RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 1, meervoudige kamer Reg.nrs.: AWB 08/4865 WW44 en AWB 08/6520 WRO UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen de Vereniging Amstelwijkbelang, gevestigd te Leidschendam, eiseres sub 1, en [A] en [B], beiden wonende te [plaats], eisers sub 2, gemachtigde mr. J.A. Wols tegen het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder. Derde partij: de gemeente Leidschendam-Voorburg, vergunninghoudster. I PROCESVERLOOP Bij besluit van 30 november 2007 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een VMBO/MBO-school met een geïntegreerde bibliotheek en parkeergarage aan het Fluitpolderplein te Leidschendam. Bij besluit van 11 juni 2008 heeft verweerder een vergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de op 30 november 2007 verleende vergunning. Bij besluit van 24 juli 2008, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 21 april 2008, het door eisers tegen het besluit van 30 november 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 30 november 2007 onder aanpassing van de motivering in stand gelaten. Tegen dit besluit heeft eiseres sub 1 bij brief van 30 augustus 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Tegen dit besluit hebben eisers sub 2 bij brief van 2 september 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Bij besluit van 12 maart 2009, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 12 november 2008, het tegen het besluit van 11 juni 2008 door eisers gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 11 juni 2008 onder aanpassing van het bouwplan in stand gelaten. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en twee verweerschriften ingediend. Het beroep is op 15 mei 2009 ter zitting behandeld. Eiseres sub 1 was vertegenwoordigd door [C]. Eisers sub 2 waren vertegenwoordigd door mr. J.A. Wols, gemachtigde. Verweerder was vertegenwoordigd door mr. [D], [E] en [F]. Tevens is verschenen [G], manager huisvesting en beheer van scholengroep Spinoza. II OVERWEGINGEN Bij besluit van 30 november 2007 heeft verweerder een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een VMBO/MBO-school met een geïntegreerde bibliotheek en parkeergarage aan het Fluitpolderplein te Leidschendam. Bij besluit van 11 juni 2008 heeft verweerder een vergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de op 30 november 2007 verleende vergunning. De aanpassingen van het bouwplan betreffen een serie wijzigingen aan de gevel van het gebouw, alsmede een nieuwe, extra dakopbouw ten behoeve van een technische ruimte, die een toename van de bouwmassa tot gevolg heeft. Ook wordt de dakrand ongeveer zes centimeter verhoogd. De aanpassingen zijn het gevolg van een eis van de brandweer in het kader van de brandveiligheid alsmede interne plattegrondaanpassingen en bezuinigingen, aldus vergunninghoudster. Bij besluit van 12 maart 2009 heeft verweerder het besluit van 11 juni 2008 aangepast en het bouwplan gewijzigd in die zin dat genoemde extra dakopbouw alsnog niet wordt gerealiseerd. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 maart 2005, LJN: AT1998) blijkt dat, indien hangende een bezwaar- of beroepschriftprocedure met betrekking tot een bouwvergunning bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb van toepassing zijn, mits die wijziging van ondergeschikte aard is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voor een dergelijke wijziging volgens vaste jurisprudentie geen nieuwe bouwaanvraag nodig zou zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat de wijziging, gelet op haar omvang in verhouding tot de omvang van het bouwplan voor de gehele school en op haar geringe ruimtelijke uitstraling een wijziging van ondergeschikte aard is. De beroepen moeten dan ook, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, geacht worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 12 maart 2009. Eisers worden daardoor niet benadeeld. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om vrijstelling dateren van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden. Eiseres sub 1, die gelet op haar statuten door de rechtbank als belanghebbende wordt aangemerkt, is van mening dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in de Inspraakverordening 2002 van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Zij kan zich voorts niet verenigen met de locatiekeuze en het waterplan. Eisers sub 2 wonen aan de [a-straat 1] respectievelijk [2]. Hun woningen zijn gelegen in de directe nabijheid van het Fluitpolderplein. Ook zij kunnen zich met de situering van het bouwplan niet verenigen. Zij voeren voorts aan dat in het bestreden besluit ten onrechte het maximaal toelaatbare aantal van 1.000 leerlingen niet is opgenomen, de ruimtelijke onderbouwing ervan onvoldoende is, onvoldoende onderzoek is gedaan naar de verkeersstromen, het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid, de luchtkwaliteit een belemmering vormt voor realisatie van het bouwplan, ten onrechte geen aandacht is besteed aan Europees aanbestedingsrecht en de waardedaling van woningen, de invloed van het bouwplan op de flora en fauna onvoldoende is onderzocht, hun woongenot wordt aangetast en de wijk onevenredig wordt belast met scholen. Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Wow, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn. In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Amstelwijk 1989. Aan de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft zijn de bestemmingen "Verkeersdoeleinden"en "Voetpaden" gegeven. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu ingevolge de artikelen 11 en 14 van de planvoorschriften op de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, geen gebouwen mogen worden gebouwd. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend. Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening bij besluit van 9 oktober 2007 een lijst met categorieën van gevallen vastgesteld en op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze gepubliceerd in het provinciaal blad van Zuid-Holland nummer 96 van 24 oktober 2007. De lijst is opgesteld op basis van het huidige provinciale ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in de streekplannen en de Nota regels voor Ruimte. Volgens die lijst kan het college van burgemeester en wethouders in een aantal limitatief opgesomde situaties vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen. Deze situaties betreffen, voor zover hier van belang, voor het "stedelijk gebied": het bouwen van gebouwen en bouwwerken , geen gebouwen zijnde en het omzetten van bestaande functies in functies ten behoeve van voorzieningen van educatieve, medische, recreatieve, sociaal-maatschappelijke en levensbeschouwelijke aard (bijvoorbeeld scholen, sportvoorzieningen, horeca, gezondheidscentra, kerken, en dergelijke). GS hebben in hun besluit van 9 oktober 2007 uitzonderingen geformuleerd waarin is bepaald in welke gevallen geen gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheid krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Ook hebben zij in dat besluit randvoorwaarden geformuleerd waaraan moet zijn voldaan alvorens van die bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. De vrijstelling kan niet worden verleend voor het oprichten van scholen met meer dan 1.000 leerlingen. De vrijstelling mag voorts pas worden verleend nadat de verplichte watertoets als bedoeld in het Besluit op de Ruimtelijke ordening is uitgevoerd en een positief advies van de waterbeheerder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.