RECHTBANK DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 08/44210 BEPTDN uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 10 juli 2009 inzake [eiser], geboren op [1973], van Afghaanse nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Utrecht, tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. W.B. Klaus, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. Inleiding 1.1 Bij besluit van 11 december 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 september 2007 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 2009, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 In geschil is of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft aan de aanvraag voor deze vergunning ten grondslag gelegd dat hij in 1990 door zijn vader naar Amerika is gestuurd, omdat zijn beide broers om het leven waren gekomen en zijn vader vreesde dat hem dit tijdens de dienstplicht ook zou overkomen. In april 2007 is eiser vanuit Amerika, via Duitsland en Dubai naar Afghanistan teruggekeerd. Hij heeft daar van 17 mei 2007 tot 6 juni 2007 verbleven en is toen, vanwege problemen met de Taliban in Kandahar, naar Duitsland teruggegaan. Eiser heeft een aantal weken in Duitsland verbleven, alvorens hij op 5 augustus 2007 naar Nederland is gekomen en zich heeft aangemeld. 2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover thans van belang en samengevat, overwogen dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Volgens verweerder heeft hij toerekenbaar geen of onvoldoende documenten ter staving van zijn reis van Kabul naar Kandahar overgelegd en heeft hierover evenmin gedetailleerde, consistente en verifieerbare verklaringen afgelegd. Voorts heeft verweerder een aantal elementen uit het asielrelaas opgesomd op basis waarvan is geoordeeld dat het relaas de positieve overtuigingskracht mist, die in dat geval geëist mag worden om de juistheid ervan aan te kunnen nemen. Verweerder acht het relaas daarom ongeloofwaardig en heeft eisers asielaanvraag afgewezen. 2.3 Eiser heeft tegen dit besluit aangevoerd dat hij sinds begin jaren ‘90 niet meer in Afghanistan is geweest en voor 2007 nimmer tussen Kabul en Kandahar heeft gereisd. Eiser heeft aangegeven dat de bus waarmee hij reisde bij een hotel een stop heeft gemaakt en dat er verder geen bijzondere details zijn te vertellen, behalve dat zij vier keer moesten stoppen voor controles. Het was eiser onduidelijk welke details hij had moeten geven van zijn reis van Kabul naar Kandahar. Eiser heeft meerdere documenten met betrekking tot zijn identiteit en verblijf in de Verenigde Staten van Amerika (VS) overgelegd en heeft ook documenten met betrekking tot zijn reis nar Afghanistan overgelegd. Eiser heeft aangevoerd dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat hij onvoldoende informatie dan wel bescheiden heeft overgelegd om zijn asielverzoek te beoordelen, dan wel kan het ontbreken van informatie dan wel bescheiden hem niet worden toegerekend. 2.4 Ingevolge artikel 13, aanhef en onder a en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. 2.5 Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw kan een verblijfsvergunning asiel, voor zover thans van belang, worden verleend aan de vreemdeling die een verdragsvluchteling is of die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De rechtbank overweegt als volgt. 2.6 Bij de beoordeling van de vraag of verweerder het relaas van eiser in redelijkheid als ongeloofwaardig heeft kunnen bestempelen, gaat de rechtbank uit van het volgende toetsingskader. In hoofdstuk C14/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is neergelegd dat de toetsing van de geloofwaardigheid plaatsvindt op grond van de verklaringen van de vreemdeling, zoals deze onder meer naar voren komen in de gehoren, en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie. Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat er over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw, mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. De rechter toetst deze beoordeling van verweerder terughoudend en beantwoordt de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen. 2.7 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van het gedeelte van zijn reis van Kabul naar Kandahar en terug. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in redelijkheid toerekenbaar kunnen achten, nu eiser in de zienswijze van 8 november 2008 heeft verklaard in het bezit te zijn geweest van een busticket voor dat gedeelte van zijn reis. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen dan wel onvoldoende gedetailleerde verklaringen over dat gedeelte van de reis heeft kunnen verschaffen. Eiser heeft niet kunnen verklaren hoe die reis is verlopen en langs welke plaatsen hij is gekomen op het traject Kabul-Kandahar. Dat eiser bijna 20 jaar niet in zijn land van herkomst is geweest en gesteld heeft nimmer eerder tussen Kabul en Kandahar te hebben gereisd, heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven leiden. Verweerder heeft gelet op het voorgaande in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eiser toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn reisroute heeft overgelegd. Van eisers asielrelaas dient derhalve een positieve overtuigingskracht uit te gaan. 2.8 Met betrekking tot verweerders gestelde tegenstrijdigheden in eisers verklaringen over zijn familie, heeft eiser aangevoerd dat hij Afghanistan in 1990 heeft verlaten en toen nog erg jong was. Hij wist op dat moment niet dat zijn vader een tweede vrouw had. Zijn vader vertelde hem dat zijn moeder [naam] heette en dat heeft eiser in de VS opgegeven als de naam van zijn moeder. Daarom heeft hij deze naam ook in de Nederlandse asielprocedure gebruikt. De naam van zijn biologische moeder is echter [naam]. Eiser heeft aangevoerd hierover nog nadere informatie te verkrijgen, maar de Afghaanse burgerlijke stand is vanwege de oorlogen een puinhoop. In 2000 is eiser er via kennissen uit de VS achter gekomen dat zijn vader in Nederland verbleef met een andere vrouw en hun twee dochters. In 2001 heeft eiser zijn huidige echtgenote, van Nederlandse nationaliteit, leren kennen. Zijn echtgenote heeft zijn vader benaderd of hij referent kon worden, zodat eiser voor familiebezoek naar Nederland kon komen en zijn echtgenote (toentertijd zijn vriendin) kon bezoeken, hetgeen het hoofddoel van zijn verblijf zou zijn. Eiser heeft zelf zijn vader dan ook niet benaderd om voor hem referent te worden, maar op verzoek van zijn echtgenote heeft zijn vader zich referent gesteld. Eiser heeft zijn vader in Nederland nog niet ontmoet, ondanks het feit dat zijn vader hem wel via zijn echtgenote heeft benaderd. Eiser neemt het zijn vader nog steeds kwalijk dat zijn vader hem en zijn moeder in de steek heeft gelaten. 2.9 De rechtbank overweegt dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser tegenstrijdige verklaringen over zijn vader heeft afgelegd. In het nader gehoor van 13 september 2007 heeft eiser verklaard dat hij niet wist dat zijn vader in Nederland woonachtig is en dat zijn vader geen referent was bij zijn visumprocedure. In de zienswijze van 8 november 2008 heeft eiser daarentegen verklaard dat hij er in 2000 achter is gekomen dat zijn vader met zijn tweede vrouw in Nederland woonde en dat hij zijn verklaringen tijdens voormeld nader gehoor heeft gedaan, omdat hij boos was op zijn vader omdat die hem had verlaten. Eiser heeft daarmee aangegeven dat hij bewust onjuist heeft verklaard over zijn vader. 2.10 Verweerder heeft eveneens aan eiser mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn moeder. In het eerste gehoor van 10 september 2007 heeft hij verklaard dat zijn moeder [naam] heet en woonachtig is in Kandahar, Afghanistan. In het voornemen van 8 oktober 2008 heeft verweerder overwogen dat deze verklaring tegenstrijdig is met wat bij verweerder bekend is. Eisers moeder [naam], van Nederlandse nationaliteit, heeft bij eisers visumprocedure in 2001 toestemming gegeven aan zijn vader om voor eiser referent te staan. Eiser heeft daartoe in de zienswijze van 8 november 2008 verklaard dat [naam] niet zijn biologische moeder is, maar de tweede vrouw van zijn vader. Zijn biologische moeder heet [naam] en is woonachtig in Afghanistan. Verweerder heeft deze verklaring ontoereikend mogen achten om de tegenstrijdigheid weg te nemen. 2.11 Eiser heeft verder aangevoerd te blijven bij zijn verklaring dat hij geen mede-eigenaar van een restaurant is geweest. Ook blijft hij bij zijn verklaring dat zijn beide broers lange tijd geleden in Afghanistan zijn omgekomen, maar hiervan kan hij geen bewijzen overleggen. 2.12 De rechtbank overweegt hieromtrent dat eiser in de visumprocedure heeft verklaard eigenaar te zijn van een [naam restaurant] restaurant en dat zijn broer een oogje in het zeil zou houden in het restaurant tijdens zijn afwezigheid. In onderhavige procedure heeft eiser echter verklaard dat zijn beide broers in Afghanistan om het leven zijn gekomen en dat hij slechts medewerker is geweest bij [naam restaurant]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze verklaringen tegenstrijdig mogen achten. 2.13 Gelet op voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder het asielrelaas in redelijk-heid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Eiser komt dan ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid en aanhef, onder a, Vw. 2.14 Eiser heeft gesteld dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/38/EG (de richtlijn). 2.15 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat met de toets in het bestreden besluit aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is voldaan aan de toets van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Verweerder heeft voorts gesteld geen standpunt in te nemen over de vraag of in (het zuiden van) Afghanistan sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Daarnaast is, zoals verweerder ter zitting ook heeft gesteld, in dit geval niet gebleken van een uitzonderlijke situatie, als waarover het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) in zijn arrest van 17 februari 2009, C-465/07, LJN: BH3646, spreekt. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op de verwijzing van het HvJ EG naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2008, 25904/07, LJN: BF
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.