RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE Zittinghoudende te Roermond Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer Vreemdelingenkamer Procedurenummer: AWB 09 / 1033 Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake [eiser], eiser, gemachtigde mr. [gemachtigde], tegen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. 1. Procesverloop 1.1. Bij fax van 12 januari 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2009. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000) te verlenen. Bij schrijven van 9 februari 2009 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. 1.2. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. 1.3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 juni 2009. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1]. 2. Overwegingen 2.1. Eiser is geboren op 9 februari 1985 en heeft de Somalische nationaliteit. Naar eigen zeggen is eiser afkomstig uit Zuid-Somalië en behoort hij tot de bevolkingsgroep van de Mohamed Gurgarte. Op 22 juni 2007 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan die aanvraag heeft eiser – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. 2.2. Eiser heeft verkering gehad met [naam 2], een vrouw behorend tot de bevolkingsgroep van de Habar Gidir. Vanwege eisers afkomst kon de familie van [naam 2] zich echter niet vinden in de relatie tussen [naam 2] en eiser. Zowel eiser als zijn moeder werden daarom bedreigd en mishandeld. Buiten medeweten van [naam 2] is eiser met een andere vrouw, [naam 3], getrouwd. Nadat [naam 2] hoorde van het huwelijk, heeft ze zelfmoord gepleegd. Deze zelfmoord wordt door [naam 2]’s familie aan eiser toegerekend. Om die reden is hij zijn leven niet meer zeker in Somalië en is hij naar Nederland gevlucht. 2.3. Bij brief van 9 januari 2008 heeft verweerder aan eiser bekendgemaakt dat hij voornemens is eisers aanvraag af te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is en hij derhalve niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de gronden als genoemd in artikel 29 van de Vw 2000. Verweerder heeft aan dit standpunt het rapport van de taalanalyse van 10 augustus 2007 ten grondslag gelegd. Daarin is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet tot de spraak en cultuurgemeenschap binnen Zuid Somalië is te herleiden. 2.4. Van de hem geboden gelegenheid zijn zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar te maken, heeft eiser op 17 oktober 2008 gebruik gemaakt door middel van het inzenden van een contra-expertise taalanalyse van 9 oktober 2008. 2.5. Bij besluit van 19 december 2008 heeft verweerder eisers aanvraag conform zijn voornemen afgewezen. 2.6. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting richt het beroep zich tegen verweerders besluit voor zover eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, van de Vw 2000. 2.7. Aan de orde is de vraag of het besluit van 19 december 2008 de toets in rechte kan doorstaan. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 2.8. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000: “1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; c. (..); d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar; (..)”. 2.9. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. 2.10. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 2.11. De rechtbank stelt vervolgens voorop dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land en die, zoals eiser, tot de bevolkingsgroep van de Mohamed Gurgarte behoren, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Derhalve dient eiser aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. 2.12. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser de tegenwerping door verweerder, dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, niet heeft weersproken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder het ontbreken van documenten in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en heeft hij derhalve het bestreden besluit mede kunnen baseren op de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Gelet hierop bestaat er reeds geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de oprechtheid van eisers asielrelaas op voorhand wordt aangetast en aldus afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. 2.13. Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1998 1999, 26 732, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de desbetreffende vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval positieve overtuigingskracht uitgaan. 2.14. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eisers asielrelaas deze positieve overtuigingskracht mist. Daarbij heeft hij verwezen naar de uitkomst van de meergenoemde taalanalyse. De door eiser bij wege van zienswijze ingediende contra expertise is voor verweerder geen aanleiding geweest het ingenomen standpunt te herzien. 2.15. Overwogen wordt als volgt. 2.16. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 mei 2006 in zaak nr. 200600375/1, gepubliceerd in JV 2006/249), komt verweerder, in het geval twijfel is gerezen aan de gestelde identiteit en nationaliteit, door een taalanalyse te laten uitvoeren, de desbetreffende vreemdeling tegemoet bij de voldoening aan de op deze rustende verplichting om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. 2.17. Verweerder heeft de taalanalyse door Bureau Land en Taal (BLT) laten verrichten. Eiser is met de hulp van een tolk in de Somalische taal gehoord. Uit de resultaten van de taalanalyse van 10 augustus 2007 is de conclusie getrokken dat, anders dan door hem gesteld, eiser eenduidig niet uit Zuid-Somalië afkomstig is. Eiser spreekt Somalisch, maar niet zoals dat gangbaar is in Zuid-Somalië. Hij spreekt Somalisch zoals dat gangbaar is in Noord-Somalië, aldus staat vermeld in het rapport van de taalanalyse. Voormelde conclusie van BLT is alleen gebaseerd op eisers spraak – meer specifiek op diens uitspraak, woordkeuze en de herleide grammatica – en niet tevens op de door eiser aan de dag gelegde kennis over zijn herkomstgebied. Het commentaar van de taalanalist op het relaas van de vreemdeling luidt immers: “de vreemdeling verstrekt veel informatie over zijn beweerde herkomstgebied”. Ter adstructie van die conclusie zijn in paragraaf 4.2 tot en met 4.4 door eiser tijdens de bandopname gebruikte woorden en zinnen fonetisch weergegeven en vertaald naar het Nederlands. 2.18. Eiser heeft de deugdelijkheid van de taalanalyse van verweerder betwist. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een contra expertiserapport van De Taalstudio van 9 oktober 2008 overgelegd. Dit rapport is opgesteld door een aan De Taalstudio verbonden, niet met naam genoemde, deskundige op het gebied van het Somalisch. In de contra expertise zijn – onder meer - de in de taalanalyse door BLT gehanteerde woorden en zinnen onder de loep genomen. Hierbij is door de contra-expert allereerst opgemerkt dat in het rapport taalanalyse niet is voorzien in de voor Zuid-Somalië gebruikelijke variant in uitspraak, woordkeuze en grammatica ten aanzien van die woorden en zinnen (“Note that the previous report - het rapport taalanalyse, toevoeging rechtbank - does not provide constrasts or forms for comparison”). Voorts is door de contra-expert ten aanzien van ieder woord en iedere zin gemotiveerd gesteld waarom hieruit niet kan worden geconcludeerd dat eiser eenduidig niet kan worden geplaatst in Zuid-Somalië en eenduidig wel te plaatsen is in Noord-Somalië. Zo is herhaaldelijk gesteld dat het BLT de uitspraak heeft misverstaan (“This is a misperception”). Verder is ten aanzien van bepaalde woorden gesteld dat de uitspraak of woordkeuze algemeen gebruikelijk is in heel Somalië en de woorden dus niet bruikbaar zijn om te kunnen vaststellen uit welke regio eiser afkomstig is (‘This is just Common Somali and has no relevance for dialectal differentation/evaluation”). Naast het commentaar op de door BLT bij de totstandkoming van de taalanalyse gebruikte woorden en zinnen heeft de contra-expert ook een overzicht gegeven van door eiser gehanteerde woorden die gebruikelijk zijn in het lexicon van Zuid-Somalië of in het Benadir dialect dat wordt gesproken in de Zuidelijke kustprovincies; daarbij is steeds het Noordsomalische equivalent vermeld. Tevens is gesteld (paragraaf 7.2) dat in het rapport taalanalyse ten onrechte onvermeld is gebleven dat eiser vijftien maal het hulpwerkwoord “zijn” het vervoegd op een wijze die gebruikelijk is in het zuiden (te weten: “waaye”, hetgeen betekent “het is”). De conclusie in het contra-expertiserapport luidt vervolgens: “Based on the data, it is highly likely that the applicant was socialized in Qorlyooley” (gelegen in Zuid-Somalië). 2.19. Door BLT is op de contra expertise van 9 oktober 2008 gereageerd bij weerwoord van 3 december 2008. Hierbij heeft het BLT vraagtekens geplaatst bij de omstandigheid dat de contra-expert anoniem is gebleven. Hierdoor is diens onafhankelijkheid en deskundigheid niet vast te stellen. Evenmin is hiermee vast te stellen onder welke omstandigheden de contra-expertise heeft plaatsgevonden. Verder heeft het BLT ten aanzien van de door De Taalstudio gehanteerde criteria, als neergelegd in de “Guidelines for the use of language analysis in relation to questions of national origin in refugee cases” gesteld dat daarin ten onrechte de specifieke deskundigheid van een moedertaalspreker terzijde wordt geschoven en dat daarin geen aandacht wordt besteed aan de toetsing van de (contra-)expert. Een linguïst met kennis van de taal in kwestie is niet per definitie geschikt als taalanalist, evenmin als een moedertaalspreker van de taal in kwestie dat is. De contra-experts van De Taalstudio worden niet getoetst op hun vermogen om op basis van een taalanalyse tot een juist oordeel te komen. Er is niets bekend over een selectieprocedure. Door De Taalstudio worden geen cross-checks uitgevoerd. Er is bij de contra-expertise geen sprake geweest van samenwerking tussen een linguïst en een moedertaalspreker, noch van controle door of bespreking met een andere linguïst. Onbekend is of de contra-expert bekend is met, dan wel rekening heeft gehouden met, de specifieke context van taalanalyses in de asielprocedure. De kwaliteit van de contra-expertises door De Taalstudio wordt op geen enkel van voormelde punten gewaarborgd, aldus het BLT. Daarnaast heeft het BLT zich uitgesproken over de conclusies die de contra-expert heeft getrokken over de inhoud van de taalanalyse, meer specifiek over de taalsituatie in Qoryooley, de door de contra-expert geconstateerde Zuid-Somalische kenmerken in de spraak van eiser, eisers landenkennis en verdere kritiek op het rapport van de BLT-analist SOM10. Het BLT heeft vervolgens geconcludeerd dat de contra-expertise niet afdoet aan de conclusie van het BLT dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap in Zuid-Somalië. 2.20. De rechtbank oordeelt als volgt. 2.21. Uit de contra-expertise blijkt dat De Taalstudio de opstelling van de contra-expertise heeft verzorgd en begeleid. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 november 2007 (LJN BB8491, gepubliceerd op www.rechtspraak.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.