RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 22 april 2010, gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 362587 / KG ZA 10-407 van: [eiser], thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te Zoetermeer, eiser, advocaat mr. B.D.W. Martens te ’s-Gravenhage, tegen: de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie), zetelende te ’s-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. C.M. Bitter te ’s-Gravenhage. 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 april 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. In februari 2007 hebben de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina (hierna: Bosnië) “[eiser], geboren op [geboortedatum]1968 te [geboorteplaats]” internationaal gesignaleerd met het oog op zijn uitlevering in verband met – zakelijk weergegeven – de verdenking van oorlogsmisdrijven begaan tegen krijgsgevangenen. Eiser heeft onder meer de Nederlandse nationaliteit. 1.2. Op 23 februari 2007 is eiser aangehouden en in het huis van bewaring Haaglanden, locatie Zoetermeer, in bewaring gesteld. Op 15 maart 2007 is eiser in vrijheid gesteld, omdat het originele uitleveringsverzoek van de autoriteiten van Bosnië niet tijdig was ontvangen. 1.3. Op 19 juni 2007 heeft gedaagde een origineel uitleveringsverzoek van de autoriteiten van Bosnië ontvangen. 1.4. Bij brief van 25 augustus 2008 is door de minister van justitie van Bosnië de garantie verstrekt dat eiser, na zijn eventuele onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf, naar Nederland kan terugkeren om zijn straf te ondergaan en dat deze straf kan worden omgezet via de omzettingsprocedure. 1.5. Op 4 november 2008 is eiser opnieuw in uitleveringsdetentie genomen. 1.6. De uitleveringskamer van deze rechtbank heeft op 5 juni 2009 de uitlevering van eiser aan Bosnië toelaatbaar verklaard ter zake van het feit waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. In deze uitspraak wordt, voor zover thans van belang, het door eiser gevoerde verweer dat hij onschuldig is en dat hij niet degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, verworpen. Hiertoe wordt onder meer in rechtsoverweging 6.6.2 het volgende overwogen (waarbij eiser wordt aangeduid met de opgeëiste persoon): “Ter zitting heeft de opgeëiste persoon immers bevestigd dat: - hij is genaamd [naam eiser]; - hij is geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]; - [A] de voornaam van zijn vader is; - zijn moeder is genaamd [B]; en dat - [bijnaam] zijn bijnaam is, zoals vermeld in de door de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina overgelegde stukken, waaronder de beslissing van het kantongerecht te Bihac van 16 november 2001 tot het instellen van een onderzoek tegen de opgeëiste persoon en in het bevel van dit kantongerecht van 8 januari 2007 met betrekking tot de uitvaardiging van een internationaal opsporingsbevel tegen de opgeëiste persoon. Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat in de stukken verschillende geboortedata worden genoemd, stelt de rechtbank vast dat uitsluitend in de Nederlandse vertaling van het verzoek van de aanklager bij het kantongerecht te Bihac van 23 augustus 2001 een andere geboortedatum wordt genoemd.” 1.7. Bij advies van 5 juni 2009 heeft de uitleveringskamer van deze rechtbank de minister van justitie (hierna: de minister) geadviseerd toewijzend op het uitleveringsverzoek te beschikken. 1.8. Bij arrest van 1 december 2009 heeft de Hoge Raad het door eiser ingestelde cassatieberoep met toepassing van artikel 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie verworpen. 1.9. Bij brief van 14 december 2009 heeft de advocaat van eiser aan de minister het standpunt van eiser uiteengezet waarom de uitlevering van eiser aan Bosnië niet moet worden toegestaan. In deze brief stelt eiser zich – kort gezegd – op het standpunt dat er sprake is van feiten en omstandigheden op basis waarvan aannemelijk is dat eiser geen schuld kan hebben aan het hem tenlastegelegde feit. Tevens wordt in deze brief uiteengezet dat er volgens eiser sprake is van schending van artikel 3 en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 1.10. Teneinde te kunnen beslissen over de uitlevering van eiser heeft de minister bij brief van 12 januari 2010 het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om de volgende vragen te beantwoorden: “1. Kunt u aangeven hoe de detentiesituatie voor betrokkene zou zijn? In het bijzonder of betrokkene als buitenlander in aanmerking komt voor plaatsing in een specifieke gevangenis onder een specifiek regime? 2. Hebben uw medewerkers in zijn algemeenheid vrij toegang tot Nederlandse gedetineerden? Bent u vanuit dat kader feitelijk bekend met de detentieomstandigheden van Nederlandse gedetineerden? 3. Bent u in de positie tijdens de – mogelijke – detentieperiode in Bosnië-Herzegovina contact te onderhouden met betrokkene? Eventueel, na specifieke afspraken met het Ministerie van Justitie van Bosnië-Herzegovina.” 1.11. In reactie op de onder 1.10 genoemde brief heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister van Buza) bij brief van 9 februari 2010, onder meer het volgende aan de minister medegedeeld: “1. Er is in Bosnië-Herzegovina nog geen staatsgevangenis, maar met de bouw daarvan is begonnen. Detentie vindt nu plaats in gevangenissen in de twee entiteiten, de Federatie Bosnië-Herzegovina, waar voornamelijk etnische Kroaten en Bosniaken (moslims) wonen en de Republika Srpska (RS) waar voornamelijk Serven wonen.. Gevangenissen in Bosnie-Herzegovina zijn oud, veelal 'overbevolkt' en worden slecht onderhouden. Voeding en (basis-)medische verzorging zijn meestal redelijk. Bosnische-Serven worden doorgaans gedetineerd in de Republika Srpska. Kroaten en Bosniaken (moslims) worden meestal gedetineerd in een gevangenis in de Federatie Bosnië-Herzegovina. Gedetineerden met (tweede) buitenlandse nationaliteit worden niet in speciale gevangenissen geplaatst, evenmin is er sprake van een specifiek regime. 2. Ja. Medewerkers van de ambassade hebben vrij toegang tot Nederlandse gedetineerden. Een telefonische aankondiging bij gevangenissen dat een consulaire medewerker een Nederlandse gedetineerde wil bezoeken, is in de regel al voldoende om een akkoord voor toegang te verkrijgen. Ambassade-medewerkers gaan periodiek-regulier op gedetineerdenbezoek en zijn derhalve feitelijk bekend met de detentieomstandigheden van Nederlandse gedetineerden. Medewerkers van de ambassade hebben de afgelopen jaren regelmatig Nederlanders in detentie bezocht. Er heeft zich in de afgelopen periode één geval voorgedaan waar een Nederlandse gedetineerde zich bedreigd voelde in een gevangenis. Met hulp van de Nederlandse ambassade is deze gedetineerde naar een andere gevangenis overgeplaatst. 3. Ja. De ambassade zal tijdens een -mogelijke- detentieperiode regelmatig contact kunnen onderhouden met betrokkene, zoals dit ook geldt voor andere Nederlandse gedetineerden in Bosnie-Herzegovina. Ook bipatride Nederlandse gedetineerden kunnen door de ambassade worden bezocht. In de meeste gevallen hebben bipatride gedetineerden behalve de Nederlandse ook de Bosnische nationaliteit. […] Rechtsgang (artikel 6 EVRM) Over de rechtsgang in Bosnië-Herzegovina kan worden gemeld dat op staatsniveau de internationale gemeenschap betrokken is bij de War Crimes Chamber van de State Court. Zo zijn er internationale rechters en openbare aanklagers werkzaam in Bosnië. In het algemeen is de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vrij stevig. Er zijn derhalve geen duidelijke aanwijzingen dat betrokkene geen eerlijk proces zou krijgen. Mensenrechtensituatie Met betrekking tot mensenrechtenschendingen als mishandeling van gedetineerden diene het volgende. In het algemeen ambtsbericht Bosnië-Herzegovina van november 2003 wordt gesteld dat volgens de grondwet in beide entiteiten een ieder gevrijwaard dient te blijven van mishandeling en foltering, maar dat het in de praktijk kan voorkomen dat de politie mensen mishandelt gedurende detentie. Ook mensenrechtenrapportages uit 2007 en 2008 maken melding van mogelijke mishandeling in gevangenissen. Het internationale toezicht is echter dermate groot, dat de mogelijkheid dat betrokkene in detentie zou worden blootgesteld aan mishandeling gering kan worden geacht.” 1.12. Bij beschikking van 11 maart 2010 heeft de minister, mede gezien hetgeen in de brief van de minister van Buza van 9 februari 2010 is uiteengezet, alle in de onder 1.9 genoemde brief namens eiser aangevoerde verweren verworpen en de uitlevering van eiser aan Bosnië Herzegovina toegestaan (hierna: de beschikking). In de beschikking wordt, voor zover thans van belang, het volgende overwogen: “4.2 Bij brief van 14 december 2009 stelt de raadsman zich namens de opgeëiste persoon op het standpunt dat – kort gezegd – sprake is van feiten en omstandigheden op basis waarvan aannemelijk is dat de opgeëiste persoon geen schuld kan hebben aan het hem tenlastegelegde feit. De vraag of de opgeëiste persoon al dan niet schuldig kan zijn aan het hem tenlastegelegde feit betreft een inhoudelijke beoordeling. In de uitleveringsprocedure is op grond van artikel 28 lid 2 Uitleveringswet alleen ruimte voor een toetsing of onschuld onverwijld kan worden aangetoond. Deze toetsing is voorbehouden aan de rechter. In casu heeft de Rechtbank Den Haag geoordeeld dat het onschuldverweer niet voor inwillig vatbaar was. Aan de Minister komt terzake geen aanvullende toetsing toe. Voor het overige is een oordeel over (on)schuld bij uitstek voorbehouden aan de rechter van de verzoekende staat, in casu de Federale Republiek van Bosnië en Herzegovina. In dit kader is van belang dat de Federale Republiek van Bosnië en Herzegovina partij is bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). (…).” 2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer 2.1. Eiser vordert na eiswijziging – zakelijk weergegeven – primair: gedaagde te verbieden eiser uit te leveren aan Bosnië en subsidiair: gedaagde te verbieden om eiser aan Bosnië uit te leveren zo lang Bosnië niet aan Nederland de garantie heeft gegeven dat het voorarrest niet langer zal duren dan 4 maanden en de garantie heeft gegeven dat Bosnië aan eiser een bedrag van € 1.000,-- per dag zal betalen voor iedere dag dat het voorarrest langer duurt dan 4 maanden. Daarnaast maakt eiser aanspraak op de proceskosten. 2.2. Daartoe voert eiser in hoofdzaak – samengevat – het volgende aan. Gedaagde heeft ten onrechte geen kennis willen nemen van de door eiser bij de onder 1.9 genoemde brief van 14 december 2009 ingebrachte aanvullende bewijsstukken, waaruit de onschuld van eiser blijkt. Gedaagde heeft deze stukken aldus ten onrechte niet in de beschikking betrokken. Het is in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM om eiser desondanks uit te leveren. Hierdoor handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiser. Daarnaast is er sprake van een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Eiser vreest voor een onmenselijke behandeling in Bosnië. Bosnië voldoet nog lang niet aan de eisen die de Europese Unie aan het lidmaatschap stelt, zodat er niet zonder meer van mag worden uitgegaan dat ieder die zich binnen de jurisdictie van Bosnië bevindt zich met vrucht kan beroepen op de bepalingen uit het EVRM. Voorts blijkt uit internationale rapporten en jurisprudentie dat de detentieomstandigheden in Bosnië slecht zijn en dat er misstanden plaatsvinden. Verder wordt in deze rapporten aangegeven dat er geen goede instrumenten bestaan om mogelijke misstanden in de gevangenissen aan het licht te brengen. De afweging die de minister in de beschikking maakt is – zonder enig nader onderzoek – onvoldoende en onzorgvuldig. De rechten van eiser zijn onvoldoende gewaarborgd door de enkele stelling dat medewerkers van de Nederlandse ambassade bij hem op bezoek kunnen komen. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser om zijn uitlevering desondanks toch toe te staan. Voorts heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van een dreigende schending van artikel 8 EVRM. Eiser vreest dat hij gedurende lange periode in voorarrest moet verblijven indien hij naar Bosnië wordt uitgeleverd. De duur van het voorarrest zal met name lang zijn, omdat het rechtssysteem in Bosnië niet is toegerust op ingewikkelde zaken. Gedurende zijn voorarrest zal contact met zijn familie, echtgenote en dochter in Nederland, praktisch onmogelijk zijn. Dit brengt een dreigende flagrante schending van artikel 8 EVRM met zich. 2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 3. De beoordeling van het geschil 3.1. Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven. 3.2. In deze procedure moet de vraag worden beantwoord of gedaagde, door het verzoek van Bosnië om uitlevering van eiser te honoreren, zich schuldig maakt aan onrechtmatig handelen jegens eiser. De minister heeft, als orgaan van gedaagde, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter, waarbij de beleidsvrijheid van de minister wordt ingeperkt door de verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering – zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover Bosnië – slechts dan wijkt voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.