RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Voorzieningenrechter Zaaknummers: Awb 09/20095 (voorlopige voorziening) Awb 09/20093 (beroep) Uitspraak in de geschillen tussen: X van gestelde Somalische nationaliteit, V-nummer: .., verzoeker, gemachtigde: mr. J.G. Brands, advocaat te Groningen, en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te ’s-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.A.L.A. van Ittersum, ambtenaar ten departemente. 1. Ontstaan en loop van het geschil 1.1. Op 28 mei 2009 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 4 juni 2009 afwijzend op de aanvraag beslist. 1.2. Op 4 juni 2009 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld. 1.3. Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Op 12 juni 2009 zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend. 1.4. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 19 juni 2009. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Rechtsoverwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen. Feiten en standpunten van partijen 2.2. Verzoeker heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn oudste zoon in 2006 door de Islamitische rechtbanken is geronseld voor de strijd. Hij heeft geprobeerd zijn zoon weer naar huis te halen, maar dat is niet gelukt. Zijn zoon is in december 2006 omgekomen in gevechten tussen het Ethiopische leger en de Islamitische rechtbanken. In 2008 is zijn tweede zoon geronseld door de rebellengroepering X, op dezelfde manier als destijds met zijn oudste zoon was gebeurd. Zijn zoon werd meegenomen naar het trainingskamp Y. Verzoeker is naar het kamp toegegaan om met zijn zoon te spreken. Bij de ingang van het kamp is hij echter gevangen genomen en geketend aan een andere gevangene. Verzoeker en drie andere gevangenen werden ervan beschuldigd afvalligen te zijn. Hierop staat de doodstraf. Verzoeker heeft samen met de andere gevangenen besloten om te proberen te ontsnappen. Dit is verzoeker en de man aan wie hij zat vastgeketend gelukt. De twee andere mannen zijn gedood. Vervolgens is verzoeker naar Nederland gevlucht. 2.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel. Verweerder heeft geoordeeld dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker, omdat hij toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd. Voorts heeft verweerder een aantal elementen uit het asielrelaas opgesomd, op basis waarvan is geoordeeld dat het relaas de vereiste positieve overtuigingskracht mist. Verweerder acht het relaas daarom ongeloofwaardig. 2.4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hem niet kan worden toegerekend dat hij geen reisdocumenten kan overleggen. Verzoeker heeft zijn reisdocumenten na aankomst afgegeven aan zijn reisagent. Daarnaast heeft hij zo volledig mogelijk over zijn reisroute verklaard. Voorts valt niet in te zien waarom verzoeker wel wordt geloofd ten aanzien van zijn verklaringen over de problemen met zijn oudste zoon in 2006 en niet over zijn recente problemen met zijn tweede zoon. Verzoeker wenste zijn zoon in het trainingskamp te bezoeken en wilde weten hoe het met hem ging. Hij heeft geen toegang gehad tot het kamp en kan daarom niet over de omvang ervan verklaren. Hij werd verder gevangen gehouden in een container. Voorts kan het enkele feit dat eiser uit gevangenschap heeft weten te ontsnappen niet tot de conclusie leiden dat deze ontsnapping niet heeft plaatsgevonden. Verzoeker staat in de negatieve belangstelling van X en kan hiertegen niet de bescherming inroepen van de autoriteiten in Somalië. Verzoeker beroept zich op artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie (verder te noemen de richtlijn). Uit het eigen oordeel van verweerder over de algemene situatie in Zuid- en Midden Somalië, welk standpunt tot voor kort nog aanleiding was voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming, vloeit voort dat er in die gebieden sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn. Nu niet een wijziging in de beoordeling van de algemene situatie ten grondslag heeft gelegen aan de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid dient ervan te worden uitgegaan dat deze beoordeling niet is gewijzigd. Onder deze omstandigheden kan en hoeft niet van verzoeker te worden gevergd dat hij het reële risico op schade aantoont. Voorts stelt verzoeker dat hem ten onrechte geen vergunning op grond van het beschermingsbeleid is verleend, nu de beleidswijziging niet is gepubliceerd. Verweerder heeft op 2 juni 2009 nog een vergunning op basis van dit beleid verleend. Voorts meent verzoeker dat verweerder dit beleid ten onrechte en op oneigenlijke gronden heeft beëindigd. Verzoekers asielaanvraag dient gelet op de afschaffing van het beschermingsbeleid niet in de AC-procedure te worden afgedaan. Beoordeling van het verzoek 2.5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlenen vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 2.6. Niet in geschil is dat verzoeker ter staving van zijn aanvraag geen reispapieren heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit aan verzoeker is toe te rekenen. Volgens het beleid van verweerder, zoals dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is uitgelegd in onder meer de uitspraak van 8 april 2008 (200708959/1), is met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zichzelf nog niet aannemelijk gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend. Daarvan is eerst sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. Dit beleid is door de ABRS niet onredelijk of anderszins onjuist geacht. Verzoeker heeft verklaard dat hij zijn reisdocumenten heeft afgegeven aan zijn reisagent. Verweerder heeft onder deze omstandigheden met toepassing van het hiervoor weergegeven beleid het ontbreken van deze documenten aan verzoeker kunnen toerekenen. 2.7. In het licht van het voorgaande dient, volgens het door verweerder op grond van artikel 31 Vw 2000 gevoerde beleid, het relaas niet alleen consistent en niet onaannemelijk te zijn, doch mogen daarin ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. 2.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wel aannemelijk wordt geacht dat verzoekers eerste zoon door de Islamitische rechtbanken is geronseld, maar het niet aannemelijk acht dat zijn tweede zoon door de X is geronseld. Daarnaast heeft verweerder de overweging dat het bevreemdingwekkend is dat verzoeker alleen naar het trainingskamp is gegaan op geen enkele wijze onderbouwd. Voorts kan verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat verzoeker vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent het vonnis van de X. Verzoeker heeft ten aanzien van het vonnis uitgebreid en gedetailleerd verklaard op grond waarvan hij en zijn medegevangenen tot de conclusie kwamen dat zij ter dood veroordeeld zouden worden, omdat zij als afvalligen werden beschouwd, die door het onthouden van hun kinderen aan de strijd van het geloof deze strijd in de weg stonden. Voorts heeft verweerder door het louter plaatsen van op speculatie berustende kanttekeningen bij de waarschijnlijkheid van de ontsnapping van verzoeker onvoldoende gemotiveerd waarom verzoekers verklaringen op dit punt ongeloofwaardig zijn te achten. Resteert dat volgens verweerder niet valt in te zien dat verzoeker niet weet hoe het kamp er uit ziet en hoe groot het is. Niet gemotiveerd is door verweerder waarom de verklaring van verzoeker dat hij niet in het eigenlijke kamp is geweest, maar op een afgelegen plek is vastgehouden als onvoldoende van de hand wordt gewezen en niets kan afdoen. 2.9. Gelet op het bovenstaande kon verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat het relaas van verzoeker niet geloofwaardig is. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.10. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder de afkomst van verzoeker niet in twijfel trekt. Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn en het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Somalië voor zover dit hiervoor relevant is, wordt derhalve het volgende overwogen. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn wordt in de richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen. Volgens artikel 15 bestaat ernstige schade uit:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.