RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 25 maart 2009, gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 333269 / KG ZA 09-371 van: 1. [eiser sub 1], ingeschreven in P.I. [X.], thans verblijvende in het penitentiair ziekenhuis [Y.] te [verblijfplaats], 2. [eiseres sub 2], 3. [eiseres sub 3], beiden wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. J. Serrarens te Maastricht, tegen: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), zetelende te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. F.W. Bleichrodt te Den Haag. 1. Het procesverloop Eisers hebben gedaagde op 18 maart 2009 doen dagvaarden om op 23 maart 2009 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 25 maart 2009 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking. 2. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 maart 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Eiser sub 1 is als gedetineerde ingeschreven in P.I. [X.]. Eiseres sub 2 is de echtgenote en eiseres sub 3 de dochter van eiser sub 1. 2.2. Bij uitspraak van 28 juli 1994 heeft het Landgericht te Frankfurt am Main, Duitsland, eiser sub 1 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor - onder meer - een tweevoudige moord. De rechtbank te Rotterdam heeft in een exequaturprocedure bij uitspraak van 8 december 1998 verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf. Het tegen deze uitspraak gerichte beroep in cassatie is bij arrest van de Hoge Raad van 9 november 1999 verworpen. Daarmee is de Duitse gevangenisstraf omgezet in een Nederlandse. Eiser ondergaat thans de levenslange gevangenisstraf op gelijke voet als de in Nederland tot levenslang veroordeelden. 2.3. Eiser sub 1 heeft een aantal gratieverzoeken ingediend. Alle gratieverzoeken zijn tot op heden afgewezen, laatstelijk op 30 december 2008. 2.4. Bij eiser sub 1 is eind 2008 een ongeneeslijke vorm van longkanker ontdekt. Arts-assistent longziekten [Z.] van het [xxxx] Ziekenhuis heeft op 8 januari 2009 het navolgende verklaard ten aanzien van eiser sub 1, voor zover relevant: "(...) Bovengenoemde patiënt is bij ons bekend op de polikliniek longziekten. Hij heeft een ernstige ziekte, meest waarschijnlijk betreft dit een longcarcinoom. Dit carcinoom is uitgezaaid naar het borstvlies. De gemiddelde levensverwachting bij een naar het borstvlies uitgezaaid carcinoom is kleiner dan een jaar.(...)" De verklaring is voor akkoord getekend door dr. [A.], longarts. 2.5. Eiser sub 1 heeft op 13 januari 2009 een nieuw gratieverzoek ingediend bij de Dienst Justis van het ministerie van justitie in verband met zijn gezondheidstoestand. Het openbaar ministerie en de rechtbank Rotterdam hebben op respectievelijk 4 en 19 maart 2009 negatief over dit gratieverzoek geadviseerd. 2.6. Eiser sub 1 heeft de selectiefunctionaris verzocht om strafonderbreking. De selectiefunctionaris heeft dit verzoek bij brief van 26 februari 2009 afgewezen, tegen welke beslissing eiser sub 1 beroep heeft ingesteld bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). 2.7. Sinds 11 maart 2009 verblijft eiser sub 1 in het penitentiair ziekenhuis omdat hij zeer kortademig was en vijf liter vocht in zijn longen had. 2.8. Het bezoekrecht aan eiser sub 1 is verdubbeld in die zin dat hij thans twee uur per week bezoek mag hebben. 3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer 3.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - dat gedaagde wordt bevolen om eiser sub 1 binnen één dag na betekening van dit vonnis in vrijheid te stellen, eventueel onder voorwaarde dat eiser sub 1 daarbij onder toezicht wordt gesteld en eventueel onder de voorwaarde dat dit geldt totdat in de procedures die aanhangig zijn bij de RSJ en de Dienst Justis een definitieve beslissing is genomen. 3.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eisers door de detentie van eiser sub 1 te laten voortduren en te weigeren hem onmiddellijk vrij te laten. Van eisers kan niet gevergd worden dat zij de uitkomst van de lopende procedures bij de Dienst Justis en de RSJ afwachten. Eiser sub 1 is zodanig ziek en zijn levensverwachting is zodanig dat dit voldoende aanleiding geeft om hem op dit moment vrij te laten. Daarmee is ook het spoedeisend belang gegeven. Bovendien is continuering van de detentie onder deze omstandigheden in strijd met artikel 3 en 8 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). 3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4. De beoordeling van het geschil 4.1. Aangezien eisers aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat gedaagde onrechtmatig jegens hen handelt, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering. 4.2. Als eerste en meest verstrekkende verweer heeft gedaagde aangevoerd dat eiser sub 1 niet in zijn vordering ter zake van de strafonderbreking kan worden ontvangen. Het betoog van gedaagde dat allereerst de uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ in de zin van artikel 72 lid 2 Penitentiaire beginselenwet dient te worden afgewacht, treft doel. Immers, ingevolge vaste rechtspraak is de procedure bij de RSJ te beschouwen als een met voldoende waarborgen omklede (strafrechtelijke) rechtsgang. Voor de civiele voorzieningenrechter is slechts een taak weggelegd indien bij de RSJ niet voldoende spoedig een voorziening kan worden gekregen. Daarvan is echter geen sprake, omdat de RSJ elk moment, zoals ook ter zitting is komen vast te staan, een beslissing zal nemen. Voorts is ter zitting aan de orde gekomen dat indien de RSJ het oneens is met de beslissing van de selectiefunctionaris, deze laatste weliswaar opnieuw moet beslissen, maar dit kan binnen één dag gebeuren indien de omstandigheden daartoe nopen. Onder deze omstandigheden is er dan ook geen aanleiding voor de voorzieningenrechter om de rechtsgang bij de RSJ te doorkruisen, zodat eiser sub 1 niet ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard. 4.3. Vervolgens komt aan de orde de vraag of er grond bestaat voor doorkruising van de gratieprocedure (rechtsoverweging 2.5). De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Hierop bestaan onder meer de volgende drie uitzonderingen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.