← Nederland

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7060

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector familie- en jeugdrecht Kinderrechter Rekestnummer: JE RK 10-459 Zaaknummer: 359822 Datum beschikking: 4 maart 2010 Ondertoezichtstelling Beschikking op het op 19 februari 2010 ingekomen verzoekschrift van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie Den Haag verder: de Raad, met betrekking tot de minderjarige: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats]; kind uit het huwelijk van: [de vader], de vader, wonende op een geheim adres, en [de moeder], de moeder, wonende te [plaats A], die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De minderjarige verblijft feitelijk bij de vader. Procedure De kinderrechter heeft kennis genomen van: - het verzoekschrift; - het rapport raadsonderzoek civiele zaken, opgesteld op 17 februari 2010 met kenmerk KZ-1-5IEXJV van de zijde van de raad; - het verweerschrift tegen ondertoezichtstelling van de zijde van de vader. Op 4 maart 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld, tegelijkertijd met de tussen de vader en de moeder lopende zaken met dossiernummers 338303 (echtscheiding), 343871 (voorlopige voorzieningen) en 357898 (wijziging voorlopige voorzieningen). Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: - de moeder, vergezeld van haar advocaat mr. A.A.G. Balkenende; - de vader, vergezeld van zijn advocaat mr. H.A. Terleth - Gerretse; - mevrouw G.H. Houweling namens de Raad; - de heer J. Boomk namens Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Rijnland. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar. De moeder heeft ter terechtzitting ingestemd met het verzochte. De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Beoordeling De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat er, zoals de raad in zijn rapport heeft uiteengezet en ter terechtzitting met partijen is besproken, zowel sprake is van gezinsproblematiek, als persoonlijke problematiek van de ouders als kindproblematiek. Gelet op alles wat er tussen partijen speelt, is er op meerdere fronten hulpverlening nodig. De kinderrechter acht het in het belang van de minderjarige dat door middel van de ondertoezichtstelling een gezinsvoogd komt die de coördinatie van alle hulpverlening ter hand kan nemen, ongeacht waar de minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft. Nu de vader ter terechtzitting heeft verklaard zich niet te verzetten tegen ondertoezichtstelling, ook al vindt hij het niet nodig zolang de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft, behoeft het verweer van de vader geen verdere bespreking en zal er worden beslist als na te melden. Beslissing De kinderrechter: stelt de minderjarige van 4 maart 2010 tot 4 maart 2011 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg; verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2010, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier. Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.