RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht vreemdelingenkamer nevenzittingsplaats Almelo regnr.: Awb 10/13454 BEPTDN/ES1 BE AN2 (verzoek) en Awb 10/ 13452 BEPTDN/ES1 BE AN2 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter inzake (naam verzoeker), geboren op (geboortedatum), van Libische nationaliteit, IND dossiernummer …, verzoeker, gemachtigde: mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk; tegen DE MINISTER VAN JUSTITIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te ’s-Gravenhage verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.M. Luik, ambtenaar ten departemente. 1. Procesverloop Op (…) heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 9 april 2010 heeft verweerder de aanvraag in een Aanmeldcentrum (hierna: AC) afgewezen. Bij brief van 9 april 2010 is daartegen beroep ingesteld en is tevens verzocht om een voorlopige voorziening. Het verzoek is ter zitting van 23 april 2010 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 2. Standpunten Het asielrelaas van verzoeker komt op het volgende neer. Verzoeker is afkomstig uit Libië. Hij werkte vanaf (…) in overheidsdienst bij de energiepolitie, een beveiligingsorganisatie voor energie in Libië. Hij had steeds een dienst van 24 uur en dan twee dagen rust. Op (…) had hij dienst bij een kabelbedrijf toen het bedrijf rond 3 uur in de nacht werd overvallen. Zijn collega raakte daarbij gewond en in reactie daarop is verzoeker op de overvallers gaan schieten waarbij hij er een in het hoofd heeft geraakt. De door verzoeker geraakte overvaller is daardoor overleden. De overige overvallers zijn gevlucht, verzoeker heeft vervolgens onmiddellijk de energiepolitie gebeld en het incident gemeld. De energiepolitie is het incident gaan onderzoeken, daarbij is verzoeker opgepakt en ondervraagd. Hij had daarbij het idee dat men hem wilde beschuldigen van moord. Na deze ondervraging werd verzoeker naar een gevangenis in de plaats (…) gebracht, waar hij heel slecht werd behandeld. Een bewaker van die gevangenis, die in feite een ook een beveiliger in overheidsdienst was, heeft hem geholpen uit de gevangenis te ontsnappen. Verzoeker is vervolgens via Tunesië naar Nederland gekomen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij het relaas van verzoeker niet geloofwaardig acht. Om die reden heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn relaas ten onrechte ongeloofwaar-dig acht. Subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij bij gedwongen terugkeer een risico loopt op een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij wijst hierbij op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittings-plaats Rotterdam, van 5 oktober 2005. In het kader van die procedure zijn er vragen aan verweerder gesteld die verweerder tot op heden nog niet heeft beantwoord. Deze uitspraak is aanleiding geweest tot het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium vanwege de risico’s die (afgewezen) asielzoekers bij terugkeer naar Libië lopen. Door verweerder werd een risico op een onmenselijk behandeling al bij geringe indicaties aangenomen. Na afloop van het besluit- en vertrekmoratorium, volgens verzoeker tot 22 december 2009, is het beleid geweest dat iedere Libische asielzoeker een vergunning tot verblijf kreeg op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Verzoeker wijst in dit kader ook op de tekst in de minuten bij de toewijzende besluiten waarin het volgende is vermeld: “Het geldende beleid voor Libië luidt echter als volgt: het besluitmoratorium is vorig jaar ingevoerd omdat op grond van informatie uit het Ambtsbericht afgeleid zou kunnen worden dat alle terugkerende en uitgeprocedeerde asielzoekers uit Libië geconfronteerd konden worden met detentie, mishandeling en foltering. Nader onderzoek door de Minister van Buitenlandse Zaken is er tot dusver niet mogelijk geweest en derhalve is er tot op heden geen duidelijkheid over het lot van terugkerende Libische asielzoekers. Besloten is om Libische asielzoekers op dit moment het voordeel van de twijfel te gunnen en bij terugkeer al snel schending van artikel 3 EVRM aan te nemen (behoudens contra-indicaties) vanwege het reëel geachte risico op detentie, mishandeling of foltering.” Uit de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 17 november 2009 (JV 2010, 118) blijkt eveneens dat dit het beleid is dat in de praktijk werd gevoerd. 3. Overwegingen Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van de verzoeker in afwachting van de beslissing op het beroep moet worden verboden. Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het AC dient tevens beoordeeld te worden of de aanvraag op zorgvuldige wijze binnen 48 uur is afgedaan. Met betrekking tot het standpunt van verzoeker dat verweerder hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd. Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan – voor zover hier relevant – op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst; d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. In artikel 31, tweede lid, aanhef en onderdeel f, Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Libië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te worden verleend. Het zal daarom aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) heeft overwogen (onder meer uitspraak van 27 januari 2003 in zaak nr. 200206297/1, JV 2003/103 en NAV 2003/100), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in het asielrelaas gestelde feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. De maatstaf bij de daarbij door de rechtbank te verrichten toetsing is niet haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen. Dit laat onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen. Aldus vindt rechterlijke toetsing plaats, zonder dat de voorzieningenrechter een beoordeling aan zich trekt die door de minister moet plaatsvinden. Bij de beoordeling door de minister van het asielrelaas gaat het meestal niet om de vraag, of en in hoeverre de verklaringen over de feiten die de asielzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. De asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn relaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven. Om de asielzoeker, waar dat probleem zich voordoet, tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, pleegt de minister blijkens het gestelde in paragraaf C1/1 sub 2 en paragraaf C1/3 sub 2.2 en 3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoet. Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval een positieve overtuigingskracht uitgaan. Gelet op het feit dat verzoeker onder meer geen enkel indicatief bewijs van zijn reis(route) heeft overgelegd en daarover enkel vage, nauwelijks verifieerbare verklaringen heeft afgelegd en gelet op de bestendige jurisprudentie hieromtrent, is de voorzieningenrechter met betrekking tot de toepassing van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onderdeel f, Vw 2000 van oordeel dat verweerder verzoeker in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten heeft overgelegd. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat verzoekers relaas ongeloofwaardig is. Zo heeft verweerder verzoeker in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat verzoeker wisselend heeft verklaard over de toedracht van de overval op (…). Ook heeft verweerder verzoeker in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over het al dan niet een proces-verbaal krijgen na het verhoor door de energiepolitie. Verzoekers verklaringen omtrent de reis naar Tunesië na de ontsnapping uit de gevangenis heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens in redelijkheid aan verzoeker kunnen tegenwerpen, nu verzoeker hieromtrent wisselende verklaringen heeft afgelegd. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker geen vluchteling is. Ten aanzien van het standpunt van verzoeker dat hij bij gedwongen terugkeer een risico loopt op een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Zoals namens verzoeker terecht is aangevoerd, heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 oktober 2005 (Awb-nummer 04/48272) besloten tot 1 januari 2007 een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor asielzoekers uit Libië. Dit besluit is vastgelegd in WBV 2006/28. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in de hiervoor vermelde uitspraak van 5 oktober 2005 onder meer het volgende heeft overwogen: “In het algemeen ambtsbericht over Libië is de volgende zinsnede opgenomen (…): Indien een uitgeprocedeerde asielzoeker na terugkeer in Libië wordt gedetineerd, kan mishandeling of foltering tijdens detentie niet worden uitgesloten. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat deze zinsnede louter betrekking heeft op terugkerende uitgeprocedeerde asielzoekers die door de Libische autoriteiten van oppositionele activiteiten worden verdacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee slechts een eigen (gemotiveerde) interpretatie van het ambtsbericht op dit onderdeel gegeven, terwijl van verweerder mag verwacht mag worden aan te geven wat met bedoelde zinsnede in het ambtsbericht exact wordt bedoeld. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder om deze vraag over de reikwijdte van voornoemde zinsnede uit het ambtsbericht, mede in het licht van de feitelijke situatie, voor te leggen aan de opsteller daarvan, te weten de Minister van Buitenlandse Zaken. De rechtbank heeft verweerder op 15 juni 2005 dan ook in de gelegenheid gesteld om de volgende vragen ter beantwoording voor te leggen aan de Minister van Buitenlandse Zaken (…). Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 11 augustus 2005 te kennen gegeven dat het niet gelukt is om de door de rechtbank gestelde vragen te laten beantwoorden door de Minister van Buitenlandse Zaken. De rechtbank stelt vast dat verweerder in deze brief niet heeft aangegeven waarom de Minister van Buitenlandse Zaken de vragen niet heeft beantwoord.” De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat in de toelichting van WBV 2006/28 is vermeld dat het asielbeleid ten aanzien van Libië is gewijzigd naar aanleiding van die hiervoor vermelde uitspraak 5 oktober 2005. Onder het kopje ‘Achtergrond’ is in dit WBV vermeld dat het besluitmoratorium voor asielzoekers uit Libië is ingesteld naar aanleiding van het volgende: “In het ambtsbericht Libië van 20 november 2002 van de Minister van Buitenlandse zaken staat op pagina 10 in de paragraaf over de procedure bij terugkeer vermeld dat ‘…indien een uitgeprocedeerde Libische asielzoeker na terugkeer in Libië wordt gedetineerd, mishandeling of foltering tijdens detentie niet kan worden uitgesloten’. Omdat in dezelfde paragraaf wordt gesteld dat ‘er (…) een essentieel verschil (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.