van de Aanwijzing, te beschouwen als een nadere invulling van een goede taakvervulling van het openbaar ministerie als bedoeld in de toelichting op de Aanwijzing. De slachtoffers behoren tot deze categorie en de verstrekking van de documenten aan de slachtoffers is dan ook te beschouwen als een standaard verstrekking in de zin van de Aanwijzing, aldus de Staat. Trafigura betwist dit. Zij stelt dat de schade die de slachtoffers hebben geleden niet een direct gevolg is van de strafbare feiten waarvoor Trafigura in Nederland wordt vervolgd. De slachtoffers stellen immers in de civiele procedure dat zij schade hebben geleden als gevolg van het illegaal dumpen door Trafigura van de gewraakte chemische lading. De Staat had de documenten dus niet zonder meer aan de slachtoffers mogen verstrekken, aldus Trafigura. 3.7. De vraag die in dit kader als eerste beoordeeld moet worden, is of de slachtoffers zijn aan te merken als “degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit”. Om deze vraag te kunnen beantwoorden is het van belang te kijken naar de artikelen 51a tot en met 51d Wetboek van Strafvordering (Sv), die betrekking hebben op voeging in het strafproces. In artikel 51a lid 1 Sv is bepaald: “Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.” . Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. Op grond van artikel 51d Sv kan de “benadeelde partij” vervolgens inzage krijgen in de voor haar van belang zijnde processtukken. Op grond van het bepaalde in de Wjsg en de Aanwijzing hebben “degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit” een met dit artikel vergelijkbaar inzagerecht in strafvorderlijke gegevens. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat met het begrip “degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit”
van de Aanwijzing hetzelfde wordt bedoeld als in artikel 51a Sv. De Staat heeft onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd om te veronderstellen dat deze kring van personen in het kader van de Wjsg ruimer moet worden opgevat dan in het kader van de artikelen 51a tot en met 51d Sv. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in dit kort geding tot uitgangspunt dient te nemen dat alleen van “rechtstreekse schade” sprake is als de slachtoffers zijn getroffen in een belang dat door de in de strafzaak ten laste gelegde strafbepalingen wordt beschermd. De door de slachtoffers in de civiele procedure gestelde schade kan echter niet beschouwd worden als een rechtstreeks gevolg van de strafbare feiten waarvoor Trafigura in de strafzaak wordt vervolgd, te weten het overtreden van milieuvoorschriften en het plegen van valsheid in geschrifte. De slachtoffers worden dan ook niet getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepalingen wordt beschermd. Dit betekent dat de slachtoffers niet kwalificeren als “degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit”
van de Aanwijzing. De Staat had de documenten dus niet op deze grond mogen verstrekken aan Leigh Day. 3.8. Het verstrekken van strafvorderlijke gegevens aan anderen dan de in hoofdstuk IV § 4 van de Aanwijzing bedoelde ontvangers is wel mogelijk, maar daarvoor dient de in hoofdstuk IV § 5 bedoelde procedure te worden gevolgd. Gesteld noch gebleken is echter dat de Staat deze procedure heeft gevolgd. Dat er sprake is geweest van een bijzonder spoedgeval op grond waarvan de documenten dienden te worden verstrekt aan de slachtoffers, zonder dat Trafigura hiervan vooraf kon worden gehoord, heeft de Staat niet voldoende aannemelijk gemaakt. Conclusie 3.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Staat de documenten zonder rechtsgrond heeft verstrekt aan Leigh Day. De Staat handelt hierdoor onrechtmatig jegens Trafigura. De vorderingen genoemd bij 2.1 sub (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.