RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Zittinghoudende te Amsterdam zaaknummer: AWB 09 / 16132 [V-nr:] Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen: eiser [naam eiser], geboren [geboortedatum] in 1985, van (gestelde) Zimbabwaanse nationaliteit, verblijvende in detentie, eiser, gemachtigde: mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam, en: de staatssecretaris van Justitie, gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage, verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009. Eiser is aldaar vertegenwoordigt door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt dat de bewaring met ingang van heden wordt opgeheven. De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 480,-- (zegge: vierhonderdtachtig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder als in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand. Aan deze uitspraak ligt de navolgende motivering ten grondslag. Overwegingen Onderhavige zaak betreft een vervolgberoep tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat bij een vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw 2000 verweerder slechts de plicht heeft eiser te faciliteren bij zijn vertrek. Voorop staat dat op eiser de verplichting rust Nederland te verlaten. Van eiser mag derhalve verwacht worden dat hij actieve en concrete pogingen onderneemt om terug te keren naar het land van herkomst. Anderzijds is het verweerder die detineert en niet vergeten mag worden dat vrijheidsontneming een zware maatregel is. Ook van verweerder mogen dan ook de nodige inspanningen worden verwacht om te bewerkstelligen dat eiser kan voldoen aan zijn vertrekplicht. Anders dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), is de rechtbank van oordeel dat er ook bij een vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw 2000 met ‘due diligence’ aan het vertrek van eiser moet worden gewerkt. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 maart 1995, Series A-311 (Quinn) en 15 november 1996, RV 1996,20 (Chahal), waarin het Hof overwoog dat “deprivation of liberty under article 5 para. 1 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.