← Nederland

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK9166

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Zittinghoudende te Amsterdam zaaknummer: AWB 09/41994 V-nr: * uitspraak van de voorzieningenrechter in het geding tussen: verzoeker [naam], geboren [datum] in 1970, Burger van Belarus (Wit-Rusland), gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam, en: de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. H. van Velzen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

  1. Procesverloop Bij besluit van 11 november 2009 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 26 oktober 2009 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt afgewezen. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat verzoeker na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat verzoeker Nederland uit eigen beweging moet verlaten. Bij bezwaarschrift van 17 november 2009 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op. Bij brief van 16 november 2009 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november
  2. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] de partner van eiser. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
  3. Overwegingen
  4. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  5. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van spoedeisendheid, omdat hij thans uitzetbaar is. Aan hem is met ingang van 20 november 2009 een meldplicht opgelegd en verweerder is bezig om relevante medische informatie over verzoeker te vergaren om over te kunnen gaan tot uitzetting.
  6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. In tegenstelling tot een situatie waarbij een vreemdeling ter voorbereiding van de uitzetting in bewaring is gesteld, bevindt verzoeker zich niet in de macht van verweerder. Weliswaar is een meldplicht opgelegd, maar hieruit kan nog niet een concreet voornemen tot uitzetting worden afgeleid. Uit de omstandigheid dat verweerder, ter voorbereiding van de uitzetting van verzoeker, medische gegevens over verzoeker vergaart kan bovendien vooralsnog niet worden afgeleid dat ook daadwerkelijk tot uitzetting zal worden overgegaan.
  7. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat er sprake is van onverwijlde spoed die vereist dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
  8. De voorzieningenrechter is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
  9. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kempen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december
  10. De griffier, De voorzieningenrechter, Afschrift verzonden op: Conc.: MvK Coll.: D: B VK Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.