RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 4, meervoudige kamer Procedurenummer: AWB 08/7023 LB/PVV Uitspraakdatum: 8 december 2009 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) In het geding tussen Assurantiekantoor [X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder. IPROCESVERLOOP 1.1Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 met dagtekening 14 september 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer: [nummer]) loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 30.885, vermeerderd met € 3.810 heffingsrente, alsmede bij beschikking een boete van € 14.716. 1.2Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2008 de naheffingsaanslag verminderd tot € 23.617 en de heffingsrente tot € 3.233. De boete is bij uitspraak op bezwaar van dezelfde datum verminderd tot € 7.894. 1.3Eiseres heeft daartegen bij brief van 22 september 2008, ontvangen bij de rechtbank op 23 september 2008, beroep ingesteld. 1.4Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.5Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd. 1.6Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres. 1.7Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Namens eiseres zijn daar verschenen [X], bestuurder van eiseres, [Y], voormalig bestuurder van eiseres, en de gemachtigden van eiseres, mr. [A] en drs. [B] FB. Namens verweerder is verschenen mr. [C]. 1.8Eiseres heeft ter zitting een tweetal pleitnota's voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 1.9 Eiseres treedt op als tussenpersoon bij het sluiten van verzekeringen, hypotheken en andere financiële producten. 1.10 Werknemers van eiseres kunnen via eiseres de onder 1.9 genoemde producten afnemen. Indien werknemers van eiseres op eigen naam of op naam van hun gezinsleden producten afsluiten, wordt de provisie die in de premie voor deze producten is begrepen door eiseres aan de betreffende werknemer uitbetaald. Op deze provisiebetalingen is in de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft door eiseres geen loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden. 1.11 De heer [Y] was gedurende het tijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft als algemeen directeur voor eiseres werkzaam. Eiseres betaalde aan de heer [Y] van 1 januari 2002 tot en met 31 juli 2003 een kostenvergoeding van € 365 per maand. Daarnaast werd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 een vergoeding van € 230 per maand betaald voor sponsoring/reclame, representatie en relaties, personeelskosten en kosten onderweg. In 2005 bedroeg deze vergoeding € 600 per kwartaal. Op deze vergoedingen is door eiseres geen loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden. 1.12In mei 2007 heeft verweerder bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005. 1.13De bevindingen van genoemd onderzoek zijn vastgelegd in het controlerapport d.d. 9 augustus 2007. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken. Het rapport vermeldt onder meer de volgende bevindingen: "5.3.2Provisie/kortingen verzekeringspolissen eigen personeel In de controlejaren is door de werkgever provisie ontvangen dan wel kortingen verkregen voor polissen die op naam van de werknemers en/of gezinsleden van de werknemers zijn afgesloten. De hiermee gemoeide bedragen komen ten goede aan het personeel. De aan de werknemers betaalde bedragen zijn, ten onrechte, niet tot het loon gerekend. De door de werknemers ontvangen bedragen zullen alsnog tot het nettoloon gerekend worden. (...) Voor de loonheffing zal de correctie plaatsvinden onder toepassing van het gebruteerd tabeltarief. (...) Dit leidt tot de volgende correcties: <b><u>2002</u></b> tabel 2002 <b><u>2003</u></b> tabel 2003 <b><u>2004</u></b> tabel 2004 <b><u>2005</u></b> tabel 2005 (...) 7.1.2 Vergoeding voor (algemeen voorkomende) onkosten Werknemer [Y], (...), heeft over de periode 1 januari 2002 tot en met juli 2003 bij het salaris een vaste kostenvergoeding van € 365,= ontvangen (bestaande uit € 295,= vaste kostenvergoeding en € 70,= wegens gebruik van de garage als archief). Daarnaast ontvangt betreffende werknemer maandelijks (€ 230,=), dan wel per kwartaal (€ 600,=), een bedrag welke door de werkgever wordt geboekt op de grootboekrekening algemene kosten. Van de betreffende kostenvergoedingen is geen enkele onderbouwd overlegd. Bij een vorige controle door de belastingdienst over de jaren 1994 tot en met 1998, waarvan het rapport is uitgebracht op 2 februari 2000, is tevens het eerder opgewekt vertrouwen inzake de toekenning van een vaste kostenvergoeding opgezegd. Op basis hiervan wordt voor deze controle de kostenvergoeding tot € 50,= geaccepteerd (...). Met de vergoeding voor het gebruik van de garage wordt vooralsnog accoord gegaan. Toetsing op de juistheid van deze vergoeding heeft overigens niet plaatsgevonden. (...) De bovenmatige vergoeding zal alsnog tot het loon worden gerekend, waarbij de correctie van de loonbelasting plaatsvindt in de vorm van eindheffing onder toepassing van het enkelvoudige tarief. (...)" 1.14 Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. 1.15 In oktober 1999 heeft bij eiseres eveneens een boekenonderzoek plaatsgevonden. Tijdens dat onderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 onderzocht. 1.16 De bevindingen van het onder 1.15 genoemde onderzoek zijn vastgelegd in het controlerapport d.d. 2 februari 2000. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken. Het rapport vermeldt onder meer de volgende bevindingen: "2.1.2Vaste algemene kostenvergoeding De directeur ontvangt een kostenvergoeding van f 650 per maand. Deze vergoeding betreft kosten onderweg, zoals kosten lunches, kleine consumpties en telefoon, parkeer- en pontgelden, kosten wassen auto van de zaak en representatiekosten. (...) In het algemeen (los van de gebruikelijke voorwaarden) behoren vaste kosten niet tot het loon voor zover ze naar aard en omvang zijn gespecificeerd en daaraan een steekproef ten grondslag ligt. (...) De onderbouwing van de kostenvergoeding via een steekproef van zes maanden, is ook noodzakelijk (voor zover deze nog niet heeft plaatsgevonden) voor de vergoeding aan de directeur. (...)" 1.17Naar aanleiding van dit boekenonderzoek zijn door verweerder geen naheffingsaanslagen opgelegd. Geschil 1.18In geschil is of de betalingen die eiseres in verband met de door en ten behoeve van de eigen werknemers en hun gezinsleden afgesloten producten aan de betreffende werknemers heeft gedaan terecht tot het loon zijn gerekend. Voorts is in geschil of de aan de heer [Y] betaalde vaste kostenvergoedingen terecht tot het loon zijn gerekend. Ten slotte is in geschil of de boete over de correctie met betrekking tot de provisiebetalingen terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. 1.19Ten aanzien van de provisiebetalingen die eiseres aan werknemers heeft gedaan, stelt eiseres zich primair op het standpunt dat deze niet als loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) zijn aan te merken. Subsidiair stelt eiseres dat de provisiebetalingen op grond van de regeling voor producten uit het eigen bedrijf van de inhoudingsplichtige als vrije vergoedingen moeten worden beschouwd. Meer subsidiair is eiseres van mening dat het als belast loon aanmerken van deze betalingen in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Met betrekking tot de vaste kostenvergoedingen die aan de heer [Y] zijn betaald, stelt eiseres zich primair op het standpunt dat deze ten onrechte tot het loon zijn gerekend nu deze naar aard en omvang waren gespecificeerd. Subsidiair stelt eiseres dat tijdens het eerdere boekenonderzoek in oktober1999 het vertrouwen is gewekt dat de kostenvergoeding onbelast kon worden uitbetaald. Ten aanzien van de boete stelt eiseres zich op het standpunt dat sprake is van een pleitbaar standpunt zodat opzet of grove schuld niet aan de orde kan zijn. 1.20Verweerder stelt zich ten aanzien van de provisiebetalingen op het standpunt dat deze als loon in de zin van de Wet moeten worden aangemerkt. De regeling voor producten uit het eigen bedrijf van de inhoudingsplichtige is op dit loonbestanddeel niet van toepassing zodat de betalingen niet als vrije vergoedingen kwalificeren. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Met betrekking tot de vaste kostenvergoedingen stelt verweerder dat deze terecht tot het loon zijn gerekend nu ten tijde van de uitbetaling daarvan geen specificatie naar aard en omvang voorhanden was. Ten aanzien van de boete heeft verweerder verklaard deze niet langer te handhaven. 1.21Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. 1.22Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking, handhaving van de naheffingsaanslag en vernietiging van de boetebeschikking. IIOVERWEGINGEN Provisiebetalingen 2.1 Ingevolge artikel 10 van de Wet is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. 2.2 De rechtbank is van oordeel dat voor zover eiseres provisies aan haar werknemers heeft betaald in beginsel sprake is van loon in de zin van artikel 10 van de Wet nu tussen de betaling van de provisies en de dienstbetrekking een rechtstreeks verband bestaat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat namens eiseres ter zitting is verklaard dat derden, behoudens een enkele uitzondering, niet in aanmerking komen voor terugbetaling van (een gedeelte van) de door hen betaalde provisie terwijl werknemers die voor zichzelf of voor hun gezinsleden een product afsluiten de provisie altijd terugontvangen. Voorts is namens eiseres verklaard dat ingeval van beëindiging van de dienstbetrekking met de werknemer, wederom behoudens een enkel uitzonderingsgeval, de provisiebetalingen worden beëindigd. Deze omstandigheden bevestigen dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de provisiebetalingen en de dienstbetrekking. 2.3De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de provisiebetalingen, zoals eiseres stelt, als vrije vergoedingen kunnen worden aangemerkt. 2.4Ingevolge artikel 41 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 behoren onder meer vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige tot de vrije vergoedingen, voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de integrale kostprijs van het product en voorzover de hoeveelheid ervan niet uitgaat boven hetgeen in een gezin als dat van de werknemer pleegt te worden gebruikt of verbruikt (tekst 2002 en 2003) dan wel tot een bedrag van ten hoogste (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.