RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 5 februari 2010, gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 355679 / KG ZA 09-1793 van: [eiser], wonende te [...], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [...] te [...], eiser, advocaat mr. I.N. Weski te Rotterdam, tegen: de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Justitie), zetelende te ’s-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 januari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. De onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft op 19 oktober 2009 een Europees aanhoudingsbevel (verder EAB) uitgevaardigd met betrekking tot eiser, in verband met de verdenking van betrokkenheid op verschillende tijdstippen in 2009 bij de invoer in België vanuit de Dominicaanse Republiek van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, een poging daartoe, alsmede deelneming aan een criminele organisatie. 1.2. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het EAB een vordering ingediend bij de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam tot het in behandeling nemen van het aanhoudingsbevel. Op 9 december 2009 is de vordering van de officier van justitie door de rechtbank behandeld. 1.3. Bij uitspraak van 23 december 2009 heeft de rechtbank het volgende beslist: “STAAT TOE de overlevering van [eiser] aan de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht”. 1.4. Bij faxbericht van 23 december 2009 heeft eiser aan de Minister van Justitie gevraagd gebruik te maken van de hem in artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) gegeven aanwijzingsbevoegdheid. Bij brief van 24 december 2009 heeft de Minister van Justitie aan eiser geschreven geen aanleiding te zien om een aanwijzing tot vervolging in Nederland te geven. 2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer 2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde: primair: - te bevelen de overlevering te doen weigeren, althans eiser te vervolgen in Nederland voor de onderliggende strafbare feiten; subsidiair: - te bevelen van zijn aanwijzingsbevoegdheid ingevolge artikel 127 RO gebruik te maken met dien verstande dat de behandelend officier van justitie opdracht wordt gegeven eiser in Nederland te vervolgen; meer subsidiair: - te veroordelen overeenkomstig de zaken Dougoz en Shahall van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de daarin beschreven zorgplicht van de overheid om onderzoek te doen ten aanzien van de voor eiser concreet bij overlevering naar België aldaar te verwachten detentie omstandigheden en in dat kader te verkrijgen garanties ter waarborging van de eerbieding van de artikelen 3, 5 en 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten behoeve van die detentie, daaronder mede begrepen de mogelijkheid dat eiser in Nederland wordt gedetineerd overeenkomstig het tussen Nederland en België gesloten verdrag over de onderbrenging van Belgische gedetineerden in Nederland. 2.2. Daartoe voert eiser onder meer het volgende aan. De officier van justitie handelt onrechtmatig door eiser niet in Nederland te vervolgen. De veronderstelde strafbare feiten hebben uitsluitend, dan wel voornamelijk in Nederland plaatsgevonden en zijn niet zwaarwegend in België. Voorts zal eisers detentiesituatie in België in strijd zijn met de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM, gelet op de aldaar geldende structureel erbarmelijke detentie omstandigheden. Ook de regering van België stelt dat deze detentie omstandigheden inhumaan moeten worden geacht. Verschillende justitiële onderzoekscommissies en onderzoeksinstellingen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa hebben gerapporteerd dat die detentie omstandigheden structureel in strijd zijn met artikel 3 EVRM en het klachtrecht ingevolge het EVRM. Volgens eiser moet gesproken worden van een situatie als in de zaken Dougoz en Shahall van het EHRM. Voorts handelt de Minister van Justitie onrechtmatig door niet de officier van justitie ingevolge artikel 127 RO de aanwijzing tot vervolging in Nederland te geven. Ook weigert de Minister van Justitie een onderzoek in te stellen en waarborgen te creëren ten aanzien van de reëel te verwachten schendingen in België ingevolge de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM, terwijl er sprake is van een individueel geval overstijgende omstandigheid. Inmiddels is er een verdrag tussen Nederland en België tot stand gekomen ter leniging van de overbevolking in Belgische gevangenissen door het huren van Nederlandse cellen door België. Indien eiser zal worden geplaatst in het Huis van Bewaring in Antwerpen hetgeen een reële verwachting is, zal er een verhoogd risico zijn van schendingen van artikel 3 van het EVRM. Derhalve kan gedaagde niet meer volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel en de ondertekening door België van het EVRM en de daarmee veronderstelde bewijslast van eiser ten aanzien van de aard en omvang van de ‘real risk’ of te wel het reële risico te worden blootgesteld aan omstandigheden die een schending van artikel 3 EVRM opleveren. 2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 3. De beoordeling van het geschil 3.1. Aan de orde is of de feitelijke overlevering van eiser aan België thans doorgang kan vinden. De rechtbank te Amsterdam is de door de wetgever exclusief aangewezen rechterlijke instantie voor de behandeling van overleveringsverzoeken in het kader van het EAB. Eiser heeft aangevoerd dat hij het niet eens is met de uitspraak van 23 december 2009 van de rechtbank te Amsterdam. Uitgangspunt is dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het algemeen met zich brengt dat een partij die zich niet kan verenigen met de beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.