw en het ING gebouw en heeft in de middag zon op de voorgevel, waarmee evenzeer rekening mag worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat bij de afweging van alle betrokken belangen bij dit bouwplan de eventuele afname van de bezonning van een of enkele individuele woningen of van de buitenruimte geen doorslaggevende factor kan zijn op grond waarvan de bouwvergunning had moeten worden geweigerd. Voorts kan bij onevenredige schade, als gevolg van afname van de bezonning, aan de geschonden belangen tegemoet gekomen worden door nadeelcompensatie. Daartoe kan een verzoek worden ingediend bij verweerder. Verweerder heeft over de afhandeling van verzoeken om nadeelcompensatie met vergunninghouder afspraken gemaakt. In een rapport van [M] zijn de door de gemeente Den Haag gehanteerde windhindercriteria getoetst. De conclusie van het rapport luidt dat de geplande nieuwbouw een relatief beperkte negatieve invloed heeft op het windklimaat in de directe omgeving. Ter plaatse van de woningen aan de Van den Boschstraat blijft na realisatie een goed windklimaat aanwezig. Ter plaatse van de hoofdentree van de nieuwbouw zijn dusdanige windsnelheden te verwachten dat voor de betreffende gebruiksfunctie geadviseerd wordt maatregelen te treffen. Op geen van de meetpunten wordt het gevaarcriterium overschreden. Eisers stellen, kort samengevat, dat de door [M] geconstateerde overschrijdingen van de normstelling tot de conclusie moet leiden dat niet voldaan is aan de criteria voor windhinder. Voorts hebben eisers erop gewezen dat de door [M] gehanteerde meetmethode niet is goedgekeurd. Na het bestreden besluit is door vergunninghouder nog overgelegd een nader memo van [M] van 23 april
- Hierin wordt verwezen naar de 2006 verschenen richtlijn NPR 6097 'Toepassing van de statistiek van de uurgemiddelde windsnelheden voor Nederland'. Met behulp van de rekenapplicatie behorende bij deze Nederlandse praktijkrichtlijn kan de windstatistiek boven de betreffende bouwlocatie worden gegenereerd waardoor een veel nauwkeuriger berekening en beoordeling van het te verwachten windklimaat verkregen kan worden, aldus [M]. [M] heeft de meetresultaten van het windtunnelonderzoek uit 2005 met de windstatistiek conform de NPR 6097 beoordeeld en komt tot de conclusie dat op geen van de meetpunten nog een slecht windklimaat wordt verwacht. Hiermee wordt, aldus [M], op alle meetpunten aan de Haagse grenswaarden met betrekking tot windhinder en windgevaar voldaan. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat voor de door [M] gehanteerde methodes om windhinder te meten ministeriële goedkeuring is vereist of dat anderszins aan de betrouwbaarheid van deze methodes moet worden getwijfeld. Uit het eerste rapport volgt dat het bouwplan een relatief beperkte negatieve invloed heeft op het windklimaat in de directe omgeving en dat op geen van de punten het gevaarcriterium wordt overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van deze resultaten kunnen besluiten dat de geconstateerde overschrijdingen er niet toe konden leiden dat de bouwvergunning moest worden geweigerd. Het onderzoek van [M] dat gebaseerd is op de rekenapplicatie behorend bij de richtlijn NPR 6097 en waaruit blijkt dat op alle meetpunten aan de Haagse grenswaarden wordt voldaan, dateert weliswaar van na het bestreden besluit, maar bevestigt dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien de bouwvergunning te weigeren vanwege windhinder. Met betrekking tot luchtkwaliteit moet het bouwplan worden getoetst aan het landelijke Besluit luchtkwaliteit
- Op basis van onderzoek van [M] heeft verweerder geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het nieuwbouwplan. In beroep spitsen de grieven van eisers zich toe op de vraag of de door [M] gehanteerde invoergegevens in de verkeersmodellen juist zijn. Eisers stellen dat het gebruik van de verkeerscijfers niet is onderbouwd. Op basis van de beleidsnotitie "Actualisering kantorenbeleid van Den Haag van 14 februari 2006" zou rekening moeten worden gehouden met andere relevante ontwikkelingen ter plaatse en moet er gekeken worden naar het totaal van ontwikkelingen in het gebied. Eisers hebben aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met twee projecten waarover ten tijde van verlening van de bouwvergunning concrete ruimtelijke besluitvorming had plaatsgevonden. Het gaat om de uitbreiding van het busplatform bij Den Haag Centraal en om uitbreiding in het Prinses Beatrixkwartier ten behoeve van het hoofdkantoor van Siemens. Voor wat betreft de uitbreiding in het Prinses Beatrixkwartier ten behoeve van het hoofdkantoor van Siemens stelt de rechtbank vast dat de gemeente in een brief van 6 februari 2007 heeft aangegeven onder voorwaarden bereid te zijn medewerking te verlenen aan de vestiging van het hoofdkwartier van Siemens. Uit deze brief blijkt dat Siemens zelf pas in de zomer van 2007 uitsluitsel zou kunnen geven over de behoefte om haar hoofdkantoor uit te breiden en dat het collegebesluit op het voorontwerp bestemmingsplan pas daarna zou worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat ten tijde van de vergunningverlening op 9 februari 2007 en ten tijde van de heroverweging in het bestreden besluit geen sprake was van dusdanig concrete besluitvorming dat deze had moeten worden meegenomen in de verkeersmodellen. Het voorontwerp voor de ontwikkeling van het busplatform heeft van 18 augustus tot en met 14 september 2005 ter inzage gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank moet worden geoordeeld dat het voorontwerp niet als concrete besluitvorming kan worden aangemerkt. Het ontwerp bestemmingsplan voor de ontwikkeling van het busplatform is vanaf 17 april 2007 ter inzage gelegd, het bestemmingsplan is vastgesteld op 20 september 2007 en door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland goedgekeurd op 20 mei
- De rechtbank overweegt dat de toetsing in het bestreden besluit ex tunc dient te zijn. Terecht is dit ontwerpbestemmingsplan ten tijde van het bestreden besluit niet als concrete besluitvorming aangemerkt en niet bij de besluitvorming betrokken. In hetgeen eisers voorts nog hebben aangevoerd ziet de rechtbank, mede gelet op de notitie van [M] van 22 mei 2007, de overwegingen in het bestreden besluit en het verweerschrift van verweerder van 15 oktober 2008, geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies dat het bouwplan in overeenstemming is met de eisen van het Besluit Luchtkwaliteit
- Eisers stellen dat het bouwplan de aanwezige parkeeroverlast en de problemen met de verkeersafwikkeling zal vergroten. In de bouwvergunning, het bestreden besluit en het verweerschrift van 15 oktober 2008 is gemotiveerd hoe aan de normeringen in de bouwverordening en de Kadernota parkeerbeleid is voldaan. Deze Kadernota is in 1992 vastgesteld maar de normen zijn in 2007 aangepast. Het gaat hier om een locatie in de schil rondom de binnenstad. Daarvoor geldt een norm van 1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak voor personeel en 1 parkeerplaats per 500 m2 bruto vloeroppervlak voor bezoekers. Op grond van deze norm zijn 204 parkeerplaatsen vereist. Het bouwplan voorziet in een parkeergarage met 192 plaatsen. In het tekort van van 12 parkeerplaatsen wordt voorzien doordat 48 parkeerplaatsen zijn gekocht in de nabijgelegen ING garage aan de Prinses Beatrixlaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het benodigde aantal parkeerplaatsen juist heeft berekend. Vast staat dat kan worden beschikt over tenminste 12 parkeerplaatsen in de parkeergarage Prinses Beatrixlaan. Het bouwplan voorziet in (ruim) voldoende mate in de parkeerbehoefte. Ter zitting is ter sprake gekomen dat de adviescommissie bezwaarschriften in het advies van 18 juni 2007 heeft meegenomen dat verweerder onderzoek zou doen naar de noodzaak van fysieke maatregelen om personeel en bezoekers van de Haagsche Zwaan ten ontmoedigen op zoek te gaan naar niet-aanwezige parkeerplaatsen in de omliggende woonbuurten. Mede gelet op de rapportages en het monitoringplan van [K] is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat realisering van het bouwplan zal leiden tot een toename van parkeerproblemen in de omgeving. Voor wat betreft het door eisers aangevoerde bestaande tekort aan parkeerplaatsen ter plaatse merkt de rechtbank op dat, op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder andere uitspraak van 14 december 2005, LJN AU7951) bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Anders dan eisers stellen hoeft verweerder, voor de vraag of ontheffing kan worden verleend, dan ook geen rekening te houden met reeds bestaande parkeerproblemen in de wijk. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ontheffing kunnen verlenen van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. De door eisers ervaren verkeersoverlast dient aan de orde te worden gesteld bij de ontwikkeling en uitvoering van andere plannen dan het onderhavige, wanneer daarover concrete besluitvorming plaatsvindt. Eisers voeren aan dat de privacy van direct omwonenden door het bouwplan wordt aangetast. Vanuit de nieuwbouw zal er direct zicht zijn op de omliggende woningen. Door de hoogte van het gebouw en de geringe afstand tot aanpalende woningen zal een groter aantal mensen in de torenflat direct zicht hebben op de bestaande woningen. In de winter zal lichthinder ontstaan als gevolg van het bouwplan omdat dan nog wordt gewerkt terwijl het al donker is. De rechtbank overweegt dat op de locatie voorheen een kantoor van zes verdiepingen was gevestigd, van waaruit direct zicht moet zijn geweest op de omliggende woningen en sprake moet zijn geweest van zicht op de kantoorverlichting. De rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat het nieuwe bouwplan een dusdanige verslechtering is, dat de bouwvergunning op deze gronden had moeten worden afgewezen. De rechtbank is voorts niet gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder niet tot ontheffing van de bouwverordening en tot verlening van de bouwvergunning had mogen overgaan. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus gegeven door mr. I.A.M. Kroft , mr. A.C.M. van Wesenbeeck en mr. T. van Rij, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2009, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.