RECHTBANK ROTTERDAM Sector familie- en jeugdrecht Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 10-1028 Zaaknummer: 358760 Datum beschikking: 20 mei 2010 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 4 februari 2010 ingekomen verzoek van: de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, thans geheten de directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken van het directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens: [de man], de vader, wonende te [plaats A], Duitsland. Als belanghebbenden worden aangemerkt: Bureau Jeugdzorg, Stadsregio Rotterdam, locatie West-Blaak, hierna te noemen: BJZ, advocaat: mr. A.C. Seventer te Rotterdam, en [naam grootmoeder], de grootmoeder, wonende op een geheim adres in Nederland, zonder advocaat. Procedure Van de zijde van de vader is op 13 juli 2009 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarigen [A], [B] en [E] naar Duitsland. Op 4 februari 2010 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Rotterdam ingediend. Bij beschikking d.d. 4 februari 2010 heeft de rechtbank Rotterdam zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoering d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak, bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift van BJZ; - de brief d.d. 23 februari 2010 van de rechtbank Rotterdam met als bijlage de brief d.d. 4 februari van de Centrale Autoriteit; - de brief d.d. 12 februari 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit; - de brief d.d. 10 maart 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit; - het faxbericht d.d. 10 maart 2010 met bijlagen van de Centrale Autoriteit; - de brief d.d. 11 maart 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit; - het faxbericht d.d. 14 april 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit. De vader en BJZ hebben vóór de behandeling ter terechtzitting getracht door middel van mediation tot een minnelijke regeling te komen. De rechtbank heeft van de Centrale Autoriteit bij brief d.d. 11 maart 2010 een vaststellingsovereenkomst ontvangen, opgesteld door het Mediation Bureau, onderdeel van het Centrum Internationale Kinderontvoering, waarin de vader en BJZ overeenstemming hebben bereikt over de verblijfplaats van de minderjarigen [A] en [B]. Ten aanzien van de minderjarige [E] hebben partijen geen overeenstemming bereikt. Op 19 april 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank in de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn verschenen: - de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab; - de vader; - BJZ in de persoon van mevrouw S. Otten en mevrouw C. Ramos met hun advocaat mr. A.C. Seventer; - de grootmoeder, bijgestaan door een tolk de heer N. Rasic; - mevrouw E.K.M. Bakker en mevrouw I. Simons namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad). De minderjarige [E] heeft in raadkamer op 19 april 2010 haar mening kenbaar gemaakt. Na de terechtzitting zijn op verzoek van de rechtbank ingekomen de volgende stukken: - het faxbericht d.d. 22 april 2010 met bijlage van de raad; - het faxbericht d.d. 26 april 2010 met bijlagen van de Centrale Autoriteit. Verzoek en verweer De Centrale Autoriteit heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de hierboven genoemde Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij BJZ dan wel de grootmoeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Duitsland dan wel, indien zij nalaten hen terug te brengen, te bepalen op welke datum de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader worden afgegeven, zodat de vader hen zelf mee terug kan nemen naar Duitsland. Ter terechtzitting van 19 april 2010 heeft de Centrale Autoriteit in verband met de deels bereikte overeenstemming het verzoek ten aanzien van de minderjarigen [A] en [B] ingetrokken zodat het verzoek thans uitsluitend betrekking heeft op de minderjarige [E]. BJZ heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan. De vader is gehuwd geweest met wijlen [naam moeder], de moeder van de minderjarigen. Het huwelijk is door overlijden van de moeder ontbonden op [datum] 2007 te [plaats B]. Uit het huwelijk zijn geboren de volgende minderjarigen: - [A], geboren op [geboortedatum] 1994 te [plaats B]; - [B], geboren op [geboortedatum] 1995 te [plaats B]; - [C], geboren op [geboortedatum] 1997 te [plaats B]; - [D], geboren op [geboortedatum] 1999 te [plaats B]; - [E], geboren op [geboortedatum] 2000 te [plaats C]. De minderjarigen hebben tot het overlijden van de moeder samen met hun ouders in Nederland gewoond. Na het overlijden van de moeder is de vader in september 2007 met de minderjarigen naar Duitsland vertrokken. Op 2 april 2009 heeft de vader de minderjarigen naar grootmoeder in Nederland gebracht. De minderjarigen [C] en [D] zijn in de zomer 2009 teruggekeerd naar Duitsland en verblijven inmiddels weer bij de vader. De overige minderjarigen verblijven thans nog bij de grootmoeder in Nederland. Bij beschikking van 25 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam is BJZ belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen. Bij beschikking van 15 oktober 2009 van de rechtbank Rotterdam is de vader geschorst in de uitoefening van het gezag over de minderjarigen zolang de omstandigheid zich voordoet waardoor hij het ouderlijk gezag niet kan uitoefenen. Voorts is BJZ voor de periode dat het ouderlijk gezag geschorst zal zijn, benoemd als tijdelijk voogd over de minderjarigen. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Bevoegdheid De Centrale Autoriteit heeft het verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Zowel Nederland als Duitsland zijn partij bij het Verdrag. Ingevolge artikel 11 lid 1a van de Uitvoeringswet bij het Verdrag is de kinderrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft, bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de toepassing van - onder meer - het Verdrag. Nu de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats in het arrondissement Rotterdam heeft, is de rechtbank Rotterdam bevoegd om van het verzoek van de Centrale Autoriteit kennis te nemen. De behandeling van de zaak vindt plaats in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage. Inhoudelijke beoordeling Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging ingevolge artikel 3 van het Verdrag Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag is er sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde achterhouding, wanneer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.