vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 309455 / HA ZA 08-1301 Vonnis van 17 maart 2010 in de zaak van
(2)veroordeling van OG B.V. tot betaling van een voorschot op omzetschade ten bedrage van € 2.500,-- per dag, te rekenen vanaf 1 april 2007 zolang Bij Zessen niet tot exploitatie van de kantine werd toegelaten. 2.39.Bij vonnis van 15 augustus 2007 heeft de kantonrechter te Den Haag de vorderingen van Bij Zessen integraal afgewezen, met veroordeling van Bij Zessen in de proceskosten. In het vonnis is onder meer overwogen: "2. Het aanbod van [gedaagde sub 2] d.d. 17 februari 2007 tot het aangaan van een overeenkomst voor de duur van twee jaren en zonder borgstelling is niet gericht aan eiseres, doch aan [aandeelhouder A], die daarop aanvankelijk negatief heeft gereageerd. Vervolgens, na de termijnstelling door [gedaagde sub 2] - tot 9 maart 2007 - is echter niet tijdig met dat aanbod ingestemd. 3. Voorts heeft [aandeelhouder A] op 11 maart 2007 slechts te kennen gegeven, dat hij instemde met een minimale contractsduur van twee jaren, waarbij hij aangaf, dat daarnaast nog nadere afspraken dienden te worden uitgewerkt. Uit de aan dit bericht voorafgaande emailcorrespondentie valt af te leiden, dat die nadere afspraken onder meer betrekking hadden op de wijze van exploitatie van de kantine, waarover partijen van mening verschilden. Dit deelgeschil had direct betrekking op de inhoud van de huurovereenkomst, te weten de bestemming en het gebruik van het gehuurde als hedoeld in artikel 1.2 van het door [gedaagde sub 2] aan [aandeelhouder A] toegezonden concept. [gedaagde sub 2] wenste een gebruik als tenniskantine en grand café-restaurant voor gasten en leden van het tennispark en [aandeelhouder A] heoogde de exploitatie van een horecavoorziening voor een breder publiek. Daarhij hebben partijen zich, blijkens de overgelegde concepten, vermoedelijk niet voldoende gerealiseerd welk wettelijk huurregime toepasselijk zou zijn (artikel 7:230a of artikel 7:290 BW). 4. Aan de nader uit te werken afspraken is door [gedaagde sub 2] bij brief van 15 maart 2007 van zijn raadsman nog toegevoegd de overname door eiseres van lopende horeca-(inkoop)verplichtingen. Ook daarover verschillen partijen van mening. Het geschil hangt samen met de uitwerking van de overeenkomst betreffende de aandelenoverdracht van Balotte B.V. aan Tirda B.V. en houdt tevens direct verband met de overeen te komen huur. 5. Uit de op 20 december 2006 door [aandeelhouder A] en [gedaagde sub 2] "op hoofdlijnen" gemaakte afspraken over de exploitatie van de kantine en de omstandigheid, dat de discussie over de inhoud van de huurovereenkomst vervolgens voornamelijk is gevoerd door dezelfde personen in het kader van de nadere uitwerking van de afspraken, volgt dat de sluiting van een huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de kantine moet worden aangemerkt als een derdenbeding (artikel 6:253 B.W.). 6. Nu over de exacte inhoud van het derdenbeding nog onduidelijkheden bestaan en bovendien door Tirda B.V bij brief van 20 april 2007 van haar raadsman (voorwaardelijk) de nietigheid van dat beding is ingeroepen, moet naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter worden betwijfeld of de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat eiseres door aanvaarding van een derdenbeding de huurster is geworden van de kantine. Reeds om die reden dient de vordering in kort geding te worden afgewezen en behoeft het overigens over en weer door partìjen gestelde, geen bespreking meer. De proceskosten komen voor rekening van eiseres als de in het ongelijk gestelde partij." 2.40.Op 13 juni 2007 heeft de Belastingdienst aan Horeca B.V. een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van een bedrag € 13.227,--, inclusief een boete van € 133,--. De aanslag vermeldt dat Horeca B.V. over de periode 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006 niet of niet volledig heeft voldaan aan haar verplichtingen ten aanzien van het doen van aangifte loonheffingen en/of de betaling daarvan. 2.41.Op 17 augustus 2007 is Tennispark B.V. door [persoon D] voor de kantonrechter te Den Haag gedagvaard. Bij vonnis van 25 maart 2008 zijn de vorderingen van [persoon D] afgewezen. [persoon D] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. 2.42.Op 9 november 2007 is Tennispark B.V. door B.V. [Architectenbureau] voor deze rechtbank gedagvaard ter zake van (kort gezegd) onbetaalde declaraties van [Architectenbureau] voor werkzaamheden die het in opdracht van Tennispark B.V. heeft verricht (zaaknummer / rolnummer 299341 / HA ZA 07-3626). Bij vonnis van 24 februari 2010 heeft deze rechtbank (kort samengevat) Tennispark B.V. veroordeeld tot betaling aan [Architectenbureau] van een bedrag van € 81.606,--, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. 3.De vorderingen in conventie 3.1.Balotte en Bij Zessen vorderen, zakelijk weergegeven: primair I. voor recht te verklaren dat de door Tirda en [gedaagde sub 2] ingeroepen ontbinding dan wel vernietiging d.d. 20 april 2007 onrechtmatig is jegens Balotte en Van Zessen; II. Tirda en [gedaagde sub 2] te verplichten de onderhandelingen met Balotte en Van Zessen teneinde tot een overeenkomst te komen inzake de exploitatie van de horeca op Tennispark Berg & Dal met onmiddellijke ingang voort te zetten, dan wel de overeenkomst op hoofdlijnen van 20 december 2006 na te komen door genoemde onderhandelingen met onmiddellijke ingang voort te zetten, een en ander op straffe van een dwangsom; subsidiair III. voor recht te verklaren dat de door/namens Tirda en [gedaagde sub 2] ingeroepen ontbinding dan wel vernietiging d.d. 20 april 2007 onrechtmatig is jegens Balotte en Van Zessen; IV. Tirda en [gedaagde sub 2] - hoofdelijk - te veroordelen tot betaling aan Balotte en Van Zessen van een bedrag van € 2.007.500,-- uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking zijdens Tirda en [gedaagde sub 2], dan wel een bedrag van € l.000.000,-- ter vergoeding van gederfde winst uit hoofde van strijd met de goede trouw/wanprestatie, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag - met dien verstande dat als meer dan een van de hier genoemde alternatieve rechtsgronden tot schadevergoeding leiden, het alternatief wordt gekozen dat het hoogst mogelijke bedrag oplevert - in elk geval te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 maart 2007 tot aan de dag van algehele voldoening; primair en subsidiair V. Tirda en [gedaagde sub 2] - hoofdelijk - te veroordelen tot betaling aan Balotte en Van Zessen van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten conform Rapport Voorwerk II; VI. Tirda en [gedaagde sub 2] - hoofdelijk - te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, met de bepaling dat er wettelijke rente verschuldigd zal zijn over de proceskostenveroordeling indien niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden. 3.2.Balotte en Van Zessen leggen hieraan (samengevat) het volgende ten grondslag. [gedaagde sub 2] en Tirda hebben de onderhandelingen om de exploitatie van de horeca op het tennispark gestalte te geven op volstrekt onzorgvuldige wijze gevoerd en uiteindelijk afgebroken. Deze onderhandelingen staan niet op zich, maar vormden de laatste fase van een veel groter onderhandelingstraject. Balotte en Bij Zessen mochten er onder deze omstandigheden op vertrouwen dat enigerlei huurovereenkomst tot stand zou komen. Het stond [gedaagde sub 2] en Tirda daarom niet vrij om in dit stadium de onderhandelingen te beëindigen. [gedaagde sub 2] en Tirda hebben feitelijk elke vorm van onderhandeling onmogelijk gemaakt door een keiharde opstelling, de introductie van aanvullende eisen en het stellen van ultimata, terwijl zij wisten dat Balotte en Bij Zessen weinig financiële speelruimte hadden. [gedaagde sub 2] en Tirda hebben zo in strijd met de goede trouw gehandeld en daarmee een onrechtmatige daad gepleegd. Subsidiair zijn [gedaagde sub 2] en Tirda jegens Balotte en Bij Zessen toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst op hoofdlijnen van 20 december 2006, inhoudende de verbintenis dat [aandeelhouder A] en [echtgenote van aandeelhouder A] de exploitanten van de horeca zouden kunnen blijven. [gedaagde sub 2] en Tirda zijn in verzuim sinds 21 maart 2007, de dag waarop zij per e-mail ondubbelzinnig te kennen gaven de overeenkomst niet meer te zullen nakomen. [gedaagde sub 2] en Tirda zijn in beide gevallen verplicht de verbintenis na te komen voor zover dit niet reeds blijvend onmogelijk is. Indien nakoming niet meer mogelijk is, hebben Balotte en Bij Zessen recht op schadevergoeding, te weten vergoeding van de gederfde winst. Meer subsidiair zijn [gedaagde sub 2] en Tirda ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van Balotte en Bij Zessen. Balotte heeft haar belang in het tennispark voor een 'schijntje' afgestaan aan Tirda, ervan uitgaande dat Balotte of Bij Zessen langdurig de exploitatie van de horeca ter hand zou kunnen nemen. Op basis hiervan is de overeenstemming over de koop van de aandelen tegen een lage prijs tot stand gekomen. Nu dit wegvalt is de conclusie dat er geen redelijke grond meer is voor de opzettelijk lage verkoopwaarde. Ook op deze grond zijn [gedaagde sub 2] en Tirda schadeplichtig, waarbij de omvang van de schade wordt bepaald door het verschil tussen de door Balotte daadwerkelijk ontvangen koopsom en de koopsom die in het vrije economische verkeer redelijk was geweest voor het door de aandelen vertegenwoordigde belang. 3.3.Tirda en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stellingen en weren van partijen zal hierna voor zover nodig worden ingegaan. in reconventie 3.4.In reconventie vorderen Tirda en [gedaagde sub 2], na vermeerdering van eis, zakelijk weergegeven: I. Balotte te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] en/of Tirda van een bedrag van € 43.413,09 ter zake van de ontbrekende crediteuren dan wel een door Uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 april 2007 dan wel vanaf de datum van het instellen van de eis in reconventie; II. voor recht te verklaren dat Balotte aansprakelijk is voor alIe door [gedaagde sub 2] en/of Tirda geleden en te lijden schade in verband met de (ontbrekende) crediteuren; III. Balotte te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] en/of Tirda van een bedrag van € 7.712,79 ter zake van (
- a)gemaakte kosten voor juridische bijstand (€ 5.537,79) en (
- b)verschuldigd griffierecht (€ 2.175,--) in verband met de door [Architectenbureau] tegen Tennispark B.V. aanhangig gemaakte procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 april 2007 dan wel vanaf de datum van het instellen van de eis in reconventie; IV. voor recht te verklaren dat Balotte aansprakelijk is voor alle door [gedaagde sub 2] en/of Tirda geleden en te lijden schade in verband met de door [Architectenbureau] tegen Tennispark B.V. aanhangig gemaakte procedure inclusief het eventueel in rechte aan [Architectenbureau] toe te wijzen bedrag, althans voor zover de toewijzing een bedrag van € 30.000,-- te boven gaat; V. Balotte te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] en/of Tirda van: a. een bedrag van € 13.227,-- ter zake van door Horeca B.V. verschuldigde loonbelasting over de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2006 dan wel tot een bedrag van € 4.444,-- voor de maand augustus 2006, een bedrag van € 2.315,-- voor de maand september 2006, een bedrag van € 2.316,-- voor de maand oktober 2006, een bedrag van € 2.036,-- voor de maand november 2006, een bedrag van € 2.166,-- voor de maand december 2006 en bedrag van € 130,-- wegens een opgelegde boete; b. een bedrag van € 15.003,-- ter zake van door Tennispark B.V. verschuldigde loonbelasting over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2006 dan wel tot een bedrag van € 2.126,-- voor de periode van 1 juli t/m 31 december 2006, een bedrag van € 6.570,-- voor de maand december 2006 en een bedrag € 6.307,-- voor de maand januari 2007; c. een bedrag van € 2.972,-- ter zake van door Horeca B.V. verschuldigde omzetbelasting over de periode van 1 november 2006 tot en met januari 2007 dan wel tot een bedrag van € 1.341,-- voor de maand november 2006 en een bedrag € 1.631,-- voor de maand januari 2007; d. een bedrag van € 2.972,-- ter zake van door OG B.V. verschuldigde omzetbelasting over de periode van 1 november 2006 tot en met januari 2007 dan wel tot een bedrag van € 1.341,-- voor de maand november 2006 en een bedrag € 1.631,-- voor de maand januari 2007; e. een bedrag van € 2.972,-- ter zake van door Tennispark B.V. verschuldigde omzetbelasting over de periode van 1 november 2006 tot en met januari 2007 dan wel tot een bedrag van € 1.341,-- voor de maand november 2006 en een bedrag € 1.631,-- voor de maand januari 2007; f. een bedrag van € 2.074,74 ter zake van de door de accountant van eisers in reconventie verrichte werkzaamheden in verband met de hiervoor sub a. tot en met e. bedoelde belastingen; in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 april 2007 dan wel vanaf de datum van het instellen van de eis in reconventie; VI. Balotte te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] en/of Tirda van een bedrag van € 36.430,40 ter zake van de ten onrechte aan Horeca B.V. onthouden omzet alsmede tot betaling van een bedrag van € 1.287,-- ter zake van door de accountant van eisers in reconventie verrichte werkzaamheden om de geleden schade vast te stellen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 april 2007 dan wel vanaf de datum van het instellen van de eis in reconventie; VII. Balotte te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] en/of Tirda van een bedrag van € 6.123,48 ter zake van gemaakte advocaatkosten alsmede een bedrag gelijk aan het betaalde griffierecht in verband met de door [persoon D] jegens Tennispark B.V. aanhangig gemaakte procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 september 2007 dan wel vanaf de datum van het instellen van de eis in reconventie; VIII. voor recht te verklaren dat Balotte gehouden is de nog door Tennispark B.V. te maken kosten in verband met de door [persoon D] tegen Tennispark B.V. aanhangig gemaakte procedure voor 1/3 deel te vergoeden aan [gedaagde sub 2] en/of Tirda; IX. Balotte te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] en/of Tirda van een bedrag van € 1.373,79 ter zake van de vordering van [persoon E] dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 januari 2009; X. Balotte te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, een en ander vermeerderd met wettelijke rente. 3.5.Hieraan leggen Tirda en [gedaagde sub 2] (samengevat) het volgende ten grondslag. In de periode na de verkoop en levering van de aandelen op 31 januari 2007 werd langzaam duidelijk dat de informatie waarop Tirda zich bij de koop heeft gebaseerd niet juist was. Tirda is uitgegaan van een openstaand bedrag aan crediteuren van ongeveer € 163.000,--. Dit blijkt in werkelijkheid een bedrag van ongeveer € 344.943,-- te zijn. [aandeelhouder A] was op de hoogte van de crediteuren die ontbraken op de lijst die aan [gedaagde sub 2] vóór de koop was verstrekt. Het is nog onduidelijk hoe hoog het bedrag van de vorderingen van de ontbrekende crediteuren precies is. Wel duidelijk is dat van het bedrag aan openstaande crediteuren ongeveer € 99.000,-- (exclusief BTW) betrekking heeft op een vordering van [Architectenbureau]; een bedrag dat veel hoger is dan [aandeelhouder A] aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] had voorgehouden. Dit bedrag is inzet van een door [Architectenbureau] tegen Tennispark B.V. aanhangig gemaakte procedure waarvoor ook juridische kosten worden gemaakt. Daarnaast is gebleken dat Horeca B.V. vanaf augustus 2006 in gebreke is gebleven met het doen van aangifte en betaling van loonheffingen, hetgeen heeft geleid tot een naheffingsaanslag van € 13.227,--. [aandeelhouder A] en [echtgenote van aandeelhouder A] waren hiervan op de hoogte, omdat de door het tennispark ingeschakelde accountant/belastingadviseur heeft aangegeven hierover steeds met hen contact te hebben gehad. Verder laat de door Balotte aan Tirda overgedragen administratie zich kwalificeren als ondoorzichtig en onvolledig; de kasomzet van de horeca tot 31 januari 2007 is voor het grootste deel buiten de boeken gehouden. De bijbehorende kosten vallen echter in Horeca B.V., zodat [gedaagde sub 2] hiervoor mag opdraaien terwijl [aandeelhouder A] en [echtgenote van aandeelhouder A] hiervan profijt hebben gehad. Deze kosten bedragen € 36.430,40, vermeerderd met € 1.287,-- aan accountantskosten. Voorts is ten aanzien van de door [persoon D] tegen Tennispark B.B. aanhangig gemaakte procedure ten overstaan van de notaris afgesproken dat [aandeelhouder A] en/of Balotte eenderde deel van desbetreffende kosten voor zijn/haar rekening neemt. Een en ander laat geen andere conclusie dan dat Balotte een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot de financiële en fiscale situatie van de Berg & Dal vennootschappen. Dit levert een schending op van de in de leveringsakte neergelegde garanties, althans non-conformiteit dan wel dwaling aan de zijde van Tirda. [gedaagde sub 2] en Tirda hebben als gevolg van de handelwijze van Balotte schade geleden en lijden nog schade. 3.6.Balotte voert verweer tegen de reconventionele vordering. Op de stellingen en weren van partijen zal hierna voor zover nodig worden ingegaan. 4.De beoordeling 4.1.Omwille van de leesbaarheid en in aanmerking genomen dat - voor zover in deze procedure van belang - de onder 2 beschreven onderhandelingen overwegend tussen [aandeelhouder A] en [gedaagde sub 2] zijn gevoerd, zullen Balotte en Bij Zessen hierna ook wel gezamenlijk in enkelvoud worden aangeduid als '[aandeelhouder A]', en [gedaagde sub 2] en Tirda op eenzelfde wijze als '[gedaagde sub 2]'. in conventie gedeeltelijke ontbinding/vernietiging koopovereenkomst ten onrechte? 4.2. Kern van het geschil betreft de allereerst de vraag of [gedaagde sub 2] op 20 april 2007 de gedeeltelijke ontbinding althans gedeeltelijke vernietiging van de koopovereenkomst inzake de aandelen Beheer B.V. van 20 december 2006, voor zover deze overeenkomst inhoudt dat aan Bij Zessen een huurovereenkomst voor de horeca van Berg & Dal moest worden aangeboden, ten onrechte hebben ingeroepen. Hierop heeft het eerste onderdeel van het primair en subsidiair gevorderde betrekking. 4.3.De bestreden ontbinding en (subsidiair) vernietiging berusten op een vermeende misleidende voorstelling van zaken door [aandeelhouder A] met betrekking tot de financiële en fiscale situatie van de Berg & Dal vennootschappen. De crediteurenlijst die [aandeelhouder A] in november 2006 aan [gedaagde sub 2] ter beschikking had gesteld diende als basis voor de overeenkomst op hoofdlijnen. Deze crediteurenlijst vermeldt een schuldenlast van € 162.967,--. Hoewel partijen twisten over het exacte bedrag, staat vast dat de schuldenlast van het tennispark in werkelijkheid hoger lag. Daarnaast is onder meer sprake van een naheffingsaanslag door de Belastingdienst ten laste van Horeca B.V. in verband met het niet (volledig) voldoen aan haar verplichtingen ten aanzien van het doen van aangifte loonheffingen en/of de betaling daarvan. Volgens [gedaagde sub 2] was [aandeelhouder A] ervan op de hoogte dat de crediteurenlijst die in hij vóór de koop, in november 2006, aan [gedaagde sub 2] verstrekte, onvolledig was en dat Horeca B.V. een fiscale naheffing tegemoet zou kunnen zien. Dit levert, aldus [gedaagde sub 2], een schending op van de in artikel 1 van de leveringsakte van 31 januari 2007 vastgelegde garanties (zie 2.20) en daarmee het recht van [gedaagde sub 2] op (gedeeltelijke) ontbinding van koopovereenkomst overeenkomstig de bijlage bij deze overeenkomst (zie 2.13) is gegeven. 4.4.[aandeelhouder A] spreekt tegen dat hij opzettelijk informatie aan [gedaagde sub 2] heeft onthouden. Verder voert hij aan dat hij in een vroeg stadium [gedaagde sub 2] heeft voorzien van de administratie van Tennispark B.V. (in september 2006) en Horeca B.V. (in december 2006), zodat [gedaagde sub 2] volgens hem alle tijd heeft gehad om de administratie zorgvuldig door te lichten en eventuele leemtes aan de orde te stellen. Volgens [aandeelhouder A] is het door [gedaagde sub 2] opgevoerde bedrag van € 344.943,-- aan crediteuren onjuist, omdat de crediteurenlijst slechts voor een bedrag van € 17.500,-- onvolledig zou zijn. [aandeelhouder A] acht het voorts volstrekt logisch dat het crediteurenoverzicht van maart 2007 afwijkt van die van november 2006, omdat de werkzaamheden op het tennispark gewoon doorgingen. De rechtbank oordeelt als volgt. 4.5.Wanneer een partij vóór de totstandkoming van een overeenkomst aan de wederpartij bepaalde inlichtingen had behoren te verstrekken om te voorkomen dat de wederpartij zich een onjuiste voorstelling zou maken, zal volgens vaste rechtspraak in het algemeen de goede trouw zich ertegen verzetten dat de eerstgenoemde partij aanvoert dat de wederpartij haar onderzoeksplicht heeft verzaakt. Dit uitgangspunt kan uitzondering lijden op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval (vergelijk Hoge Raad 14 november 2008, NJ 2008, 588). Van belang is dat het in dit geval gaat om een aandelentransactie. Daarbij kunnen in beginsel alle van de onderneming deel uitmakende rechten en verplichtingen van belang zijn voor het sluiten van de overeenkomst. 4.6.In dit geval biedt de bijlage bij de koopovereenkomst enige afbakening. Volgens deze bijlage (zie 2.13) hebben alle betrokken partijen, dus ook [aandeelhouder A], onderkend dat [gedaagde sub 2] handelde op basis van de beperkte informatie die hem door [aandeelhouder A] ter beschikking was gesteld en dat hij niet in de gelegenheid was geweest om onderzoek (te laten) doen naar de juistheid van deze informatie, de financiële gegevens en de rechten en verplichtingen van de Berg & Dal vennootschappen. Achtergrond hiervan was dat het door [aandeelhouder A] bestuurde tennispark destijds in grote financiële nood verkeerde en dat een snelle reddingsoperatie noodzakelijk was om het van de ondergang te redden. Uit de tekst van de bijlage volgt dat [aandeelhouder A] accepteerde dat [gedaagde sub 2] binnen het korte tijdsbestek van deze reddingsoperatie slechts zeer beperkt onderzoek had kunnen doen. De tekst van de bijlage maakt voorts duidelijk dat [aandeelhouder A] wist dat de informatie die voor [gedaagde sub 2] van belang was, zich over alle Berg & Dal vennootschappen uitstrekte en niet alleen over Beheer B.V. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat het op de weg van [aandeelhouder A] lag om [gedaagde sub 2] te behoeden voor een onjuiste voorstelling van zaken. [aandeelhouder A] was als geen ander op de hoogte van de financiële en fiscale situatie van het tennispark, [gedaagde sub 2] kon binnen het korte tijdsbestek van het reddingsplan slechts zeer beperkt onderzoek verrichten naar eventuele leemtes in de hem ter beschikking gestelde administratie. In dit licht bezien heeft [aandeelhouder A] tegenover het verweer van [gedaagde sub 2] onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat laatstgenoemde op basis van de hem ter beschikking gestelde stukken eenvoudig had kunnen ontdekken dat het tennispark grotere financiële verplichtingen had dan de crediteurenlijst vermeldde. De mededelingsplicht van [aandeelhouder A] geeft hier dus de doorslag. [aandeelhouder A] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld als bedoeld in 4.5 die zouden moeten leiden tot een andere uitkomst. De rechtbank is voorts van oordeel dat [aandeelhouder A], met zijn kennis van de daadwerkelijke financiële situatie, het belang van deze informatie voor [gedaagde sub 2] en diens informatieachterstand, niet kan volhouden dat hij de informatie niet opzettelijk voor [gedaagde sub 2] heeft achtergehouden. 4.7.Hiermee is de schending van de in artikel 1 onder i van de leveringsakte vastgelegde garantie gegeven en daarmee het recht van [gedaagde sub 2] op (gedeeltelijke) ontbinding van koopovereenkomst overeenkomstig de bijlage bij deze overeenkomst. De gedeeltelijke ontbinding door [gedaagde sub 2] heeft daarom effect heeft gehad. De gevorderde verklaringen voor recht (onderdelen I en III van het petitum) moeten dus stranden. Hetgeen [gedaagde sub 2] verder aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd, kan daarom in het midden blijven. verplichting tot dooronderhandelen voor een pachtovereenkomst? 4.8.Het oordeel dat de gedeeltelijke ontbinding door [gedaagde sub 2] effect heeft gehad, maakt dat de primaire vordering om de onderhandelingen met Balotte en Bij Zessen voor een overeenkomst inzake de exploitatie van de horeca op Tennispark Berg & Dal voort te zetten (onderdeel II van het petitum), niet kan slagen voor zover deze is gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming van de zijde van [gedaagde sub 2]. Voor zover [aandeelhouder A] deze vordering grondt op een schending van de goede trouw/onrechtmatige daad, overweegt de rechtbank als volgt. 4.9.Bij de beoordeling van de vraag of het afbreken van contractsonderhandelingen tegenover de wederpartij onaanvaardbaar is, staat voorop dat ieder der onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - in beginsel vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn (HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467). Als bij de wederpartij van degene die de onderhandelingen over een te sluiten overeenkomst afbreekt, het gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat die overeenkomst tot stand zou komen, behoeft dit niet onder alle omstandigheden te leiden tot de slotsom dat het afbreken onaanvaardbaar is. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan (HR 14 juni 1996, NJ 1997, 481). Zo kunnen zich in de loop van een onderhandelingsproces na de eerste vastlegging van de intenties nog niet opgemerkte vragen voordoen die zo essentieel zijn dat partijen daarover overeenstemming dienen te bereiken wil het overnameproces slagen. 4.10.Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten en in het licht van hiervoor beschreven maatstaf is de rechtbank met [gedaagde sub 2] van oordeel dat [aandeelhouder A] er vanaf de totstandkoming van de overeenkomst op hoofdlijnen van 20 december 2006 niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat met [gedaagde sub 2] hoe dan ook een pachtovereenkomst zou worden gesloten als door hem gesteld. Hiertoe is het volgende redengevend. 4.11.De intenties van de onderhandelingspartners bij de exploitatie van de horeca op het tennispark en de daarbij te hanteren uitgangspunten zijn vastgelegd in de overeenkomst op hoofdlijnen. Deze komen erop neer dat [aandeelhouder A] en [echtgenote van aandeelhouder A] exploitant blijven van het tennispark en verantwoordelijk zijn voor de horeca, alsmede dat zij hiertoe de horeca-activiteiten pachten voor een bedrag van € 72.000,-- per jaar waarover "nadere afspraken (...) zullen worden gemaakt in een pachtovereenkomst". Partijen zijn het erover eens dat de aangehaalde bepaling zich laat kwalificeren als een inspanningsverbintenis om te komen tot nadere afspraken. Niet gezegd kan worden dat [gedaagde sub 2] is tekortgeschoten in de nakoming van deze verbintenis. Uit de overgelegde stukken komt naar voren dat zijn overtuiging om de samenwerking met Bij Zessen (toch) niet te willen aangaan zich is gaan aftekenen in een intensief en veelal moeizaam onderhandelingsproces binnen een tijdspanne van meerdere maanden. Uiteindelijk heeft dit proces, in een sfeer van wantrouwen over en weer, geresulteerd in het besluit van [gedaagde sub 2] om niet met Bij Zessen verder te willen. [gedaagde sub 2] heeft daarbij aangegeven dat zijn besluit met name werd ingegeven door het feit dat Bij Zessen had aangegeven de lopende horeca (inkoop)verplichtingen niet te willen overnemen, een voor [gedaagde sub 2] essentiële voorwaarde. Daarnaast, zo blijkt uit de overgelegde correspondentie, bleven partijen vanaf het begin van de onderhandelingen fundamenteel van mening verschillen over de schaal en het karakter van de horeca-activiteiten op het tennispark; [aandeelhouder A] wilde een Grand Café met feestmogelijkheden, terwijl [gedaagde sub 2] niet meer dan een sportkantine voor ogen stond. De penibele financiële situatie van het tennispark maakt dat deze en andere (mede) door [gedaagde sub 2] geuite bedenkingen niet uit de lucht zijn gegrepen of bagatels betroffen. [aandeelhouder A] heeft dit ook niet gesteld. Onder deze omstandigheden kan [aandeelhouder A] niet staande houden dat, toen de onderhandelingen eind maart 2007 feitelijk tot een einde kwamen, bij hem een gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat de beoogde samenwerking hoe dan ook tot stand zou komen. Bij deze stand van zaken moet de vordering tot dooronderhandelen worden afgewezen. 4.12.De subsidiaire vordering (onderdeel IV) deelt dit lot, goeddeels op dezelfde gronden. Daarnaast heeft [aandeelhouder A] onvoldoende aangedragen voor zijn stelling dat [gedaagde sub 2] ongerechtvaardigd is verrijkt. Zo al sprake is van een verarming van [aandeelhouder A] en een verrijking van [gedaagde sub 2] - hetgeen door [gedaagde sub 2] gemotiveerd wordt betwist - dan is dit niet ongerechtvaardigd in de zin van artikel 6:212 BW. Anders dan [aandeelhouder A] betoogt, berust de gestelde verrijking immers op een overeenkomst tussen partijen waarbij [gedaagde sub 2] de aandelen tegen een lage waarde heeft overgenomen. Gelet op de onweersproken penibele financiële situatie van het tennispark heeft [aandeelhouder A] tegenover het verweer van [gedaagde sub 2] onvoldoende gesteld voor de conclusie dat er met het wegvallen van de beoogde exploitatie door Balotte en Bij Zessen geen redelijke grond meer is voor deze lage verkoopwaarde. 4.13.Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen integraal worden afgewezen. 4.14.Balotte en Bij Zessen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. Deze kosten worden aan de zijde van Tirda en [gedaagde sub 2] begroot op € 11.206,--, waarvan € 4.784,-- aan griffierecht en € 6.422,-- aan salaris advocaat (twee punten à € 3.211,-- volgens tarief VIII), vermeerderd met nakosten en wettelijke rente als hierna te melden. in reconventie 4.15.In conventie is reeds geoordeeld dat sprake is van een schending van de in de leveringsakte neergelegde garantie door [aandeelhouder A]. [aandeelhouder A] is in dit opzicht dus toerekenbaar tekortgeschoten de nakoming van zijn contractuele verplichtingen in dit opzicht. In reconventie vordert [gedaagde sub 2] vergoeding van schade die hij (althans Tirda) als gevolg hiervan heeft geleden en nog zal lijden. De desbetreffende vorderingen hebben betrekking op meerdere Berg & Dal vennootschappen en zijn alleen tegen Balotte gericht. Hierna zal op de verschillende schadeposten worden ingegaan. Ontbrekende crediteuren (vorderingen I en II) 4.16.[gedaagde sub 2] baseert onderdeel I van het gevorderde op een crediteurenlijst van maart 2007 (productie 47 aan de zijde van [gedaagde sub 2]) die een hoger bedrag aan crediteuren vermeldt dan de door Van den berg in december 2006 verstrekte lijst (productie 27 aan de zijde van [aandeelhouder A]). [gedaagde sub 2] stelt een bedrag van € 43.413,09 te hebben betaald aan crediteuren die ontbraken op de lijst van [aandeelhouder A]. [aandeelhouder A] erkent dat de door hem verstrekte lijst onvolledig was, maar betoogt onder meer dat de lijst van [gedaagde sub 2] van maart 2007 onjuist is en dat het daadwerkelijke verschil "via bemiddeling" is teruggebracht tot een bedrag van € 17.500,--. De rechtbank passeert dit verweer. De door [aandeelhouder A] bedoelde bemiddelingspoging is, zoals hij zelf ook erkent, mislukt. Dat het verschil desondanks zou zijn teruggebracht tot voormeld bedrag en dat [gedaagde sub 2] hieraan is gebonden, volgt niet uit de beschikbare documentatie en wordt door [gedaagde sub 2] tegengesproken. De rechtbank gaat voorts, om de in 4.6 vermelde reden, voorbij aan het verweer van [aandeelhouder A] dat [gedaagde sub 2] voorafgaande aan de koop van de aandelen zelf (beter) onderzoek had kunnen en moeten doen. Nu [aandeelhouder A] voor het overige niet of onvoldoende gemotiveerd verweer voert, zal onderdeel I van het gevorderde worden toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke handelsrente is niet weersproken en zal eveneens worden toegewezen. 4.17.[gedaagde sub 2] heeft voorts gevorderd voor recht te verklaren dat Balotte aansprakelijk is voor alle door [gedaagde sub 2] en/of Tirda geleden en te lijden schade in verband met de (ontbrekende) crediteuren. De rechtbank acht die vordering (onderdeel II) te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen en zal deze vordering afwijzen. [Architectenbureau] (vorderingen III en IV) 4.18.Vorderingen III en IV hangen samen met een door [Architectenbureau] tegen Tennispark B.V. bij deze rechtbank aanhangig gemaakte procedure (zaaknummer/rolnummer 299341/HA ZA 07-3626). Inzet van deze procedure is een vordering van [Architectenbureau] op Tennispark B.V. in verband met onbetaalde facturen voor de verbouwing van het tennispark. De rechtbank is ambtshalve bekend met de in deze zaak gewezen vonnissen van 18 februari 2009 en 24 februari 2010. In het laatste vonnis is de vordering van [Architectenbureau] toegewezen tot een bedrag van € 81.606,-- vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van Tennispark B.V. in de proceskosten. 4.19.De vordering van [Architectenbureau] ontbrak volgens [gedaagde sub 2] op de door [aandeelhouder A] ter beschikking gestelde crediteurenlijst. [gedaagde sub 2] stelt dat [aandeelhouder A] hem ook over deze vordering onjuist heeft voorgelicht. [aandeelhouder A] bestrijdt dit in zoverre, dat [gedaagde sub 2] volgens hem voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op hoofdlijnen op de hoogte was van een schikkingsvoorstel van [Architectenbureau] van € 30.000,--. Dit betoog vindt steun in onder meer de overeenkomst op hoofdlijnen waarin dit voorstel is vermeld (onder het kopje "Overige afspraken en opmerkingen") en wordt niet weersproken door [gedaagde sub 2]. Dit betekent dat de verwijten van [gedaagde sub 2] aan het adres van [aandeelhouder A] hoogstens doel kunnen treffen voor zover de vordering van [Architectenbureau] dit bedrag overstijgt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank ook het geval. Ten aanzien van het meerdere voert [aandeelhouder A] immers niet of onvoldoende gemotiveerd verweer, zodat vordering IV in zoverre toewijsbaar is. Hetzelfde geldt voor de gevorderde vergoeding van de kosten voor juridische bijstand en de wettelijke rente daarover (vordering III). loon- en omzetbelasting (vordering V) 4.20.Ter afwering van de vordering ten aanzien van de door de Belastingdienst opgelegde naheffingen ten laste van Tennispark B.V. (vordering V) heeft [aandeelhouder A] aangevoerd dat hij en [gedaagde sub 2] voorafgaande aan de aandelenoverdracht uitdrukkelijk hebben gesproken over de desbetreffende achterstallige betalingen aan de fiscus. Volgens [aandeelhouder A] is [gedaagde sub 2] destijds op de hoogte gebracht van het feit dat er nog niet was betaald en dat dit zo was omdat Tennispark B.V. nog een BTW teruggave verwachtte die dit bedrag (€ 80.000,--) zou compenseren. [gedaagde sub 2] heeft met deze constructie ingestemd, aldus [aandeelhouder A]. [gedaagde sub 2] zelf bestrijdt dat [aandeelhouder A] hem heeft geïnformeerd over te nog te betalen belastingbedragen. 4.21.De rechtbank verwerpt het verweer van [aandeelhouder A] nu dit onvoldoende is onderbouwd. Uit geen van de overgelegde stukken, zoals bijvoorbeeld de uitvoerige correspondentie tussen partijen, blijkt dat [gedaagde sub 2] op de hoogte was van de achterstallige betalingen aan de fiscus en dat hij met de door [aandeelhouder A] bedoelde constructie zou hebben ingestemd. Integendeel, het feit dat de overeenkomst op hoofdlijnen hierover niets vermeldt - hetgeen voor de hand had gelegen, gelet op andere hierin vastgelegde afspraken over financiële verplichtingen van de Berg & Dal vennootschappen - is een belangrijke contra-indicatie. [aandeelhouder A] heeft voor het overige geen verweer gevoerd tegen de uitvoerig gedocumenteerde vordering. Dit voert tot de slotsom dat deze toewijsbaar is. omzet horeca Berg en Dal (vordering VI) 4.22.[gedaagde sub 2] baseert onderdeel VI van het gevorderde op zijn stelling dat uit accountantsonderzoek is gebleken dat de kasomzet van Horeca B.V. in het vierde kwartaal van 2006 en in januari 2007 grotendeels buiten de boeken is gehouden. De bijbehorende kosten komen echter gewoon ten laste van Horeca B.V., terwijl alleen [aandeelhouder A] en [echtgenote van aandeelhouder A] hiervan profijt hebben gehad, aldus [gedaagde sub 2], die de theoretische omzet in voormelde periode begroot op een bedrag van € 36.430,40. [gedaagde sub 2] stelt voorts dat het desbetreffende accountantsonderzoek hem een bedrag van € 1.287,-- heeft gekost. 4.23.[aandeelhouder A] ontkent niet dat er kasomzet van Horeca B.V. buiten de boeken is gehouden, maar hij bestrijdt de juistheid van de berekening van de theoretische omzet door [gedaagde sub 2]. Volgens [aandeelhouder A] is deze berekening boekhoudkundig onevenwichtig, omdat daarin de suggestie wordt gewekt dat alle inkoop ook daadwerkelijk heeft geleid tot omzet. In de berekening is voorts ten onrechte geen rekening gehouden met feesten en partijen, bedoeld om de sterke omzetdaling na afloop van het tennisseizoen per 1 september op te vangen, aldus [aandeelhouder A]. Hij voert verder aan dat [gedaagde sub 2] beschikte over de boekhouding van Horeca B.V. en wist dat er kasomzet buiten de boeken bleef. 4.24.De rechtbank is van oordeel dat [aandeelhouder A] dit verweer onvoldoende heeft geadstrueerd, bijvoorbeeld aan de hand van een eigen berekening van de daadwerkelijk gerealiseerde omzet, voorzien van onderliggende documentatie. Deze onderbouwing mocht wel van hem worden verlangd, zeker nu [gedaagde sub 2] onweersproken heeft gesteld dat [aandeelhouder A] als enige beschikt over het kasboek van Horeca B.V. Verder blijkt uit niets dat [gedaagde sub 2] inzage heeft gehad in de boekhouding van deze vennootschap, zoals [aandeelhouder A] aanvoert. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen zij in 4.6 heeft overwogen over de mededelingsplicht van [aandeelhouder A]. Dat [gedaagde sub 2] alleen op basis van aannames kon komen tot een berekening van een theoretische omzet, kan hem daarom niet verweten worden. In elk geval ontbreken concrete en overtuigende aanwijzingen die de conclusie rechtvaardigen dat deze berekening boekhoudkundig of anderszins onjuist is. De rechtbank stelt verder vast dat [aandeelhouder A] geen verweer heeft gevoerd tegen de door [gedaagde sub 2] opgevoerde accountantskosten. Vordering VI is daarom integraal toewijsbaar. juridische kosten [persoon D] (vordering VII en VIII) 4.25.[aandeelhouder A] voert tegen vordering VII aan dat er geen afspraak bestaat over een bijdrage voor eenderde deel in de juridische kosten voor de zaak van [persoon D] tegen Tennispark B.V. Het bestaan van de afspraak volgt naar het oordeel van de rechtbank echter uit de correspondentie die [gedaagde sub 2] als producties 50 t/m 54 heeft overgelegd. Overwogen wordt als volgt. 4.26.Met een e-mail van 30 januari 2007 aan [persoon C], [aandeelhouder A] en [persoon B] heeft de advocaat van [gedaagde sub 2] een voorzet gegeven voor nadere afspraken, onder meer over de juridische kosten in het kader van de procedure tussen [persoon D] en Tennispark B.V. Deze voorzet vermeldt onder meer - kort gezegd - dat [aandeelhouder A] (in privé en/of voor Balotte) deze kosten voor eenderde deel voor zijn rekening neemt. [aandeelhouder A] spreekt niet tegen dat de voorzet op 31 januari 2007 bij gelegenheid van de aandelenoverdracht in aanwezigheid van onder meer [aandeelhouder A] en [gedaagde sub 2] is besproken. Die avond heeft de advocaat van [gedaagde sub 2] voornoemde partijen per e-mail voorzien van 'de aangepaste overeenkomsten met nadere afspraken'. Het desbetreffende document is op het punt van de bijdrage van [aandeelhouder A] niet gewijzigd. [aandeelhouder A] heeft dezelfde avond per e-mail gereageerd met het verzoek om de punten die betrekking hadden op de vergoedingsplicht van [aandeelhouder A] in privé, uit het voorstel te verwijderen. Als toelichting op dit verzoek schrijft hij:"Dan maak ik ook nog een kans om Privé weer een normaal leven op te gaan bouwen...". De e-mail bevat voor het overige geen commentaar, zodat de vergoedingsplicht van [aandeelhouder A] namens Balotte kennelijk niet ter discussie stond. [aandeelhouder A] heeft ook geen stukken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. De rechtbank is daarom met [gedaagde sub 2] van oordeel dat tussen partijen op 31 januari 2007 mondeling overeenstemming is bereikt over een vergoedingsplicht van [aandeelhouder A] (namens Balotte) voor eenderde deel van de juridische kosten. De omstandigheid dat partijen het document niet hebben ondertekend, doet aan de geldigheid van de afspraak over de bijdrage niet af. 4.27.Subsidiair stelt [aandeelhouder A] zich op het standpunt dat de door [gedaagde sub 2] overgelegde advocatendeclaraties onduidelijk zijn omdat specificaties ontbreken. Volgens [aandeelhouder A] valt zo niet te controleren of de desbetreffende advocatenwerkzaamheden betrekking hebben op de procedure tussen [persoon D] en Horeca B.V. [gedaagde sub 2] biedt uitdrukkelijk bewijs aan van zijn stelling dat de declaraties betrekking hebben op deze procedure. Hij zal daarom tot dit bewijs worden toegelaten. De zaak zal voor dat doel worden verwezen naar de rol. 4.28.Zoals in 4.26 is overwogen, staat op zichzelf vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een vergoedingsplicht van [aandeelhouder A] voor eenderde deel van de juridische kosten. Dit brengt echter niet mee dat de in onderdeel VIII gevorderde verklaring voor recht voor toewijzing gereed ligt. De vordering strekt niet tot een veroordeling van [aandeelhouder A] tot betaling van een geldsom en [gedaagde sub 2] heeft evenmin een verwijzing naar een schadestaatprocedure gevorderd. Dit brengt mee dat de vordering bij gebreke van enig (afdoende) belang moet worden afgewezen. kosten i.v.m. vordering [persoon E] (vordering IX) 4.29.Onderdeel IX van het gevorderde houdt verband met een door de kantonrechter te Den Haag bij vonnis van 20 juli 2008 (rolnummer 715035/07-27084) gedeeltelijk toegewezen vordering van [persoon E] op Tennispark B.V. en Horeca B.V. uit hoofde van verschuldigd loon. 4.30.[aandeelhouder A] heeft tegen onderdeel IX geen verweer gevoerd. De vordering is daarom toewijsbaar. proceskosten 4.31.De beslissing over de proceskosten in reconventie zal worden aangehouden tot het eindvonnis. afrondende overweging 4.32.In dit tussenvonnis is over de belangrijkste geschilpunten een beslissing gegeven. De rechtbank geeft partijen dringend in overweging te bezien of een minnelijke regeling te bereiken is. 5.De beslissing De rechtbank: in conventie - wijst de vorderingen af; - veroordeelt Balotte en Bij Zessen in de kosten van het geding, aan de zijde van Tirda en [gedaagde sub 2] tot dusver begroot op € 11.206,--, vermeerderd met de nakosten ten belope van € 131,--, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn alsmede met de kosten van betekening in voorkomend geval; - verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; in reconventie - verwijst de zaak naar de rol van woensdag 28 april 2010 voor de onder 4.27 omschreven doeleinden; - houdt elke verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2010.