RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 4, meervoudige kamer Procedurenummer: AWB 08/3773 OVDRBL Uitspraakdatum: 26 november 2009 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) In het geding tussen [X] Holding B.V., gevestigd te [Z], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder. I PROCESVERLOOP 1.1 Verweerder heeft aan eiseres op 27 november 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) overdrachtsbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd ten bedrage van € 25.
(2000)is ontstaan en dat de naheffingsaanslag derhalve buiten de daarvoor geldende termijn is opgelegd. 2.14 Op grond van artikel 20, eerste lid (eerste volzin), van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Op grond van het derde lid van genoemd artikel vervalt de bevoegdheid tot naheffing door verloop van vijf jaren na het einde van kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. 2.15 Zoals uit het voorgaande blijkt, had eiseres ten tijde van de levering van de onroerende zaak recht op toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de Wet. Er was immers sprake van een interne organisatie en zij voldeed aan de in artikel 5b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit gestelde voorwaarden, alsmede aan de - in artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit opgenomen - voorwaarde dat in de leveringsakte expliciet een beroep is gedaan op de vrijstelling. Aangezien in casu sprake was van een vrijstelling was er in het jaar 2000 in het geheel nog geen sprake van enige - formele dan wel materiële - verschuldigdheid van overdrachtsbelasting. 2.16 Door de vervreemding van de aandelen in eiseres in 2002 werd niet langer voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de interne-reorganisatievrijstelling. In dat geval is, aldus artikel 5b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, de belasting die door toepassing van de vrijstelling niet is geheven alsnog verschuldigd. Pas in 2002 ontstaat derhalve het eerste moment van verschuldigdheid van overdrachtsbelasting ter zake van de overdracht van de onroerende zaak. Het feit dat niet in de Wet zelf maar in het Uitvoeringsbesluit is geregeld dat de verschuldigdheid in een dergelijk geval alsnog ontstaat, staat niet aan naheffing in de weg. Alle aan de vrijstelling verbonden voorwaarden zijn immers in het Uitvoeringsbesluit opgenomen. Hierbij komt dat expliciet in de aanhef van art. 15, eerste lid, van de Wet is bepaald dat de vrijstelling geldt onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden. Indien die voorwaarden moeten worden weggedacht, zou dit ertoe leiden dat er in het geheel geen sprake kan zijn (geweest) van enige vrijstelling. 2.17 Op grond van artikel 19, derde lid, van de AWR was eiseres gehouden de alsnog verschuldigde belasting binnen één maand na 17 september 2002 te voldoen. Nu eiseres dat heeft nagelaten, kon verweerder die belasting bij eiseres naheffen op grond van artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de AWR. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in de tweede volzin van artikel 20, eerste lid, van de AWR, nu het hier niet betrof een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek. 2.18 Nu de onderhavige belastingschuld in het jaar 2002 is ontstaan, vervalt de bevoegdheid tot naheffing ingevolge artikel 20, derde lid, van de AWR pas per ultimo
- Hieruit volgt dat de onderhavige naheffingsaanslag tijdig, want in november 2007, aan eiseres is opgelegd. Heffingsrente 2.19 Op grond van artikel 30f, tweede lid, onderdeel a, van de AWR wordt met betrekking tot de overdrachtsbelasting heffingsrente berekend ingeval een naheffingsaanslag wordt vastgesteld vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven. Ingevolge artikel 30f, derde lid, onderdeel c, van de AWR wordt de heffingrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van dagtekening van het aanslagbiljet. Op grond van artikel 30h, eerste lid, van de AWR wordt de heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van de aanslag. Eiser is volgens de naheffingsaanslag (een positief bedrag aan) overdrachtsbelasting verschuldigd, zodat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag terecht heffingsrente aan eiseres in rekening heeft gebracht. Dat het bedrag aan heffingsrente niet juist is berekend, is gesteld noch gebleken. Slotsom 2.20 Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 2.21 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III BESLISSING De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. L. de Loor-Alwin, mr. G.J. Ebbeling en mr. S.K.A. Efstratiades, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.A.H. Strik. Uitgesproken in het openbaar op 26 november
- RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
- - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.