RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 3, enkelvoudige kamer Regnr.: AWB 09/13455 BEPTDN UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. A.J. van Duijne Strobosch, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris van Justitie, verweerder. IPROCESVERLOOP Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1987 en de Indiase nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sinds 20 juni 2008 als vreemdeling in Nederland. Op 20 juni 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft eiser op 2 februari 2009 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Op 14 april 2009 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. C. Brand. Tevens was ter zitting aanwezig de heer R.A. Choudry, tolk in het [taal streek]. IIOVERWEGINGEN 1In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. 2Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat en voor zover van belang - het volgende aangevoerd. Eiser is een niet-praktiserend Sikh, afkomstig uit een boerendorp in de [streek]. Hij behoort tot een van de hogere kasten die de [streek] kent, die van de landbouwers ([naam]). Eiser dreigde rond zijn achttiende verjaardag uitgehuwelijkt te worden aan een meisje. Hij heeft zijn familie toen verteld over zijn seksuele geaardheid en gezegd dat hij met een jongen wilde trouwen. Omdat eiser met het uitdragen van zijn seksuele geaardheid de trots van de familie heeft gekrenkt, werd hij sinds zijn coming-out door dorpsgenoten en door zijn eigen familie gepest, bedreigd en mishandeld. Eiser werd in huis opgesloten en heeft zijn studie moeten staken. Op enig moment heeft een onbekend gebleven persoon een overdosis slaappillen in zijn melk gedaan, waarna eiser in het ziekenhuis moest worden opgenomen. De vader van eiser heeft hem aan een sari aan het plafond gehangen, hem meermalen met een slipper geslagen en hem geprobeerd te wurgen. Korte tijd later is tijdens een dorpsvergadering besloten om eiser met zwartgeschminkt gezicht op een ezel door het dorp te laten rijden, waarna hij naar een gekkenhuis zou worden gestuurd om daar te genezen van zijn 'zieke gewoonten'. Eiser is zijn dorp vervolgens ontvlucht en is naar [plaats], Guyana gereisd. In Guyana woonde eiser samen met een jongen. Toen eiser telefonisch het contact met zijn familie trachtte te herstellen, werd zijn situatie in Guyana onhoudbaar. Zo heeft de oom van eiser onder de Indiase gemeenschap in Guyana geruchten verspreid over de seksuele geaardheid van eiser en daarbij verteld dat eiser zijn lichaam prostitueert. Eiser heeft vervolgens een ticket naar Nederland gekocht omdat, zo stelt hij, hij de hoop heeft dat men juist hier zijn problemen zal begrijpen. 3Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft geconcludeerd dat er geen enkel vermoeden bestaat dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag te vrezen heeft. Eiser had bovendien voorafgaand aan zijn vlucht bescherming bij de lokale autoriteiten moeten vragen. Eiser komt volgens verweerder voorts niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op een van de andere gronden uit artikel 29, eerste lid van de Vw. Ook is sprake van een binnenlands vluchtalternatief. 4Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar de [streek] vanwege zijn seksuele geaardheid zal worden gedood. Door te stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van de autoriteiten te vrezen heeft miskent verweerder dat er een aanslag op het leven van eiser is gepleegd, dat eiser door zijn vader aan een balk is opgehangen, en dat ook dorpsgenoten zich op zeer indringende wijze met de seksuele geaardheid van eiser hebben bemoeid. Hulp inroepen van de autoriteiten had en heeft geen zin, omdat homoseksualiteit volgens sectie 377 van de Indian Penal Code wordt bedreigd met een levenslange gevangenisstraf. Eiser heeft in beroep alsnog een kopie van zijn paspoort en van zijn geboorteakte overgelegd. Hij heeft geprobeerd deze documenten te laten vertalen, maar de vertaalopdracht is bij gebreke van een gecertificeerd tolk [taal streek] retour gekomen. 5Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van Vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag), gelezen in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap als de vreemdeling zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren of andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Als de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw zich voordoet, doet dit afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas en rust op de vreemdeling een zwaardere bewijslast. Er mogen dan in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. 6In zijn eerste beroepsgrond stelt eiser dat verweerder hem het ontbreken van het paspoort en de reisdocumenten waarmee hij via Guyana naar Nederland is gereisd op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw niet had mogen tegenwerpen. Deze beroepsgrond faalt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 16 mei 2003 (LJN AL4908) heeft overwogen, is het aan verweerder om te bepalen welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en welke ter onderbouwing daarvan hadden kunnen en moeten worden overgelegd. De omstandigheid dat eiser ter staving van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas een aantal documenten heeft overgelegd die zijn relaas verklaringen bevestigen, laat onverlet dat verweerder het niet overleggen van essentiële documenten als een origineel paspoort en reisbescheiden aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Dit geldt temeer nu eiser deze documenten naar eigen zeggen wel in zijn bezit heeft gehad. Dat eiser ze tijdens zijn vliegreis naar Nederland heeft verscheurd heeft verweerder, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat van dwang sprake was en nu eiser op het moment van verscheuren van de documenten al op een locatie was waar bescherming van de autoriteiten kon worden ingeroepen, voor eisers rekening mogen laten. Het feit dat eiser hangende beroep alsnog onvertaalde kopieën van een paspoort en een geboorteakte heeft overgelegd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het is in beginsel aan verweerder om te bepalen of hij in een concreet geval ter vaststelling van de authenticiteit van een document het origineel hiervan nodig heeft, of dat een kopie volstaat. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de AbRS van 1 augustus 2003 (LJN AL6417). Verweerder heeft gezien het voorgaande mogen oordelen dat het niet overleggen van voormelde documenten op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw bij de beoordeling van de aanvraag van eiser, in het bijzonder van de geloofwaardigheid van diens relaas, moest worden betrokken. Op eiser rust, nu van een schending van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw sprake is, een zwaardere bewijslast als het gaat om het aannemelijk maken van zijn asielrelaas. 7Verweerder gaat, ondanks de verzwaarde bewijslast, uit van de juistheid en geloofwaardigheid van alle door eiser in zijn relaas gestelde, in rechtsoverweging 2 op hoofdlijnen aangehaalde, feiten en omstandigheden. De vrees van eiser over wat hem bij terugkeer te wachten staat acht verweerder echter ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Bij uitspraak van 21 juli 2009 (LJN BJ3621) heeft de AbRS uitgemaakt dat als, zoals in dit geval, de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden door verweerder geloofwaardig zijn bevonden, de rechtbank het standpunt van verweerder over het realiteitsgehalte van de aan de feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over de risico's bij terugkeer naar het land van herkomst zonder terughoudendheid moet toetsen. De eerste kwestie die in het licht van deze zogeheten volle toets beantwoording behoeft, is de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zijn oordeel gebaseerd op het gegeven dat de vervolgingshandelingen die eiser wegens het behoren tot een bepaalde sociale groep (homoseksuelen) heeft moeten ondergaan hem niet door de autoriteiten zijn aangedaan, maar door zijn eigen familie en door dorpsgenoten. Ook had eiser volgens verweerder bescherming moeten vragen aan de lokale autoriteiten. 8De rechtbank heeft bij de beantwoording van de rechtsvragen die voorliggen gebruik gemaakt van diverse door partijen overgelegde of ambtshalve bekende stukken over de mensenrechtensituatie van homoseksuelen in India, waaronder:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.