RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Rechtbank Zaaknummer: Awb 09/8490 Uitspraak in het geschil tussen: X van gestelde Iraakse nationaliteit, V-nummer: eiser, gemachtigde: mr. K.J. Meijer, advocaat te St. Annaparochie, en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te ’s-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. H. Oude Lenferink, ambtenaar ten departemente.
(200204720), niet tot een ander oordeel leiden; dat eiser afhankelijk was van een reisagent doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid om zijn asielaanvraag met stukken te onderbouwen. Dit zou anders kunnen zijn indien eiser onder dwang zijn documenten aan zijn reisagent zou hebben afgegeven. Dit is echter niet aannemelijk geworden. Gelet op de uitspraak van de ABRS van 8 april 2008 (LJN: BC9690) kan de aanwezigheid van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis, niet tot een ander oordeel leiden. 2.7 Voor zover eiser betoogt dat verweerder in redelijkheid niet de overlegging van reisdocumenten kan verlangen nu eiser wel een aantal andere documenten heeft overgelegd, kan dit betoog niet slagen. Immers, deze omstandigheid doet niet af aan het feit dat verweerder in overeenstemming met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 bij het onderzoek naar de aanvraag mede de omstandigheid betrekt dat de vreemdeling toerekenbaar geen voor de beoordeling noodzakelijke documenten overlegt en dat eiser deze documenten niet bij de aanvraag heeft overgelegd of kort nadien heeft laten opsturen. 2.8 In het licht van het voorgaande dient, volgens het door verweerder op grond van artikel 31 Vw 2000 gevoerde beleid, het relaas niet alleen consistent en niet onaannemelijk te zijn, doch mogen daarin ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. Zoals onder meer is overwogen in de uitspraak van de ABRS van 25 oktober 2007 (LJN: BB7199) dient niet alleen van de door de vreemdeling aangedragen feiten maar ook van de door hem aan de feiten ontleende vermoedens positieve overtuigingskracht uit te gaan. Gezien de uitspraak van de ABRS van 21 juli 2009 (LJN: BJ3621) gaat de rechtbank ervan uit dat het hier gaat om de vermoedens die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden. 2.9 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt getwijfeld aan de door eiser gestelde feiten met betrekking tot de dreigbrieven, de ontvoering van eisers beide broers en de moord van Y maar dat het door eiser aan deze feiten ontleende vermoeden dat ook hij zal worden ontvoerd en gedood niet geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Niet in geschil is dat bij de ontvoering van eisers broers Y en X losgeld werd geëist, dat Y na de betaling van losgeld is vrijgelaten, terwijl X toen geen losgeld werd betaald, is gedood. Aan deze omstandigheden kan in redelijkheid de conclusie worden verbonden dat de ontvoeringen zijn ingegeven door geldelijk gewin en niet zijn ingegeven vanwege de werkzaamheden die het familiebedrijf voor de Amerikanen heeft verricht. Het gevaar om vanwege financieel gewin te worden ontvoerd is in Irak een gevaar dat in beginsel iedere – enigszins gefortuneerde – burger kan treffen. De enkele omstandigheid dat eisers broers zijn ontvoerd en Y is vermoord, is dan ook onvoldoende geïndividualiseerd om aan te nemen dat ook eiser het slachtoffer zal worden van ontvoering en moord. Gelet hierop heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat eiser onvoldoende geïndividualiseerde omstandigheden heeft aangevoerd om aan te nemen dat er gegronde vrees voor vervolging bestaat in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat er reëel risico voor schending van artikel 3 van het EVRM bestaat indien eiser naar Irak terugkeert. Dit is te meer het geval nu niet in geschil is dat eiser in de maanden tussen de dood van zijn broer en zijn vertrek geen problemen heeft ondervonden. 2.10 Eisers stelling dat hij in Irak werkzaam was in een risicoberoep in de zin van paragraaf C24/11.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan niet tot een ander oordeel leiden. Immers, ook indien deze stelling juist is, dient er sprake te zijn van bovenbedoelde gegronde vrees of reëel risico, welke, zoals reeds is overwogen, ontbreekt. 2.11 Ten aanzien van eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn wordt het volgende overwogen. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn wordt in de Definitierichtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij, wanneer zij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen. Volgens artikel 15 van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit:
- a)doodstraf of executie; of
- b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
- c)ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Volgens artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. 2.12 In haar uitspraak van 25 mei 2009 (zaaknummer 200702174/2), rechtsoverweging 2.3.8, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 17 februari 2009 ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn het volgende overwogen: "Uit rechtsoverweging 43 van het hierboven weergegeven arrest, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40, leidt de Afdeling af dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in voormeld hangende de prejudiciële procedure gewezen arrest van 17 juli 2008, welk arrest het Hof onder bovenvermelde rechtsoverweging 44 expliciet aanhaalt - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn." 2.13 Voor een succesvol beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is het, blijkens bovengenoemde uitspraak, niet noodzakelijk dat, zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft overwogen, het individuele asielrelaas van de vreemdeling geloofwaardig wordt bevonden. Wel noodzakelijk is dat zijn herkomst geloofwaardig is. Aangezien niet in geschil is dat eiser uit Bagdad afkomstig is, is het enkele feit dat verweerder eisers relaas in redelijkheid ongeloofwaardig kan achten dan ook geen grond om te oordelen dat eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet kan slagen. 2.14 Partijen verschillen van standpunt over de vraag of zich in Centraal-Irak een uitzonderlijke situatie als bedoeld in bovenaangehaalde uitspraak voordoet, waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar deze gebieden louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Eiser heeft zijn standpunt dienaangaande onderbouwd met een verwijzing naar het ambtsbericht van 27 juni 2008, de brief van AI van 6 oktober 2008 en de notitie van VWN van oktober 2008. Bij zienswijze heeft hij de genoemde stukken overgelegd. De notitie van VWN vermeldt onder meer: “Behalve dat de geconstateerde verbetering tekort schiet is het zeer de vraag of deze beklijft en zich verder zal ontwikkelen. (….) Verschillende bronnen geven aan dat er grote risico’s zijn voor de toekomstige veiligheidssituatie ondanks een aantal schijnbaar gunstige politieke strategische ontwikkelingen. Bagdad blijft een zeer gewelddadige stad. (…..) Volgens de UNHCR bleef de provincie Bagdad het meest gewelddadige gebied in Irak.”. De brief van AI van 6 oktober 2008 vermeldt onder meer: “Aangaande de eerste indicator merkt u op dat u op basis van het ambtsbericht van juni 2008 constateert dat de veiligheidsituatie in Irak aan het verbeteren is. (…..) Zelfs hebben wij in het ambtsbericht niet kunnen lezen dat de situatie aan het verbeteren is. Op grond van de informatie in het ambtsbericht maar ook op grond van de informatie over de situatie na het verschijnen van het ambtsbericht in juni 2008 concludeert Amnesty International dat het geweld in Irak nog steeds zeer ernstig en wijdverspreid is.” 2.15 Noch uit het voornemen, noch uit het besluit blijkt dat is onderzocht of zich in Centraal-Irak feitelijk de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet. Evenmin is in het besluit ingegaan op de door eiser in dit verband bij zienswijze overgelegde stukken. Pas bij verweerschrift heeft verweerder dienaangaande een standpunt ingenomen, waarbij slechts is aangegeven dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat in Centraal-Irak sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Gelet op het gemotiveerde en onderbouwde standpunt dat eiser heeft ingenomen en de inhoud van de overgelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat in februari 2009 in Centraal-Irak geen sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, waarin eiser geen individuele kenmerken aannemelijk zou hoeven maken. Op grond van het bovenstaande is het besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). 2.16 Terzake het beroep van eiser op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, wordt als volgt overwogen. Volgens het vaste beleid van verweerder zoals dat is neergelegd in paragraaf C3/4.2.4 van de Vc 2000 moet voor een geslaagd beroep op het traumatabeleid aannemelijk zijn dat de betreffende handelingen van overheidswege zijn verricht, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat is of niet willens is bescherming te bieden. Ten aanzien van deze laatste situatie, welke door eiser wordt ingeroepen, volgt uit de jurisprudentie van de ABRS dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen verweerder dient te onderzoeken of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Uit de uitspraak van de ABRS van 5 augustus 2008 (JV 2008/341) volgt dat eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord de vraag aan de orde kan komen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. Het is derhalve aan verweerder om gemotiveerd aan te geven op welke gronden wordt aangenomen dat in Irak de bescherming van de autoriteiten kan worden verkregen, alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij die bescherming niet kan krijgen. Niet is gebleken dat verweerder bovengenoemd onderzoek heeft verricht. Verweerder heeft zich immers slechts op het standpunt gesteld dat eiser zich niet voor bescherming tot de autoriteiten heeft gewend en dat eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd om het inroepen van bescherming door de autoriteiten in zijn geval gevaarlijk of bij voorbaat zinloos te achten. Hiermee heeft verweerder miskend dat het aan hem is om eerst de algemene situatie dienaangaande in Irak te onderzoeken en daarover een standpunt in te nemen. Ook op dit punt is het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. 2.17 Het bovenstaande brengt mee dat het beroep gegrond zal worden verklaard en dat het besluit van 12 februari 2009 zal worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op eisers aanvraag te beslissen met inachtneming van het voorgaande. 2.18 Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d, van de Vw 2000, zodat rechtbank de behandeling van de grieven die hierop zien achterwege zal laten. 2.19 Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten zal worden bepaald op € 644,- ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). 3 Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 12 februari 2009; - bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op eisers aanvraag met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 644, -. Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier op 18 september 2009. de griffier is buiten staat te tekenen de rechter Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing. Afschrift verzonden op: